20 november 2007 Strafkamer nr. 03271/06 W SY/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 14 juli 2006, nummer RK 06/417, omtrent een verzoek van de Roemeense autoriteiten tot overname van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing tegen: [veroordeelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft toelaatbaar verklaard de tenuitvoerlegging van de beslissing van het Hof te Alba Iulia (Roemenië) van 4 februari 2003 waarbij de veroordeelde is veroordeeld tot twee jaar en zes maanden gevangenisstraf. De Rechtbank heeft verlof verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van de genoemde beslissing en de veroordeelde ter zake van de in die beslissing vermelde feiten een gevangenisstraf opgelegd van 265 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Tevens heeft de Rechtbank ter zake van de in dat arrest bewezenverklaarde feiten veroordeelde een taakstraf opgelegd bestaande uit een werkstraf zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid voor de tijd van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts heeft de Rechtbank bevolen dat de tijd, welke de veroordeelde in Roemenië ter uitvoering van de hem aldaar opgelegde sanctie, met het oog op de overbrenging naar Nederland en uit hoofde van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van zijn vrijheid is beroofd geweest, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze heeft mr. B.D.W. Martens, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het middel klaagt over de verwerping door de Rechtbank van het verweer dat het verzoek tot tenuitvoerlegging van het Roemeense strafvonnis niet in behandeling kan worden genomen omdat te dezen sprake is van een verstekvonnis, in de zin van art. 21, tweede lid, van het Europees Verdrag inzake de geldigheid van strafvonnissen, gesloten te 's-Gravenhage op 28 mei 1970 (Trb. 1971, 137; hierna: EVIG). 3.2. De Rechtbank heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen: "De raadsvrouwe heeft aan de hand van haar pleitaantekeningen het verweer gevoerd dat het verzoek tot tenuitvoerlegging niet in behandeling kan worden genomen. Daartoe heeft zij onder verwijzing naar het Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen gesloten te 's-Gravenhage op 28 mei 1970, Trb. 1971, 137 (verder te noemen: EVIG) - zakelijk weergegeven - gesteld dat het Roemeense arrest van het gerechtshof te Alba Iulia waarvan tenuitvoerlegging wordt gevraagd niet ten uitvoer kan worden gelegd, nu dit arrest (en naar de rechtbank begrijpt: ook het onderliggende vonnis van de Roemeense rechtbank te Sibiu) een verstekvonnis betreft. De rechtbank verwerpt dit verweer reeds omdat het EVIG in het onderhavige geval toepassing mist. Ingevolge artikel 22, vierde lid, van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (verder te noemen: VOGP) is, indien een verzoek zowel valt binnen het toepassingsbereik van het EVIG als van het VOGP, het aan de verzoekende Staat om aan te geven op grond van welk instrument het verzoek wordt gedaan. Gezien het inleidende verzoek heeft Roemenië in casu onmiskenbaar gekozen voor toepassing van het VOGP. Ingevolge de bepalingen van het VOGP en de WOTS is het niet relevant of een vonnis waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd een verstekvonnis betreft of niet. Ten overvloede merkt de rechtbank daarbij nog het volgende op: De uitspraak in eerste aanleg en de daarop volgende uitspraak in hoger beroep, waarvan thans tenuitvoerlegging wordt gevraagd, zijn betekend aan het adres in Roemenië, dat door veroordeelde zelf in het kader van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis was opgegeven en waar hij naar zijn verklaring ter terechtzitting ook inderdaad een maand feitelijk heeft verbleven. Voorts heeft veroordeelde in eerste aanleg naast de zittingen in het kader van de voorlopige hechtenis in ieder geval één zitting in persoon en in het bijzijn van zijn raadsman bijgewoond, waarbij over het horen van getuigen en het verdere verloop van de procedure is gesproken. In de periode waarin de voorlopige hechtenis was geschorst heeft veroordeelde ook op diens kantoor gesproken met zijn Roemeense raadsman. Vervolgens heeft veroordeelde alvorens de procedure was afgerond, en zonder een nader adres bij zijn raadsman of de Roemeense rechterlijke autoriteiten achter te laten, Roemenië verlaten. Bedoelde raadsman heeft blijkens de uitspraak vervolgens ter terechtzitting namens veroordeelde inhoudelijk verweer gevoerd. Ook in hoger beroep is door een Roemeense advocaat namens veroordeelde inhoudelijk verweer gevoerd. Gezien deze feiten en omstandigheden kan niet met vrucht worden gesteld dat de uitspraak waarvan thans tenuitvoerlegging is gevraagd, als een verstekvonnis dient te worden aangemerkt." 3.3. Het door de Rechtbank bedoelde verzoek van de Roemeense autoriteiten van 7 oktober 2003 houdt in de Nederlandse vertaling het volgende in: "De procureur-generaal van het Parket van het Hof van Beroep Alba Iulia brengt zijn groet over aan de justitiële autoriteiten van het Koninkrijk der Nederlanden. Op grond van artikel 2 van het Aanvullend Protocol van het Europees Verdrag aangaande het overdragen van veroordeelde personen, aangenomen in Straatsburg op 18 december 1997, heeft hij de eer u te doen toekomen HET VERZOEK TOT OVERNAME VAN DE TENUITVOERLEGGING VAN DE VEROORDELING DOOR DE BEVOEGDE JUSTITIËLE AUTORITEITEN van HET KONINKRIJK Nederland, betreffende de veroordeelden [veroordeelde] en (...) - Nederlandse staatsburgers. (...) Wij zijn van mening dat terzake is voldaan aan alle voorwaarden bepaald in art. 2 van het Aanvullend Protocol van het Europees Verdrag aangaande het overdragen van veroordeelde personen, aangenomen in Straatsburg op 18 december 1997." 3.4. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende voorschriften van belang: - Art. 3, eerste lid, van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, gesloten te Straatsburg op 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74; hierna: VOGP), dat in de Nederlandse vertaling als volgt luidt: "1. Een gevonniste persoon kan overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, slechts onder de navolgende voorwaarden worden overgebracht: a. indien die persoon een onderdaan is van de Staat van tenuitvoerlegging; b. indien het vonnis onherroepelijk is; c. indien de gevonniste persoon, op het tijdstip van ontvangst van het verzoek, nog ten minste zes maanden van de veroordeling moet ondergaan of indien de duur der veroordeling onbeperkt is; d. indien door de gevonniste persoon of, wanneer gelet op zijn leeftijd of lichamelijke of geestelijke toestand, een der beide Staten zulks nodig acht, door de wettelijke vertegenwoordiger van de gevonniste persoon met de overbrenging wordt ingestemd; e. indien het handelen of het nalaten op grond waarvan de veroordeling werd uitgesproken een strafbaar feit oplevert naar het recht van de Staat van tenuitvoerlegging of een strafbaar feit zou opleveren indien dit op zijn grondgebied zou zijn gepleegd, en f. indien de Staat van veroordeling en de Staat van tenuitvoerlegging het eens zijn over de overbrenging." - Art. 22, vierde lid, VOGP, dat in de Nederlandse vertaling als volgt luidt: "Indien een verzoek om overbrenging valt binnen het toepassingsgebied van zowel het onderhavige Verdrag als het Europese Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen of een andere overeenkomst of ander verdrag betreffende de overbrenging van veroordeelden, geeft de verzoekende staat, bij het doen van het verzoek, aan, op grond van welk instrument zulks wordt gedaan." - Art. 2 van het Aanvullend Protocol bij het VOGP, gesloten te Straatsburg op 18 december 1997 (Trb. 1998, 202), dat in de Nederlandse vertaling als volgt luidt: "1. Wanneer een onderdaan van een Partij die is veroordeeld bij onherroepelijk vonnis, uitgesproken op het grondgebied van een andere Partij, zich aan de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van de veroordeling in de Staat van veroordeling tracht te onttrekken door te vluchten naar het grondgebied van de eerstgenoemde Partij voordat hij de veroordeling heeft ondergaan, kan de Staat van veroordeling de andere Partij verzoeken de tenuitvoerlegging van de veroordeling over te nemen. 2. Op verzoek van de Staat van veroordeling kan de Staat van tenuitvoerlegging voorafgaand aan de ontvangst van de stukken ter ondersteuning van het verzoek of aan de beslissing op het verzoek, de gevonniste persoon aanhouden of andere maatregelen nemen teneinde te verzekeren dat de gevonniste persoon op diens grondgebied blijft, in afwachting van een beslissing op het verzoek. Verzoeken tot voorlopige maatregelen moeten vergezeld gaan van de in artikel 4, derde lid, van het Verdrag, genoemde inlichtingen. De strafrechtelijke positie van de gevonniste persoon zal niet worden verzwaard ten gevolge van een uit hoofde van dit lid in bewaring doorgebracht tijdvak. 3. De instemming van de gevonniste persoon is voor de overdracht van de tenuitvoerlegging van de veroordeling niet vereist." - Art. 21 EVIG dat in de Nederlandse vertaling als volgt luidt: "1. Tenzij in dit Verdrag anders is bepaald zijn voor de tenuitvoerlegging van verstekvonnissen en van strafbeschikkingen dezelfde regels van toepassing als voor de tenuitvoerlegging van andere vonnissen. 2. Behoudens het bepaalde in het derde lid wordt onder verstekvonnis in de zin van dit Verdrag verstaan een beslissing van een strafrechter van een Verdragsluitende Staat naar aanleiding van een strafvervolging uitgesproken terwijl de veroordeelde niet in persoon ter terechtzitting is verschenen. 3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid van artikel 25, het tweede lid van artikel 26 en artikel 29 wordt als vonnis op tegenspraak beschouwd: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.