14 december 2007 Eerste Kamer Nr. C06/191HR RM/MK Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. DOELAND LEMELERVELD B.V., 2. DOELAND TE KIEFTE HOLDING B.V., beide gevestigd te Lemelerveld, gemeente Dalfsen, EISERESSEN tot cassatie, advocaat: mr. H.J.A. Knijff, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Doeland, de Holding en [verweerder]. 1. Het geding in feitelijke instanties Doeland heeft bij exploot van 16 februari 2005 [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank Zwolle-Lelystad en gevorderd, kort gezegd, [verweerder] te veroordelen aan Doeland een bedrag te betalen van € 11.664,65, met rente en kosten. [Verweerder] heeft de vordering bestreden en in voorwaardelijke reconventie gevorderd, kort gezegd, te verklaren voor recht dat Doeland jegens hem toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst van de eerste keuken en de daaraan verbonden geld-terug-actie, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade, en voorts dat Doeland wordt veroordeeld aan [verweerder] een bedrag van € 13.414,35 te betalen. Doeland heeft de vordering in reconventie bestreden. De rechtbank heeft bij vonnis van 2 maart 2005 in conventie [verweerder] veroordeeld aan Doeland een bedrag van € 1.454,59 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 27 december 2001 te betalen en het meer of anders gevorderde afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank de vordering afgewezen. Tegen dit vonnis heeft de Holding hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. De Holding heeft verzocht het vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 11.664,75, te vermeerderen met rente. Bij incidentele conclusie tot voeging heeft [verweerder] erop gewezen dat het hoger beroep is ingesteld door een andere vennootschap dan in eerste aanleg is opgetreden. Bij tussenarrest van 20 december 2005 heeft het hof de Holding in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat zij bevoegd is hoger beroep in te stellen tegen het vonnis, gewezen in het geschil tussen [verweerder] en Doeland. Nadat de Holding een akte uitlating had genomen en [verweerder] daarop bij antwoordakte had gereageerd, heeft het hof bij eindarrest van 28 maart 2006 de Holding niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 2 maart 2005, gewezen tussen Doeland en [verweerder]. Het tussen- en het eindarrest van het hof zijn aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Doeland en de Holding hebben tegen beide arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Tegen [verweerder] is verstek verleend. De zaak is voor Doeland en de Holding toegelicht door mr. B. Winters, advocaat te Amsterdam. De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging en terugwijzing. 3. Beoordeling van het middel 3.1 De Hoge Raad verwijst voor een weergave van de in dit geding vaststaande feiten en het procesverloop in de feitelijke instanties naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1-1.14. 3.2 Het middel klaagt dat het hof een onjuiste, althans onbegrijpelijke gemotiveerde beslissing heeft gegeven door appellante niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep. Dienaangaande heeft het hof in zijn tussenarrest als volgt overwogen: "3 Alvorens kan worden beslist op de incidentele vordering, dient een processuele kwestie te worden opgehelderd. In zijn incidentele conclusie tot voeging heeft [verweerder] erop gewezen dat het hoger beroep is ingesteld door een andere vennootschap (namelijk Doeland Te Kiefte Holding) dan in eerste aanleg is opgetreden (namelijk Doeland Lemelerveld). Nu deze vraag de ontvankelijkheid van het hoger beroep raakt, wordt appellante om proces-economische redenen reeds nu (voordat wordt beslist in het incident en voordat [verweerder] een memorie van antwoord in de hoofdzaak neemt) in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat zij bevoegd is hoger beroep in te stellen tegen het vonnis, gewezen in het geschil tussen [verweerder] en Doeland Lemelerveld. De zaak wordt daartoe verwezen naar de rol voor akte aan de zijde van appellante." Hierop voortbouwend overwoog het hof in zijn eindarrest als volgt: "2.2 De omstandigheid dat het hoger beroep is ingesteld door Doeland Te Kiefte Holding BV en niet door Doeland Lemelerveld BV berustte, naar de stellingen van appellante, op een vergissing dan wel een verschrijving. [Verweerder] is door een en ander niet geschaad (hij moet begrepen hebben wie zijn wederpartij was), zodat de vergissing vatbaar is voor herstel, zo betoogt appellante. 2.3 Dit betoog wordt evenwel verworpen. Een rechtsmiddel kan slechts worden ingesteld door een persoon die partij was bij het geding in vorige instantie. Slechts in bijzondere omstandigheden, zoals staatverandering, het ophouden te bestaan (door fusie of door overlijden) of cessie van de litigieuze vordering, is er reden van deze regel af te wijken en te aanvaarden dat het rechtsmiddel wordt aangewend door of tegen een andere partij. Van dit alles is geen sprake in de onderhavige zaak zodat er geen reden is rectificatie van het verzuim toe te staan. Het gaat hier immers evenmin om herstel van een foutieve aanduiding van de - op zichzelf juiste - rechtspersoon, maar om een geheel andere rechtspersoon die hoger beroep heeft ingesteld. Deze vergissing moet voor rekening van appellante blijven. 2.4 Het verweer van appellante dat het voor [verweerder] duidelijk moet zijn geweest wie zijn wederpartij in hoger beroep was faalt. De kenbaarheid van de vergissing zou volgens appellante volgen uit de memorie van grieven, waar is vermeld dat Doeland te Kiefte Holding, eiseres in eerste aanleg, [verweerder] had gedagvaard in eerste aanleg. Daaruit volgt echter nog niet dat het voor [verweerder] duidelijk moet zijn geweest dat het hoger beroep was ingesteld door Doeland Lemelerveld. In de incidentele conclusie tot voeging maakt [verweerder] melding van het feit dat het appèl is ingesteld door een andere rechtspersoon dan die welke in eerste aanleg zijn wederpartij was en geeft hij te kennen dat hij - in de hoofdzaak - zal concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van appellante. Hieruit kan dus evenmin worden afgeleid dat hij uitging van een kennelijke vergissing aan de zijde van appellante die voor verbetering vatbaar was." 3.3 Bij de beoordeling van het tegen deze arresten gerichte middel dient het volgende tot uitgangspunt. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.