22 december 2006 Eerste Kamer Rek.nr. R06/115HR RM/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van:
- [Verzoeker 1],
- [Verzoekster 2], beiden wonende te [woonplaats], VERZOEKERS tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen.
- Het geding in feitelijke instanties Verzoekers tot cassatie - verder te noemen: de echtelieden - hebben zich gewend tot de rechtbank te Utrecht en verzocht ten aanzien van hen de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Omdat de ingediende verzoekschriften niet voldeden aan de daaraan bij de wet gestelde eisen, heeft de rechtbank bij vonnissen van 18 april 2006 ten aanzien van de echtelieden de voorlopige toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken, een rechter-commissaris en een bewindvoerder benoemd, en de echtelieden een termijn gegeven om de ontbrekende gegevens over te leggen teneinde een beslissing te kunnen geven omtrent de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling. Op 18 april 2006 hebben de echtelieden een verzoekschrift met bijlagen ingediend bij de rechtbank tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De bewindvoerder heeft op 8 mei 2006 zijn aanvangsverslag ingediend. Ter terechtzitting van 9 mei 2006 heeft de rechtbank de raadsman van de echtelieden in de gelegenheid gesteld te reageren op het aanvangsverslag. De raadsman van de echtelieden heeft op 22 mei 2006 schriftelijk gereageerd op het advies van de bewindvoerder; de bewindvoerder heeft daarop gereageerd bij brieven van 30 en 31 mei
- De rechtbank heeft bij twee afzonderlijke vonnissen van 12 juni 2006 de definitieve toepassing van de schuldsanering afgewezen. Tegen deze vonnissen hebben de echtelieden hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 8 augustus 2006, hierbij zijn verschenen: de echtelieden bijgestaan door hun advocaat en de bewindvoerder. Bij arrest van 18 augustus 2006 heeft het hof de uitspraken waarvan beroep bekrachtigd. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
- Het geding in cassatie Tegen het arrest van het hof hebben de echtelieden gezamenlijk en ieder afzonderlijk beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.
- Beoordeling van de middelen De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
- Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 22 december 2006.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.