22 april 2008 Strafkamer nr. 01094/07 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 6 oktober 2006, nummer 21/000903-06, in de strafzaak tegen: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Westlinge" te Heerhugowaard. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Arnhem, van 22 februari 2006 - de verdachte ter zake van 1 primair "medeplegen van gijzeling", 2. "diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen" en 3 primair "afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte betalingsverplichtingen opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld. Tevens heeft het Hof de benadeelde partijen in hun vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 3. Aan de beoordeling van het eerste middel voorafgaande beschouwingen 3.1. In zijn arrest van 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007, 626 heeft de Hoge Raad een aantal vragen besproken die zijn gerezen naar aanleiding van de wet van 10 november 2004 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met het horen van getuigen en enkele verwante onderwerpen (Stb. 579) (hierna: de Wet). Deze vragen zagen onder meer op de wijzigingen in de regeling met betrekking tot de wijze waarop de verdediging in hoger beroep getuigen en deskundigen kan opgeven en de voor de beoordeling van dergelijke verzoeken geldende maatstaven. De Hoge Raad gaat in het onderstaande nader in op de maatstaven voor de beoordeling van bij appelschriftuur (in de zin van art. 410, eerste lid, Sv) opgegeven getuigen en deskundigen, meer in het bijzonder op de in art. 418, tweede lid, Sv voorziene weigeringsgrond. 3.2. Art. 410, derde lid, Sv bepaalt dat de verdachte in zijn appelschriftuur kan opgeven welke getuigen en deskundigen hij ter terechtzitting wil doen oproepen. Een dergelijke opgave wordt aangemerkt als een opgave in de zin van art. 263, tweede lid, Sv. Art. 264 Sv is in art. 410, derde lid, Sv van overeenkomstige toepassing verklaard. Dat betekent dat de advocaat-generaal bij het hof oproeping van een getuige of deskundige kan weigeren indien hij, voor zover hier van belang, van oordeel is dat de verdachte daardoor redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad. Deze maatstaf wordt ook wel aangeduid als het "verdedigingsbelang". Indien de getuige niet verschijnt en de verdachte zijn verzoek ter terechtzitting herhaalt, geldt voor het hof ingevolge art. 418, eerste lid, in verbinding met art. 288, eerste lid onder c, Sv dezelfde maatstaf. 3.3.1. Bij de Wet is een weigeringsgrond toegevoegd. In het oorspronkelijke wetsvoorstel werd voorgesteld aan art. 410, derde lid, Sv een zin toe te voegen, inhoudende dat de advocaat-generaal bij het hof, indien de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, oproeping voorts kan weigeren indien de getuige of deskundige ter terechtzitting in eerste aanleg dan wel door de rechter-commissaris is gehoord en horen ter terechtzitting redelijkerwijs niet noodzakelijk is te achten. Voor het hof werd een soortgelijke weigeringsgrond voorgesteld in art. 418, tweede lid, Sv. De memorie van toelichting bij de Wet houdt dienaangaande in: "Dit wetsvoorstel stelt voor aan de weigeringsgronden die in artikel 264 Sv staan, in deze context een toe te voegen. Voorgesteld wordt om de advocaat-generaal, in het geval de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, de bevoegdheid te geven oproeping te weigeren indien de getuige of deskundige ter terechtzitting in eerste aanleg of door de rechter-commissaris is gehoord en horen ter terechtzitting redelijkerwijs niet noodzakelijk is te achten. Het voorgestelde nieuwe artikel 418 Sv bevat een daarmee corresponderende bepaling voor het gerechtshof. Daarmee wordt het mogelijk gemaakt een zinloze herhaling van verhoren die in eerste aanleg reeds hebben plaatsgevonden, te voorkomen." (Kamerstukken II 2003-2004, 29 254, nr. 3, p. 14) 3.3.2. Bij nota van wijziging is voorgesteld het voorstel van wet in die zin aan te passen dat in art. 410, derde lid, Sv en art. 418, tweede lid, Sv werd verduidelijkt dat het verhoor door de rechter-commissaris voorafgaand aan de terechtzitting in eerste aanleg moet hebben plaatsgevonden. De toelichting bij de nota van wijziging houdt op dit punt in: "De tweede aanpassing hangt samen met de voorgestelde herformulering van artikel 418 Sv, en verduidelijkt dat de weigeringsgrond die gekoppeld is aan het eerder gehoord zijn van de getuige door de rechter-commissaris ziet op de gevallen waarin de getuige voorafgaand aan de terechtzitting in eerste aanleg door de rechter-commissaris is gehoord. In artikel 410 Sv, waar de appelschriftuur aan de orde is, spreekt dat overigens min of meer vanzelf; de wijziging is hoofdzakelijk ingegeven door de wens de terminologie op één lijn te houden met die van artikel 418 Sv. (...) Een aantal aanpassingen betreffen het voorgestelde artikel 418 Sv. (...) Ook de weigeringsgrond van het tweede lid komt in het wetsvoorstel voor. De formulering is daarbij nog wat meer in overeenstemming gebracht met de corresponderende weigeringsgrond van artikel 410, derde lid, Sv, doordat de eis dat de berechting in eerste aanleg op tegenspraak moet hebben plaatsgevonden er expliciet in is verwerkt. Voorts is, zo werd bij artikel 410 Sv reeds gemeld, in beide formuleringen verduidelijkt dat de weigeringsgrond alleen van toepassing kan zijn bij verhoren door de rechter-commissaris voorafgaand aan de terechtzitting in eerste aanleg. Bij artikel 418 Sv is deze verduidelijking van belang omdat de opgave van een getuige bij appelschriftuur er ook aanleiding toe kan geven deze getuige voorafgaand aan de behandeling van het appel door rechter- of raadsheer-commissaris te doen horen. Een beslissing inzake het horen van een dergelijke getuige ter terechtzitting in appel, dient evenwel met de maatstaf van artikel 288 Sv te worden genomen." (Kamerstukken II 2003-2004, 29 254, nr. 9, p. 2-3) 3.3.3. Het op 1 januari 2005 in werking getreden art. 410, derde lid derde volzin, Sv luidt: "De advocaat-generaal kan, in het geval de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, oproeping voorts weigeren indien de getuige of deskundige ter terechtzitting in eerste aanleg dan wel, daaraan voorafgaand, door de rechter-commissaris is gehoord en horen ter terechtzitting redelijkerwijs niet noodzakelijk is te achten." 3.3.4. Het op 1 januari 2005 in werking getreden art. 418, tweede lid, Sv luidt: "In het geval de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, kan oproeping ook worden geweigerd indien de getuige of deskundige ter terechtzitting in eerste aanleg dan wel, daaraan voorafgaand, door de rechter-commissaris is gehoord en het gerechtshof horen ter terechtzitting niet noodzakelijk oordeelt." 3.3.5. Bij wet van 5 oktober 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het hoger beroep in strafzaken, het aanwenden van gewone rechtsmiddelen en het wijzigen van de telastlegging (hierna: Wet stroomlijnen hoger beroep) zijn de woorden "daaraan voorafgaand" in art. 410, derde lid, Sv geschrapt. De memorie van toelichting bij de Wet stroomlijnen hoger beroep houdt dienaangaande in: "Artikel 410, derde lid, Sv regelt onder andere de voorwaarden waaronder het OM in hoger beroep kan weigeren om door de verdachte in de schriftuur opgegeven getuigen en deskundigen op te roepen. De derde volzin betreft de mogelijke weigering van getuigen en deskundigen die reeds ter terechtzitting in eerste aanleg of door de rechter-commissaris zijn gehoord en is afkomstig uit de Wet van 10 november 2004, Stb. 579. De schrapping van de woorden "daaraan voorafgaand" (voor "door de rechter-commissaris") maakt duidelijk dat deze mogelijkheid ook betrekking heeft op getuigen en deskundigen die na de eerste aanleg door de RC zijn gehoord (zie artikel 411a Sv)." (Kamerstukken II 2005-2006, 30 320, nr. 3, p. 49) 3.4. Uit de geschiedenis van de Wet blijkt dat de wetgever met de formulering van art. 418, tweede lid, Sv heeft willen aansluiten bij art. 410, derde lid, Sv. Bij het schrappen van de woorden "daaraan voorafgaand" in art. 410, derde lid, Sv bij de Wet stroomlijnen hoger beroep is kennelijk over het hoofd gezien dat ook art. 418, tweede lid, Sv in dat opzicht wijziging behoefde. De Hoge Raad ziet daarin aanleiding om voor de toepassing van art. 418, tweede lid, Sv niet te eisen dat het verhoor door de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden vóór de eerste terechtzitting in eerste aanleg. 4. Beoordeling van het eerste middel 4.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] ten onrechte, althans onvoldoende met redenen omkleed heeft afgewezen. 4.2. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.