15 januari 2008 Strafkamer nr. 02807/06 SM/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 20 januari 2006, nummer 21/005696-04, in de strafzaak tegen: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 20 september 2004, voor zover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte ter zake van 1. "ten aanzien van een ander enige handeling ondernemen waarvan zij weet dat die ander zich daardoor tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling beschikbaar stelt, terwijl die ander minderjarig is, gepleegd door twee of meer verenigde personen" en 3 primair, 4 primair, 5 subsidiair, 6 primair, 7 primair, 8 subsidiair en 9 primair "tezamen en in vereniging met een ander, een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het verblijven in Nederland, terwijl zij ernstige redenen heeft om te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is" veroordeeld tot gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. V. Senczuk, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. 3. Beoordeling van het derde middel 3.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof onvoldoende gemotiveerd danwel op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat sprake is geweest van wederrechtelijk verblijf in de zin van art. 197a Sr. 3.2. Overeenkomstig hetgeen aan de verdachte onder 3 en 4, telkens primair, is tenlastegelegd, is onder 3 en 4 bewezenverklaard dat: "3. zij in de periode van augustus 2002 tot en met 7 juni 2004 te [plaats A] en/of [plaats B] tezamen en in vereniging met een ander uit winstbejag [betrokkene 1] behulpzaam is geweest bij het verblijven in Nederland terwijl zij en haar mededader ernstige redenen hadden om te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was, hierin bestaande dat verdachte en haar mededader voornoemde persoon in de prostitutie aan het werk hebben gezet en/of werkplekken voor haar hebben geregeld en/of een kamer ten behoeve van prostitutiewerkzaamheden aan haar hebben verhuurd en/of hebben bemiddeld bij prostitutiewerkzaamheden. 4. zij in de periode van juni 2003 tot en met 7 juni 2004 te [plaats A] en/of [plaats B] tezamen en in vereniging met een ander uit winstbejag [betrokkene 2] behulpzaam is geweest bij het verblijven in Nederland terwijl zij en haar mededader ernstige redenen hadden om te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was, hierin bestaande dat verdachte en haar mededader voornoemde persoon in de prostitutie aan het werk hebben gezet en/of werkplekken voor haar hebben geregeld en/of een kamer ten behoeve van prostitutiewerkzaamheden aan haar hebben verhuurd en/of hebben bemiddeld bij prostitutiewerkzaamheden." 3.3. De bestreden uitspraak houdt, voor zover hier van belang, in: "De raadslieden van verdachte hebben voor wat betreft de feiten 3 primair, 4 primair, (...) aangevoerd, dat niet is gebleken dat sprake was van wederrechtelijk verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht. De betreffende vreemdelingen hadden, aldus de verdediging, een aanvraag tot machtiging voorlopig verblijf gedaan, een verblijfsvergunning aangevraagd of een voorlopige voorziening aangespannen en mochten in Nederland de beslissing hieromtrent afwachten. Het hof overweegt ten aanzien hiervan het volgende. Artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 bepaalt in welke uitsluitende gevallen een vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf heeft. Voorzover de verdediging zich heeft willen beroepen op de situaties genoemd in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 onder f, g, of h, is het hof van oordeel dat niet is voldaan aan de in die bepalingen vermelde clausule, dat bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag, het bezwaarschrift dan wel beroepschrift is beslist. (...) Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat sprake is geweest van wederrechtelijk verblijf in de zin van artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht van de vreemdelingen [betrokkene 1], [betrokkene 2], (...) en verwerpt derhalve het verweer." 3.4. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang. - Art. 197a (oud), eerste lid, Sr, luidende: "Hij die een ander uit winstbejag behulpzaam is bij het zich verschaffen van toegang tot of verblijven in Nederland of enige staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen, of hem daartoe uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie." - Art. 8 (oud) Vreemdelingenwet 2000 (hierna ook: Vw), luidende, voor zover hier van belang: "De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf: (...) f. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist; (...) h. in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist; (...)." - Art. 27 Vw, luidende, voor zover hier van belang: "1. De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 of een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 wordt afgewezen, heeft van rechtswege tot gevolg dat: a. de vreemdeling niet langer rechtmatig verblijf heeft tenzij er een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf van toepassing is; b. de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet, en c. (...) 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien: a. ingevolge artikel 24 of ingevolge artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht is besloten dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen; (...) 3. De gevolgen, bedoeld in het eerste lid, treden niet in indien de vreemdeling bezwaar of beroep heeft ingesteld en de werking van de beschikking is opgeschort." - Art. 3.1, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb), luidende: "Het indienen van een aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van een verblijfsvergunning heeft tot gevolg dat de uitzetting achterwege blijft, tenzij de aanvraag naar het voorlopig oordeel van Onze Minister een herhaalde aanvraag betreft." 3.5. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 24 februari 1993 (Stb. 141), waarbij art. 197a is toegevoegd aan het Wetboek van Strafrecht, houdt onder meer het volgende in: "De voorgestelde delictsomschrijving bevat een objectief bestanddeel waarin de wederrechtelijkheid van de toegangsverschaffing of het verblijf tot uitdrukking is gebracht. De daartoe gebruikte term <<wederrechtelijk>> beoogt hier, zoals elders in het Wetboek van Strafrecht waar de wederrechtelijkheid in de strafbaarstelling zelf is verwoord, voor de aansprakelijkheid de eis te stellen dat de handeling waarop het bijwoord betrekking heeft is verricht zonder enig subjectief recht of enige bevoegdheid (zie: T.J. Noyon, G.E. Langemeijer, Het Wetboek van Strafrecht, bewerkt door J. Remmelink, 5 delen, 1e deel, inleiding, supplement 28, p. 19). De hulp moet dus verleend zijn ten opzichte van iemand die tot het verblijf of de toegang in onderscheidenlijk tot Nederland of het Schengen-rechtsgebied aan geen rechtsregel - van nationale of internationale herkomst - enige titel kan ontlenen." (Kamerstukken II 1991-1992, 22 142, nr. 3, p. 11-12) 3.6. Tot de stukken van het geding behoren de volgende bescheiden: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.