Nr. 41.467 14 september 2007 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 september 2004, nr. P03/01749, betreffende na te melden aanslag in de precariobelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de precariobelasting van de gemeente Hilversum opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het hoofd van de afdeling belastingen van de gemeente Hilversum (hierna: de heffingsambtenaar) is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum (hierna: het college) heeft een verweerschrift ingediend. 3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 3.1.1. Belanghebbende neemt - en nam gedurende geheel 2002 - met zijn woonark ligplaats nummer 003 in, in het in de gemeente Z (hierna: de gemeente) gelegen water 'D'. De grond van D is eigendom van de gemeente. D is in 1937 als haven aangelegd. Van meet af aan is een deel van het water gebezigd als ligplaats voor woonarken, is de aan de walzijde aan de ligplaatsen grenzende grond bij de woonarkbewoners in gebruik geweest als aanlegplaats/tuin en zijn op die percelen grond opstallen (zoals schuren) geplaatst door de woonarkbewoners. De gemeente is nimmer tegen de desbetreffende situatie opgetreden. 3.1.2. In 1988 heeft een herstructurering plaatsgevonden van D, waarbij van gemeentewege voorzieningen ten behoeve van de woonarkbewoning zijn aangebracht, zoals beschoeiing en riolering. De gemeente heeft bij die gelegenheid toegestemd in het voortduren van de onder 3.1.1. omschreven, tot dan toe slechts gedoogde, situatie. In 1990 zijn bovendien van gemeentewege de op de walzijde gelegen, bij de woonarkbewoners in gebruik zijnde, percelen grond ingemeten. 3.1.3. In het kader van de onder 3.1.2. omschreven activiteiten hebben (vertegenwoordigers van) de woonarkbewoners en de gemeente overleg gevoerd over de vraag of de ontstane situatie juridisch kon worden vastgelegd doordat de gemeente met elk van de woonarkbewoners een, aan opvolgende woonarkbewoners overdraagbare, gebruiksregeling zou aangaan, onder meer inhoudende een (voor het gebruik van ligplaats en aangrenzend perceel) door de woonarkbewoner verschuldigde gebruiksvergoeding. Bij dat overleg is afgesproken dat de gemeente ten behoeve van te voeren vervolgoverleg een concept-gebruiksregeling zou opstellen. Van de presentatie van een zodanig concept, de voortzetting van het overleg en het aangaan van een gebruiksregeling als vorenvermeld, is het tot op heden niet gekomen. 3.1.4. Bij aanslag van 30 juni 2002 heeft verweerder van belanghebbende voor het jaar 2002 € 256 aan precariobelasting geheven ter zake van het boven gemeentegrond ligplaats innemen met zijn woonark in D. Deze aanslag is gebaseerd op de 'Verordening Precariobelasting 2002' van de gemeente, vastgesteld door de Raad van de gemeente op 4 december 2001 en gepubliceerd op 13 december 2001, hierna: de Verordening, welke - voor zover hier van belang -, luidt als volgt: "(...) Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Artikel 3 Belastingplicht De precariobelasting wordt geheven van degene die één of meer voorwerpen heeft onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, (...) Artikel 4 Vrijstellingen De precariobelasting wordt niet geheven ter zake van het hebben van: 1. Voorwerpen, welke ingevolge een wettelijk voorschrift, een overeenkomst of anderszins rechtens moeten worden gedoogd; (...)" 3.2. Voor het Hof was onder meer in geschil of belanghebbende zich met vrucht kan beroepen op de vrijstelling, vervat in artikel 4, aanhef en onder 1, van de Verordening (hierna: de Vrijstelling). 3.3. Bij de beantwoording van die vraag heeft het Hof - in cassatie onbestreden, en met juistheid - het volgende vooropgesteld: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.