ECLI:NL:HR:2008:BB2875
25 maart 2008 Strafkamer nr. 02387/06 B KM/RR Hoge Raad der Nederlanden Beschikking op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 31 maart 2006, nummer RK 06/0469, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
UITGEVERSMAATSCHAPPIJ DE TELEGRAAF B.V., gevestigd te Amsterdam.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
Blijkens een publicatie in de Telegraaf van zaterdag 21 januari 2006 zijn "AIVD-geheimen "bij drugsmaffia" terechtgekomen. Voor deze publicatie heeft De Telegraaf de AIVD gemeld in het bezit te zijn van documenten met staatsgeheime gegevens betreffende operationele werkzaamheden van de AIVD. De Telegraaf heeft een set van de desbetreffende documenten aan de AIVD overhandigd. Ik heb de Telegraaf op 20 januari 2006 schriftelijk laten weten er zonder uitdrukkelijk tegenbericht van uit te gaan dat alle in het bezit van de Telegraaf zijnde documenten aan de AIVD zijn overhandigd. Ik heb mij hierbij gebaseerd op twee voorafgaande telefoongesprekken met hoofdredacteur [betrokkene 1]. Tot op heden heb ik zijdens de Telegraaf geen tegenbericht ontvangen dat de krant nog over kopieën van deze documenten beschikt.
De van de Telegraaf ontvangen documenten betreffen gekopieerde werkdossiers van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) met gevoelige, operationele gegevens over globaal de periode 1996-2000. De gegevens hebben betrekking op operationeel onderzoek van de BVD naar de mogelijke verwevenheid van onderwereld en bovenwereld en naar mogelijke integriteitsaantastingen in relatie tot het openbaar bestuur en de rechtspleging in Nederland (operatienaam Mikado, Tartarus en Tabban). De documenten bevatten:
In deze stukken wordt ook gewag gemaakt van gesprekken die door politie/justitie vertegenwoordigers zijn gevoerd met als crimineel bekend staande personen dan wel wetenschap die zij hebben over dergelijke personen.
Uit de omschrijving blijkt dat de gegevens, in belangrijke mate, betrekking hebben op het actuele operationele kennisniveau op het taakveld democratische rechtsorde en in het bijzonder de integriteit openbare sector van de BVD en de daarbij gehanteerde concrete, specifieke werkwijze. Automatisch heeft een en ander betrekking op de AIVD als zijn rechtsopvolger. Bovendien staan in de documenten namen vermeld van BVD/AIVD medewerkers en RID medewerkers; ook worden menselijke bronnen van de BVD aangeduid, overigens veelal met een codenaam, maar niet valt uit te sluiten dat ingewijden de identiteit van deze bronnen kunnen achterhalen, met alle mogelijke gevolgen van dien voor de desbetreffende personen en voor de nationale veiligheid. Gezien de aard en inhoud en de onderlinge samenhang ervan, alsmede de aangebrachte rubricering zijn de gegevens in kwestie aan te merken als gegevens bedoeld in de artikel 98, eerste lid, Wetboek van strafrecht (WvSr). Bovendien zijn de gegevens oorspronkelijk afkomstig van een zogenaamde verboden plaats (vgl artikel 80 ter WvSr) en staan zij in betrekking tot de veiligheid van de staat (artikel 98, tweede lid, WvSr).
Om te bepalen of een gegeven een staatsgeheim vormt, zijn in samenhang met de genoemde artikelen van het WvSr, de algemene en specifieke geheimhoudings- en openbaarheidsbepalingen van belang. In casu zijn met name van belang artikel 15, hoofdstuk vier (45 e.v.), hoofdstuk zeven (85 e.v.) van de Wet op de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten en het Voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst-bijzonder informatie (Vir-bi). In bijlage twee van het Vir-bi is een schema opgenomen met voorbeelden van (staatsgeheime) rubriceringen. Het is verder van belang dat de kantoorgebouwen van de AIVD en zijn rechtsvoorganger de BVD zijn aangewezen als verboden plaats als bedoeld in de Wet bescherming staatsgeheimen met de daaraan verbonden inherente beveiligingsmaatregelen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (b.v. 14 december 1988, AB 1988/93 en MVT II 25877, nr. 3, blz 68-69) kan de BVD, en diens rechtsopvolger AIVD, zijn wettelijke taak uitsluitend verrichten binnen een zekere mate van geheimhouding. Volgens de Afdeling houdt dat in dat deze dienst zijn actuele kennisniveau, zijn bronnen en zijn werkwijze(n) geheim moet kunnen houden. Het betreft hier kritische ondergrenzen die als een vertaling kunnen worden gezien van het "jeopardize" criterium uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
Naar mijn oordeel is het primair van belang om na te gaan of deze (en eventueel soortgelijke) staatsgeheime gegevens bij onbevoegden derden in bezit (kunnen) zijn om er vervolgens voor te zorgen dat deze aan het verkeer worden onttrokken in het belang van de nationale veiligheid en de veiligheid van de personen die in de stukken zijn genoemd vanwege het bericht in de Telegraaf dat de dossiers in het criminele milieu circuleren."
3.2. De aan het proces-verbaal van de behandeling van het beklag door de Rechtbank gehechte pleitnotities van de raadsman van de klaagster houden, voor zover hier van belang, het volgende in: "Proportionaliteit 13. Naar de mening van De Telegraaf is niet voldaan aan het proportionaliteitsbeginsel. De Telegraaf verwijst naar de aanbeveling van 8 maart 2000 van het Comité van de Ministers van de Raad van Europa (hierna "de Aanbeveling"). Het Comité heeft een aanbeveling gedaan om het journalistiek brongeheim in de nationale wetgevingen van de Lidstaten met dezelfde waarborgen te omkaderen. In de toelichting bij de Aanbeveling, het zgn. Explanatory Memorandum, wordt verduidelijkt dat de persvrijheid onder omstandigheden zou kunnen wijken voor 'the prevention of a major crime'. Onder major crimes wordt verstaan: 'murder, manslaughter, severe bodily injury, crimes against national security or serious organised crimes.' 14. In dezelfde zin heeft Advocaat-Generaal mr. T. Koopmans zich uitgelaten in zijn conclusie voorafgaand aan het Van den Biggelaar-arrest (zie HR 10 mei 1996, NJ 1996, 578): "Men kan zich voorstellen dat uitzonderingen op verschoningsmogelijkheden erkend moeten worden wanneer ernstige misdrijven, zoals geweldsmisdrijven, kunnen worden voorkomen of opgespoord door doorbreking van het zwijgrecht."
Subsidiariteit 19. Het is lastig voor De Telegraaf om iets te zeggen over de subsidiariteit. De Officier van Justitie weigert immers om zich daarover uit te laten. Deze houding staat lijnrecht tegenover hetgeen de Hoge Raad hierover overwoog in het Telegraaf/Sonera arrest, namelijk: "dat in beginsel het Openbaar Ministerie aannemelijk moet maken dat is voldaan aan het beginsel van subsidiariteit, (...). Het gewicht van het in het geding zijnde belang, de vrijheid van nieuwsgaring, en de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie, zoals in het onderhavige geval, daarop een inbreuk maakt, vormen voldoende rechtvaardiging voor dit uitgangspunt."
3.3. Voormeld proces-verbaal houdt voorts onder meer het volgende in: "De officier van justitie voert andermaal het woord en verklaart, zakelijk weergegeven:
3.4. De bestreden beschikking houdt onder het hoofd "beoordeling van het klaagschrift" het volgende in: "Twee bij klaagster werkzame journalisten, [betrokkene 3] en [betrokkene 4], hebben op enig moment de beschikking gekregen over staatsgeheime informatie die afkomstig was van de AIVD. Op basis van deze informatie zijn in De Telegraaf in januari 2006 enkele artikelen verschenen, waarin aan deze informatie en het beweerdelijk rondslingeren daarvan in het criminele circuit, aandacht is besteed. Op 26 januari 2006 heeft de officier van justitie op grond van artikel 96a Wetboek van Strafvordering (Sv) de uitlevering van de betreffende stukken bevolen. Op 1 februari 2006 zijn de betreffende stukken op grond van het bepaalde in artikel 94 SV door verbalisanten van de Rijksrecherche in beslag genomen. De stukken zijn daartoe in een door een notaris verzegelde enveloppe gedaan. De rechter-commissaris van deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 februari 2006 de vordering van de officier van justitie van diezelfde datum tot instelling van een gerechtelijk vooronderzoek toegewezen.
De officier van justitie heeft zich in raadkamer primair op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen stukken niet onder het geheimhoudingsrecht vallen, zodat er geen grond is voor de verzochte last tot teruggave.
Subsidiair heeft de officier van justitie betoogd dat, mocht de raadkamer van oordeel zijn dat de stukken wel vallen onder het geheimhoudingsrecht, artikel 10 van het EVRM zich niet verzet tegen doorbreking van die geheimhouding.
Klaagster heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat, indien teruggave van de stukken aan de AIVD zou volgen, gevreesd moet worden dat een onderzoek aan deze documenten tot de bron van deze stukken zou kunnen leiden. Dit zou ontegenzeggelijk gevolgen hebben voor de door klaagster geboden bronbescherming. Hierdoor kan de rol van klaagster als 'Public watchdog' worden ondermijnd. Aan de voor een inbreuk op dit recht vereiste proportionaliteit en subsidiariteit is niet voldaan aangezien de officier van justitie in onvoldoende mate heeft onderbouwd welke overwegingen ten grondslag hebben gelegen aan het bevel tot inbeslagneming. Het bevel van inbeslagneming is op te vatten als een inbreuk op artikel 10 EVRM, zodat geen teruggave van de betreffende stukken mag volgen.
De raadsman heeft verder verklaard dat klaagster en de betreffende journalisten zeer omzichtig met de betrokken documenten zijn omgegaan. Ook beschikt de AIVD reeds over kopieën van de betreffende stukken, zodat hen voldoende duidelijk is welke stukken zijn gelekt. Als gegrondverklaring van het klaagschrift zou volgen is klaagster bereid, desnoods in het bijzijn van de officier van justitie, de stukken direct te vernietigen.
De rechtbank overweegt als volgt.
De stukken waarover werknemers van klaagster op enig moment de beschikking hebben gekregen, zijn afkomstig van de AIVD en bevatten staatsgeheime informatie. Het enkele onder zich nemen of houden van dergelijke informatie levert voor hen die daartoe niet gerechtigd zijn reeds een strafbaar feit op als bedoeld in artikel 98c Wetboek van Strafrecht.
Werknemers van klaagster zijn journalisten en blijven uit dien hoofde in beginsel verschoond van inbeslagname van stukken tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, tenzij - onder meer - sprake is van geschriften die het voorwerp van het strafbare feit zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank vormen de onder klaagster in beslag genomen stukken voorwerp van het hierboven omschreven strafbare feit en komt klaagster geen beroep op het verschoningsrecht van artikel 98 Wetboek van Strafvordering toe.
De omstandigheid dat de in beslag genomen stukken wellicht vingerafdrukken bevatten die de AIVD of het Openbaar Ministerie op het spoor van de bron(nen) van klaagster kunnen zetten, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals klaagster terecht heeft betoogd omvat artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ook de bescherming van journalistieke bronnen, om aldus het recht op vrije nieuwsgaring te waarborgen. De rechtbank acht dat recht in het onderhavige geval evenwel niet geschonden. De rechtbank stelt voorop dat van de betrokken journalisten geen actieve medewerking is verlangd aan het onderzoek naar de identiteit van de bron, maar dat in het onderhavige geval slechts uitlevering is gevorderd van materiaal dat onafhankelijk van de wil van de journalisten bestaat en bovendien het voorwerp van een strafbaar feit uitmaakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een sanctionering van de door het Openbaar Ministerie in deze gevolgde handelwijze niet in de weg zal staan aan eventuele toekomstige - wellicht in andere vorm gegoten - uitwisseling van informatie tussen klaagster en haar bronnen.
Uit het voorgaande volgt dat het klaagschrift ongegrond zal worden verklaard."
4.2. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Twee bij de klaagster werkzame journalisten hebben documenten onder zich gekregen ten aanzien waarvan het vermoeden bestaat dat zij van de AIVD afkomstige inlichtingen bevatten waarvan de geheimhouding door het belang van de Staat wordt geboden als bedoeld in art. 98 Sr.
Op basis van deze informatie zijn in het dagblad De Telegraaf enkele artikelen verschenen waarin aan deze informatie en het beweerdelijk rondslingeren daarvan in het criminele circuit aandacht is besteed. Aan de AIVD is desverzocht door de klaagster een afschrift van de documenten verschaft.
In het kader van het opsporingsonderzoek, gericht op overtreding van art. 98 e.v. Sr - kort gezegd: het achterhalen van het lek binnen de AIVD - zijn deze documenten na een door de Officier van Justitie uitgevaardigd bevel tot uitlevering op de voet van art. 96a Sv onder de klaagster in beslag genomen.
4.3.1. Het beklag van de klaagster strekt tot teruggave van de ('originele') documenten aan haar. In dat verband heeft zij de stelling betrokken dat de inbeslagneming van de documenten niet te verenigen valt met art. 10 EVRM, omdat daardoor zonder voldoende rechtvaardiging aan het zwaarwegende belang van de bescherming van journalistieke bronnen wordt tekortgedaan. Zij heeft aangevoerd dat moet worden gevreesd dat een onderzoek aan deze documenten tot de bron van deze stukken, aan wie door de klaagster geheimhouding was toegezegd, zou kunnen leiden, in het bijzonder omdat op deze stukken vingerafdrukken zouden kunnen worden aangetroffen.
4.3.2. De Officier van Justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de documenten niet onder een aan journalisten toekomend geheimhoudingsrecht vallen, althans dat de inbreuk daarop is gerechtvaardigd omdat is voldaan aan de vereisten van art. 10, tweede lid, EVRM. De Officier van Justitie heeft te kennen gegeven dat een onderzoek op vingerafdrukken aan die documenten mogelijk, doch niet noodzakelijk is om de identiteit van het lek bij de AIVD te achterhalen, omdat dit aan de hand van de aan de AIVD inmiddels bekende inhoud van de desbetreffende documenten reeds mogelijk is. Volgens de Officier van Justitie dienen de documenten aan de Staat te worden teruggegeven omdat deze staatsgeheime inlichtingen bevatten, die niet in het openbaar mogen circuleren.
4.4. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld.
Bronbescherming is een essentieel element van het recht op vrije nieuwsgaring door de pers. De bescherming van journalistieke bronnen is een van de hoekstenen van een vrije pers. Het ontbreken van die bescherming zou informanten kunnen ontmoedigen om de pers bij te staan in het informeren van het publiek over vraagstukken van algemeen belang.
Een inbreuk op het recht van vrije nieuwsgaring - dat onder meer ziet op de bescherming van de bron van de journalist - kan ingevolge art. 10, tweede lid, EVRM gerechtvaardigd zijn voor zover is voldaan aan de in die bepaling omschreven voorwaarden. Dat wil in de eerste plaats zeggen dat het bevel een basis moet hebben in het nationale recht. De desbetreffende nationale normen moeten een zekere precisie hebben. De inbreuk moet in de tweede plaats een van de in art. 10, tweede lid, EVRM genoemde doeleinden dienen. In de derde plaats moet de inbreuk ter bereiking van zo'n doel in een democratische samenleving noodzakelijk zijn (vgl. HR 8 april 2003, LJN AE8771, NJ 2004, 188).
De bescherming van journalistieke bronnen vindt zijn begrenzing in onder meer de bescherming van de nationale veiligheid en de noodzaak om de verspreiding van vertrouwelijke informatie te verhinderen, zoals weergegeven in art. 10, tweede lid, EVRM. Daarbij geldt dat iedere inbreuk op het in art. 10 EVRM beschermde recht noodzakelijk moet zijn in een democratische samenleving, hetgeen meebrengt dat sprake moet zijn van een zwaarwegend maatschappelijk belang. Voorts moet de inbreuk proportioneel zijn en moeten door de overheid relevante en voldoende gronden worden aangevoerd om de inbreuk te rechtvaardigen. De Hoge Raad tekent daarbij aan dat - gelet ook op de afweging van de zwaarwegende belangen die daarbij betrokken zijn - het de voorkeur verdient dat zowel het bevel tot uitlevering als de beslissing tot inbeslagneming van voorwerpen waarbij bronbescherming in het geding kan zijn, uitgaat van de rechter-commissaris.
4.5. Met het oordeel dat de inbeslaggenomen stukken afkomstig zijn van de AIVD en staatsgeheime informatie bevatten en voorwerp van het in art. 98c Sr voorziene strafbare feit uitmaken, heeft de Rechtbank tot uitdrukking gebracht dat het bevel tot uitlevering het belang dient ter bescherming waarvan die bepaling in het leven is geroepen, te weten de bescherming van staatsgeheimen.
In haar vervolgens gegeven oordeel dat in het onderhavige geval het in art. 10 EVRM vervatte recht van bronbescherming niet is geschonden, ligt besloten dat aldus sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang dat staatsgeheime gegevens niet in het openbaar circuleren en voorts dat de inbreuk op het recht op bronbescherming - welke inbreuk de Rechtbank kennelijk heeft aangenomen, hetgeen in cassatie niet wordt bestreden - in het licht van de omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is te achten.
Die oordelen geven tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor onder 4.4 is vooropgesteld, geen blijk van een onjuiste rechtsopvattting, terwijl zij in het licht van het verhandelde in raadkamer ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk zijn. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking
4.6. In zoverre faalt het middel.
4.7. Het middel kan ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. Dorst, J.W. Ilsink, J. de Hullu en W.M.E. Thomassen in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2008.