5 juni 2007 Strafkamer nr. 01642/06 KM/AM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 19 juli 2005, nummer 21/001600-04, in de strafzaak tegen: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 8 maart 2004 - de verdachte ter zake van 1. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het (de Hoge Raad leest: een) in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" en "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het (de Hoge Raad leest: een) in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod", 2. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het (de Hoge Raad leest: een) in artikel 3, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" en "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het (de Hoge Raad leest: een) in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" en 3. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III" en "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven. 2. Geding in cassatie 2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige. De conclusie is aan dit arrest gehecht. 2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal. 3. Beoordeling van het tweede middel 3.1. Het middel houdt in dat de bewezenverklaring van feit 1, voor zover inhoudende 'een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (XTC)' en 'een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine' niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. 3.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat: "hij in de periode van 1 augustus 2002 tot en met 19 maart 2003 te Nijmegen en/of te Druten en/of te Cuijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meermalen, telkens opzettelijk heeft bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (XTC) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijnde MDMA (XTC) en cocaïne en amfetamine middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I." 3.3. Het Hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de bewijsmiddelen die in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 9 zijn vermeld. 3.4. Het Hof heeft voorts - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - overwogen hetgeen is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 10. 3.5. De bewezenverklaring is naar behoren met redenen omkleed voor zover deze inhoudt dat het bij de bewezenverklaarde gedragingen ging om materiaal bevattende MDMA (XTC), in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.