Nr. 43.771 16 mei 2008 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de Minister van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 17 januari 2007, nr. 06/00153, betreffende na te melden aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Het geding in feitelijke instantie Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 257.623, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. 2. Het eerste geding in cassatie Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Leeuwarden. De uitspraak van dit hof van 14 mei 2004 is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 14 april 2006, nr. 40928, BNB 2006/276, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest. Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 80.724 (€ 36.631). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 3. Het tweede geding in cassatie De Minister heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft het incidentele beroep beantwoord. Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend. De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 21 november 2007 geconcludeerd tot vernietiging van 's Hofs uitspraak en verwijzing van het geding in het principale beroep en tot niet-ontvankelijkverklaring van het incidentele beroep. Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 4. Beoordeling van het middel in het principale beroep 4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 4.1.1. Belanghebbende drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Tot het ondernemingsvermogen behoorde op 30 oktober 1999 een schuld aan A. Deze schuld bestond uit een hoofdsombestanddeel van ƒ 583.127 en een eerst in 1999 door belanghebbende toegevoegd rentebestanddeel over deze hoofdsom van ƒ 183.589. 4.1.2. A (hierna: de erflater) is op 30 oktober 1999 overleden. Bij uiterste wilsbeschikking had hij al hetgeen hij op belanghebbende te vorderen had aan deze gelegateerd. Belanghebbende heeft het legaat in de privé-sfeer verkregen. 4.1.3. In het eerdergenoemde arrest van 14 april 2006 is uit dit laatste afgeleid dat de in deze verkrijging besloten liggende rentevordering niet is opgekomen in het kader van belanghebbendes ondernemingsuitoefening, hetgeen meebrengt dat het tenietgaan van de renteschuld door vermenging met de verkregen rentevordering niet is een voordeel verkregen uit belanghebbendes onderneming. 4.2.1. Voor het Hof was in geschil of hetgeen belanghebbende bij wijze van legaat heeft verkregen tot zijn belastbare inkomen behoort, in welk verband de Inspecteur voor het Hof subsidiair heeft verdedigd dat de rentevordering voor belanghebbende haar karakter van rente heeft behouden. Het Hof heeft geoordeeld dat de vordering door de wijze waarop de erflater deze een plaats in zijn vermogen heeft gegeven haar karakter van rente heeft verloren, nu alle onder 4.4 (lees: 4.5; HR) van 's Hofs uitspraak genoemde feiten en omstandigheden erop wijzen dat de erflater duidelijk de bedoeling heeft gehad de aan hem verschuldigde en vervallen rentetermijnen om te zetten in een nominale niet-rentedragende lening aan belanghebbende. 4.2.2. De onder 4.5 van 's Hofs uitspraak genoemde feiten en omstandigheden zijn: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.