18 december 2007 Strafkamer nr. 02439/06 P AH/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest tot herstel van een op 9 oktober 2007 uitgesproken arrest van de Hoge Raad (02439/06 P) gewezen op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 september 2005, nummer 22/001937-04, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkegen voordeel ten laste van: [betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].
- De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 13 november 2003 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.441,
- Geding in cassatie 2.
- Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. E. Meijer, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft bij arrest van 9 oktober 2007 het beroep verworpen. In dat arrest is onder meer overwogen: "Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen." 2.
- Na de uitspraak heeft de Hoge Raad kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman van de betrokkene op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
- Het arrest dat hersteld dient te worden Als gevolg van een misslag is het arrest gewezen vóórdat de termijn als bedoeld in art. 439, vijfde lid, Sv was verstreken. Als gevolg daarvan heeft de Hoge Raad dat arrest gewezen zonder te hebben kennisgenomen van het, na de uitspraak doch binnen de hiervoor bedoelde termijn binnengekomen schriftelijk commentaar van de raadsman van de betrokkene op de conclusie van de Advocaat-Generaal. De Hoge Raad is van oordeel dat dit verzuim dient te worden hersteld. Het onderhavige arrest strekt daartoe.
- Beoordeling van het middel Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
- Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak De betrokkene heeft op 13 oktober 2005 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad doet thans uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.
- Slotsom Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 5 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
- Beslissing De Hoge Raad: trekt in zijn arrest van 9 oktober 2007; vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 7.000,- bedraagt; verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 18 december 2007.