28 maart 2008 Eerste Kamer Rek.nr. R07/090HR IV/AG Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. drs. A.J.F. Gonesh, t e g e n [De man], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw. 1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 27 juli 2004 ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft de man zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, vernietiging van de beschikking van 17 november 2003 en met ingang van 30 september 2003 de uitkering voor de vrouw op nihil te stellen. De vrouw heeft het verzoek bestreden. De rechtbank heeft bij beschikking van 18 oktober 2005 het verzoek van de man afgewezen. Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij beschikking van 1 februari 2007 heeft het hof de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van 1 februari 2004 beëindigd en voorts de vrouw veroordeeld tot terugbetaling aan de man van al hetgeen zij van de man heeft ontvangen met betrekking tot de periode na 1 februari 2004. De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De man heeft geen verweer gevoerd. De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing naar een ander hof. 3. Beoordeling van de middelen 3.1 Het op 21 juli 2001 gesloten huwelijk van partijen is op 30 september 2003 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 3 september 2003 in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank heeft bij beschikking van 17 november 2003 de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud op € 166,-- per maand bepaald. 3.2 De man heeft de rechtbank verzocht deze laatste beschikking te vernietigen omdat de vrouw de rechtbank valselijk heeft voorgelicht, voor zover in cassatie relevant, ten aanzien van haar status als alleenstaande, en met ingang van 30 september 2003 de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw op nihil te bepalen. De rechtbank heeft het verzoek van de man afgewezen. 3.3 Het hof heeft de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van 1 februari 2004 beëindigd en de vrouw veroordeeld tot terugbetaling van al hetgeen zij van de man heeft ontvangen met betrekking tot de periode na 1 februari 2004. Het heeft daartoe geoordeeld
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.