12 juni 2007 Strafkamer nr. 00405/06 KM/IC Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 13 juni 2005, nummer 20/000339-05, in de strafzaak tegen: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak 1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 18 juni 2004 - de verdachte ter zake van "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen" veroordeeld tot 1 maand gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld. 1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Wetboek van Strafvordering is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. 3. Beoordeling van het eerste middel 3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het beroep op noodweer(exces) dan wel putatief noodweer ten onrechte, althans op ontoereikende gronden heeft verworpen. 3.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: "hij op 28 maart 2004 te Nuenen, gemeente Nuenen Ca, met een ander op of aan de openbare weg, de Europalaan, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het met kracht slaan van voornoemde [slachtoffer] en het met kracht met geschoeide voeten schoppen van voornoemde [slachtoffer]." 3.2.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende aangevoerd: "Deze zaak heeft een voorgeschiedenis. De getuigenverklaringen reppen hier niet over. Mijn cliënt en [medeverdachte 1] hadden een afspraak met twee meisjes. Een van de meisjes beweerde dat ze met de dood en met verkrachting werd bedreigd door [slachtoffer]. Ik geef toe dat mijn cliënt er beter aan had gedaan met het meisje naar het politiebureau te gaan. Mijn cliënt wilde alleen praten met [slachtoffer]. Deze trok evenwel een mes van 25 centimeter lang. Op dat moment vreesde mijn cliënt voor zijn leven. Hij durfde zich niet om te draaien om weg te lopen. Hij kreeg toen een mes van [medeverdachte 1] aangereikt. Om dit mes heeft mijn cliënt niet gevraagd. Hij keek op het knopje waarmee het mes moet worden geopend. Toen mijn cliënt weer opkeek, zag hij dat [slachtoffer] geen mes meer in zijn hand had. Vervolgens bukte [slachtoffer] voorover. Mijn cliënt dacht dat [slachtoffer] zijn mes wilde oprapen. Mijn cliënt had geen tijd meer om weg te komen en heeft [slachtoffer] eenmaal getrapt. In mijn visie mag dat. Ik meen dat er sprake is van noodweer/putatief noodweer of noodweerexces. Mijn cliënt hoefde niet het mes van [slachtoffer] weg te trappen. Dat is een te hoge eis. De verklaring van mijn cliënt aangaande de loop van de gebeurtenissen wordt bevestigd door de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1] en de getuige [getuige 1]. [Getuige 1] heeft namelijk verklaard dat de jongen voorover bukte en vervolgens werd geschopt." 3.2.3. Het Hof heeft dat verweer als volgt samengevat en verworpen: "De raadsman van de verdachte heeft op de zitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer/putatief noodweer of met noodweerexces. Dit verweer wordt verworpen. Het hof stelt de volgende feitelijke gang van zaken vast:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.