Nr. 43.338 26 september 2008 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van X1 B.V. te Amsterdam (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 april 2006, nr. 04/02774, betreffende een beschikking als bedoeld in artikel 20b, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet). 1. Het geding in feitelijke instantie Aan belanghebbende is voor het boekjaar 6 december 1999 tot en met 31 december 2000 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd van nihil, vergezeld door een beschikking waarbij het verlies over dat boekjaar eveneens is vastgesteld op nihil. Het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de Inspecteur afgewezen. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 28 november 2006 geconcludeerd tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Zowel belanghebbende als de Minister heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende hield in het onderhavige boekjaar 12,03 percent van de aandelen in B AS te R, Tsjechische Republiek. Zij heeft in verband met de financiering van die deelneming kosten gemaakt, bestaande uit rentekosten ad € 2.114.089 en een valutaverlies van € 1.326.837. Belanghebbende heeft deze kosten in aftrek gebracht op haar belastbare winst. Die aftrek is door de Inspecteur niet aanvaard. Het Hof heeft de Inspecteur in het gelijk gesteld. 3.2. Voor zover de klachten inhouden dat het niet toestaan van de aftrek van rentekosten een schending oplevert van artikel 56 EG, falen zij op de gronden vermeld in HR 14 april 2006, nr. 41815, BNB 2006/254. 3.3. Het Hof heeft belanghebbendes stelling dat de sinds 24 december 1996 uit artikel 13, lid 1, van de Wet voortvloeiende uitsluiting van de mogelijkheid om - onder omstandigheden die zich in dit geval voordoen - een geleden valutaverlies ten laste van de belastbare winst te brengen (hierna: de valutaregeling), in strijd is met artikel 56 EG, verworpen op de grond dat op die uitsluiting de zogenoemde stand-stillclausule van artikel 57 EG van toepassing is. Zo die grond geen opgeld zou doen, heeft het Hof - in zijn visie in dat geval ten overvloede - geoordeeld dat de valutaregeling geen belemmering van het vrije kapitaalverkeer vormt. 3.4. Voor zover de klachten zich richten tegen laatstbedoeld oordeel, zijn zij gegrond. De valuta-regeling houdt voor een vennootschap die een valutaverlies lijdt op een lening die is aangegaan ter financiering van een buitenlandse deelneming, een nadeel in dat zich niet voordoet bij een vennootschap die een gelijk valutaverlies lijdt op een gelijke lening ter financiering van een binnenlandse deelneming. Dat relatieve nadeel maakt, in overigens gelijke omstandigheden, het investeren in een buitenlandse deelneming minder aantrekkelijk en is daarom een beperking van de vrijheid van kapitaalverkeer. Evenbedoeld verschil wordt niet weggenomen door de mogelijkheid een valutarisico af te dekken, daar een investering in een binnenlandse en een investering in een buitenlandse deelneming zich in dit opzicht niet onderscheiden. Evenmin wordt de belemmering weggenomen door de omstandigheid dat tegenover de kans op een valutaverlies de kans op een valutawinst staat (vgl. HvJ EG 28 februari 2008, Deutsche Shell, C-293/06, punt 40), nog daargelaten dat de kans op een valutaverlies groter kan zijn dan de kans op een valutawinst. Hoe dan ook wordt het risico dat een te lijden valutaverlies niet in mindering op de winst kan worden gebracht, niet gelopen bij een investering in een binnenlandse deelneming. De conclusie moet derhalve zijn dat belanghebbende door de toepassing van de valutaregeling is beperkt in de vrijheid van kapitaalverkeer. 3.5. Derhalve dient vervolgens te worden onderzocht de klacht die zich richt tegen 's Hofs oordeel dat de in dit geval toegepaste beperking valt onder de zogenoemde stand-stillclausule van artikel 57 EG. 3.6. Ingevolge artikel 57, lid 1, EG doet het bepaalde in artikel 56 EG - inhoudende het verbod op beperkingen van het kapitaalverkeer - geen afbreuk aan de toepassing op derde landen van beperkingen die op 31 december 1993 bestaan uit hoofde van nationaal of Gemeenschapsrecht inzake het kapitaalverkeer naar of uit derde landen in verband met - onder meer - directe investeringen en vestiging. 3.7. Bij zijn arrest van 12 december 2006, C-446/04, Test Claimants in the FII Group Litigation, BNB 2007/130, heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voor recht verklaard dat artikel 57, lid 1, EG aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een lidstaat vóór 31 december 1993 een wettelijke regeling heeft vastgesteld die bij artikel 56 EG verboden beperkingen voor het kapitaalverkeer naar of uit derde landen inhoudt en hij na deze datum maatregelen vaststelt die, ofschoon zij ook een beperking van dit verkeer inhouden, op de voornaamste punten identiek zijn aan de vroegere wettelijke regeling of daarin enkel een belemmering voor de uitoefening van de communautaire rechten en vrijheden in de vroegere wettelijke regeling verminderen of opheffen, artikel 56 EG niet in de weg staat aan de toepassing van deze maatregelen op derde landen wanneer zij gelden voor het kapitaalverkeer in verband met directe investeringen - met inbegrip van investeringen in onroerende goederen -, vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot kapitaalmarkten. 3.8. Van de per 24 december 1996 ingevoerde wijziging van artikel 13, lid 1, van de Wet, voor zover inhoudende dat negatieve valutaresultaten op leningen ter financiering van een deelneming voortaan bij het bepalen van de winst buiten aanmerking blijven, kan niet worden gezegd dat zij een beperking vormt die in wezen ook al gold onder de voorheen geldende regeling. Dat er, zoals het Hof heeft overwogen, goede redenen waren voor deze wijziging - het opheffen van een onlogische discrepantie tussen de behandeling van valutaresultaten op deelnemingen en de behandeling van valutaresultaten op leningen ter financiering van deelnemingen - is in deze niet van belang. Belanghebbende zou zonder voormelde wijziging doch in overigens gelijke omstandigheden het door haar geleden valutaverlies wel in mindering op haar belastbare winst hebben kunnen brengen. Van een reeds op 31 december 1993 bestaande beperking is derhalve geen sprake. Weliswaar moet, gelet op het in economisch opzicht bestaande nauwe verband tussen de 'hardheid' van een bepaalde valuta en de marktrente voor leningen in die valuta, het effect van de in geding zijnde wetswijziging worden bezien in samenhang met de op 31 december 1993 bestaande en sindsdien ongewijzigd gebleven behandeling onder artikel 13, lid 1, van de Wet van de kosten van rente in verband met buitenlandse deelnemingen, doch dit wettigt niet de conclusie dat door de valutaregeling een voordien bestaande beperking niet is verzwaard. Zo, gelet op hetgeen is beslist in HR 28 april 1999, nr. 33122, BNB 1999/313, evenvermelde conclusie al zou kunnen opgaan voor leningen in een zwakke valuta met een dienovereenkomstig hoge rente, dan blijft staan dat de toepasselijkheid van de valutaregeling niet beperkt is tot zulke leningen, en dat uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding overigens ook niet is af te leiden dat in het onderhavige geval, waarin een valutaverlies is geleden, sprake is van een dergelijke lening. 3.9. Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de in dit geval toegepaste valutaregeling niet valt onder de stand-stillclausule van artikel 57 EG. 3.10. In zijn verweerschrift heeft de Minister aangevoerd dat als rechtvaardiging voor de in geding zijnde beperking van de vrijheid van kapitaalverkeer zou kunnen gelden (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.