15 februari 2008 Eerste Kamer Rek.nr. R07/087HR RM/AG Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, advocaten: mr. A.H. Vermeulen en mr. C.S.G. Janssens, t e g e n [De man], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man. 1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 27 februari 2003 ter griffie van de rechtbank Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft de vrouw zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, tussen partijen echtscheiding uit te spreken en partijen te veroordelen om ingevolge hun huwelijkse voorwaarden over te gaan tot verrekening van hun onverteerd gebleven inkomens, met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon. Nadat de rechtbank bij beschikking van 25 juni 2003 tussen partijen de echtscheiding had uitgesproken en de behandeling van de nevenvoorzieningen had aangehouden, heeft de vrouw bij aanvullend verzoekschrift van 8 juli 2004 haar verzoek vermeerderd en - voorzover thans nog van belang - verzocht: "de man te veroordelen aan haar te betalen de helft van de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning, verminderd met de daarop rustende eerste hypotheek bij RVS Levensverzekering van € 253.209,36 en vermeerderd met de waarden van de aan die hypotheek gekoppelde levensverzekeringen bij Nationale Nederlanden; de man te veroordelen aan haar € 46.583,23 te betalen, althans een bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vaststellen als bijdrage in de kosten van de huishouding." De man heeft de verzoeken van de vrouw bestreden en zijnerzijds een tegenverzoek ingediend tot betaling door de vrouw aan hem van een aantal bedragen. De rechtbank heeft bij beschikking van 1 februari 2006 bepaald dat de verkoopopbrengst van de echtelijke woning, na verrekening van de op de woning rustende hypotheek bij RVS Levensverzekering en die bij de Postbank, bij helfte tussen partijen wordt verdeeld en iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij tussenbeschikking van 24 augustus 2006 heeft het hof de vrouw toegelaten tot het bewijs dat partijen zijn overeengekomen dat de man na het uiteengaan van partijen de hypotheekrente van de voormalig echtelijke woning tot de datum van verkoop als kosten van de huishouding zou blijven voldoen en voor zijn rekening zou nemen. Na getuigenverhoren heeft het hof bij eindbeschikking van 8 februari 2007, in het principaal en in het incidenteel appel, de beschikking van de rechtbank van 1 februari 2006 vernietigd en, opnieuw rechtdoende: "bepaald dat de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning zonder verrekening van op die verkoopopbrengst in mindering gebrachte hypotheekrente en onder aftrek van de op de woning rustende hypotheek bij RVS Levensverzekering door partijen bij helfte zal worden gedeeld; bepaald dat de man de op de woning rustende tweede hypothecaire geldlening ten behoeve van Postbank N.V. geheel voor zijn rekening zal nemen; bepaald dat partijen de waarde van de aan de hypotheek bij RVS verbonden levensverzekeringenpolissen per 1 mei 2002 bij helfte zullen verrekenen;. de vrouw veroordeeld aan de man een bedrag van € 100.407,50 te betalen, verhoogd met de wettelijke rente vanaf 24 september 2004 tot de dag der algehele voldoening ten titel van verrekening verbouwingskosten voormalig echtelijke woning." De tussenbeschikking en de eindbeschikking van het hof zijn aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen zowel de tussen- als de eindbeschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De man heeft verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep voorzover gericht tegen de tussenbeschikking van 24 augustus 2006, en tot vernietiging van de eindbeschikking van 8 februari 2007, doch uitsluitend voorzover daarin bepaald is dat de vrouw over een bedrag van € 100.407,50 de wettelijke rente vanaf 24 september 2004 verschuldigd is tot de dag der algehele voldoening. De advocaat van de vrouw heeft bij schrijven van 18 december 2007 op die conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.