27 mei 2008 Strafkamer nr. 00365/07 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 12 juni 2006, nummer 20/008593-05, in de strafzaak tegen: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch, van 24 maart 2005 - de verdachte ter zake van "doodslag" veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf. 2. Geding in cassatie 2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.W. van der Kruijs, advocaat te 's-Hertogenbosch, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. 2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal. 3. Beoordeling van de middelen 3.1. De middelen keren zich tegen de verwerping van het beroep op noodweerexces en lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. 3.2.1. Het Hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte: "in de nacht van 26 op 27 september 2004 te Vlijmen, gemeente Heusden, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet [slachtoffer] tegen het hoofd en lichaam geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden." 3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: a. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten: "Op 27 september 2004 omstreeks 1.55 uur werd door de medewerkers van het politieteam Heusden in een plantsoen aan de Spaaklaan te Vlijmen, in de gemeente Heusden, ter hoogte van perceel 17 het stoffelijk overschot aangetroffen van het slachtoffer [slachtoffer]. Het slachtoffer is geboren op [geboortedatum] 1960." b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]: "Ik ben ambulancechauffeur. Ik had dienst met verpleegkundige [betrokkene 2] in de nacht van 26 op 27 september 2004. We kregen de melding dat we naar Vlijmen moesten gaan. We zijn de Spaaklaan ingereden. Ter hoogte van perceel 17 of 13 zag ik een persoon half in het gras en half op de stoep liggen. Het bleek dat er geen hartritme was. Verder is naar zijn ademhaling geluisterd en zijn zijn pupillen gecontroleerd. Op dat moment begrepen we dat de man overleden was." c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte: "Gisteren (26 september 2004; hof) ben ik met [betrokkene 3] naar het huis van [betrokkene 3] in [plaats] gegaan. We gingen naar bed en gingen slapen. Ineens kreeg ik een knal op mijn gezicht van [slachtoffer] ([slachtoffer]; hof). We zijn aan het slaan gegaan. Hij viel van de trap. Ik ben erachter aan gegaan en heb hem bewerkt. Ik heb zijn gebit uit zijn mond getrapt. Ik heb flink op hem in staan hengsten, omdat ik zeker wist dat hij mij niets kon doen (het hof begrijpt: om zeker te weten dat hij mij niets kon doen). Ik heb hem geslagen en geschopt. Ik heb hem met mijn linker- en rechtervuist op zijn kop geraakt. Ik heb op zijn ribben staan schuppen. Ik heb dit met allebei mijn voeten gedaan. Ik heb hem geschopt alles wat ik kon, omdat ik niet wilde dat hij mij zou overmeesteren. Ik zag dat [slachtoffer] een flink pak slaag van mij gehad had. Alles lag vol bloed. Toen heb ik hem naar buiten gesleept naar een grasveldje voor het huis." d. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte: "Op een gegeven moment viel [slachtoffer] van de trap af naar beneden. Ik ben ook zo vlug mogelijk van de trap naar beneden gerend. Ik heb met mijn vuisten geslagen en met mijn voeten geschopt waar ik hem maar raken kon. Ik heb dat ook gedaan, terwijl [slachtoffer] op de grond lag." e. een sectierapport van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door H.A. Tromp, voor zover inhoudende: "Bij de sectie op het lijk van [slachtoffer], geboren [geboortedatum] 1960, is het navolgende gebleken: B1. Breuken van de grote hoorns van het strottenhoofd beiderzijds met bloeduitstorting rondom en bloeduitstortingen in de halsspieren. B2. Vele ribbreuken links en rechts zijwaarts en aan de achterzijde met bloeduitstorting rond de breuken, asymmetrie van de borstkas en een geringe hoeveelheid bloed in de borstholten. B3. Vele perforaties van de borstvliezen; aan de zijkant van de rechterborstkas verplaatsing van gebroken ribben met een gat in de borstwand van ca. 5 bij 2 cm. B5. Perforaties van de longen beiderzijds met grotendeels samenvallen van de longen. Er waren uitgebreide letsels aan de borstkas (B2 en B3). Deze letsels zijn bij leven ontstaan, waren het gevolg van de inwerking van heftig uitwendig mechanisch stomp geweld en toonden samenhang met de uitwendige letsels A1 (op de rug, aan de zijkant van de borstkas links en rechts en op de bovenarm links gebieden met bloeduitstortingen; hof). Ten gevolge van de letsels aan de borstkas waren beide longen geperforeerd en grotendeels samengevallen (B5). Hierdoor wordt het vrijwel onmogelijk zuurstof op te nemen in het bloed, hetgeen het overlijden op zichzelf volledig verklaart. Daarnaast was er sprake van de inwerking van uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals (B1), hetgeen ernstige ademhalingsbelemmering kan opleveren. Zeker in samenhang met de ademhalingsbelemmering door de uitgebreide letsels van het borstkasstelsel kan ook dit de dood ten gevolge hebben. De gevolgen van genoemde letsels verklaren derhalve zowel op zichzelf als in combinatie het overlijden volledig. Conclusie Bij [slachtoffer] is de dood ingetreden door ernstige letsels aan hals en borstkas, waarbij deze letsels zowel in combinatie als ieder op zichzelf het overlijden volledig kunnen verklaren." f. de verklaring van de getuige-deskundige H.A. Tromp, ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende: "Het borstletsel was zodanig uitgebreid dat dit niet alleen is ontstaan ten gevolge van de val van de trap. Het slachtoffer had ook aan de achterkant ribbreuken, zelfs meer dan tien breuken, waarbij sommige ribben op meerdere plaatsen gebroken waren. De longen waren op meerdere plaatsen geperforeerd. Ik heb nooit meegemaakt dat dit soort ribbenletsel is ontstaan tengevolge van een val van de trap, dan wel de val tegen een trapleuning. Gelet op het uitgebreide letsel aan de hals kan dit niet het gevolg zijn geweest van een simpele val van de trap." 3.2.3. De raadsman heeft blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota een beroep gedaan op noodweerexces en daartoe onder meer het volgende aangevoerd: "Ik kom dan toe aan de verwerping door de rechtbank van wat de officier van justitie noemt het extensief noodweerexces. De officier van justitie verwerpt het extensieve noodweerexces omdat de aard van de emotie die cliënt beneden zou hebben bevat er niet een is die kan worden aangemerkt als een onmiddellijk gevolg van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. De officier van justitie zegt dus eigenlijk dat cliënt zich heeft laten leiden door een verkeerde gemoedsbeweging die weliswaar het gevolg is van de eerdere aanranding, maar die niet verschoonbaar is. Ik moet helaas constateren dat hetgeen door de verdediging in eerste aanleg als strafuitsluitende verweren naar voren is gebracht, voor de rechtbank geen aanleiding behoefde te zijn om daar gemotiveerd op in te gaan, noch uit de constatering van de raadsman in eerste aanleg dat aan de hand van het dossier hij concludeert dat de ribben zijn gebroken door de val van de trap en de confrontatie met de trapleuning. Grofweg gezegd, verenigt de rechtbank zich met het standpunt van de officier van justitie en noemt expliciet woede als een emotie die niet van dien aard is dat zij kan worden aangemerkt als een onmiddellijk gevolg van een door de oorspronkelijke aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging. De rechtbank zegt dan ook nog eens uitdrukkelijk dat het niet de angst was die tot uitdrukking komt in de door de verdachte bij de politie afgelegde verklaringen. Ik moet u zeggen grote moeite te hebben met het gepsychologiseer omtrent de aard van de emotie. Ik denk dat het wel duidelijk is dat cliënt geen persoon is die gemakkelijk de aard van de in hem opkomende emoties kan omschrijven, zo hij hier zich al duidelijk bewust van is. Woede lijkt aldus een verwerpelijke emotie, in tegenstelling tot angst. Alsof die emoties allemaal haarscherp zijn te onderscheiden. (...) Ik meen op grond van het dossier te mogen vaststellen dat het slachtoffer [slachtoffer] massief wederrechtelijk is opgetreden. Wij kunnen dit wel beperken tot de aanvankelijke agressie van hem jegens mijn cliënt, maar dit is een onterechte beperking van de massieve aantasting van lijf, eerbaarheid en goed door binnen te dringen in het huis, waarvan hem nog zeer kort tevoren was aangezegd dat niet meer te doen. Zijn eerdere binnendringen was toen nog beperkt tot gelegenheden dat er niemand aanwezig was, maar nu was hij niet slechts binnengedrongen in het huis, maar zelfs in het als meest privé gevonden vertrek van het huis, de slaapkamer, waarin cliënt met zijn pas gevonden relatie ligt te slapen. Dit is een zo overweldigende inbreuk, waar wij ons nauwelijks een voorstelling van kunnen maken. Als daarenboven cliënt in de meest private situatie ook nog eens gewelddadig wordt bejegend, dan kan het niet anders zijn dan dat dit een geweldige reactie oproept. [Slachtoffer] slaat cliënt hard op zijn slaap/oog en duikt vervolgens op bed, bovenop cliënt om een worsteling aan te gaan. Dan roept zijn vriendin [betrokkene 3]: 'Dat is 'm'. Maar van cliënt heeft zich een overweldigende emotie meester gemaakt. Als de officier van justitie dan betoogt 'hij moest plat, hij mocht niet meer overeind komen, zodat ik de politie kon bellen' getuigt niet van razernij maar eerder van rationaliteit, dan ben ik van oordeel dat de officier van justitie zich onvoldoende heeft ingeleefd in de overweldigende inbreuk die op dat moment door [slachtoffer] wordt gepleegd. Het is dan niet meer haarfijn te onderscheiden dat in begin er angst was, paniek en wellicht daarna ook woede. Maar mag iemand ook woede hebben als in het meest private domein wordt binnengedrongen, hij klappen krijgt en [slachtoffer] boven op hem duikt. Het zou zelfs merkwaardig genoemd mogen worden als op een gegeven moment die woede niet naar buiten zou zijn gekomen. In bed krijgt hij [slachtoffer] op een gegeven moment van zich af en al worstelend komen ze aan het voeteneind van het bed, waar hij weer even de onderliggende partij wordt, doordat hij achterover op bed wordt geduwd. Vervolgens schiet [slachtoffer] de hal in waar cliënt zijn vriendin weet en hij schiet er achteraan. In die hal ontstaan wederom schermutselingen. Die hal is zo klein dat op een gegeven moment [slachtoffer] van de trap aftuimelt. Bij het vervolg moet naar mijn mening tenminste nog een tweetal factoren worden ingecalculeerd namelijk ten eerste dat in de afgelopen week cliënt steeds is gevoed met negatieve informatie over [slachtoffer]. Hij is degene die stelselmatig zijn vriendin [betrokkene 3] heeft mishandeld en gegijzeld en die nog bij voortduring inbreuk maakte op haar leven door ongevraagd haar huis binnen te komen. We zien tenminste zeven meldingen in het BTS systeem en we lezen in het dossier dat de buren zo gewend waren aan die gewelddadigheden en ruzies dat zij op aanbellen van [betrokkene 3] niet meer reageerden. Ook haar neef laat het afweten als ze in paniek bij hem aan de deur komt. Met andere woorden, cliënt krijgt een nieuwe vriendin en wordt die nacht in hevige mate geconfronteerd met haar verleden, met welk verleden hij in die afgelopen week negatief is gevoed. Er zullen bij cliënt zeker gevoelens zijn opgekomen haar tegen die geschetste boosdoener te moeten beschermen en met zijn kwaadaardigheid werd hij die nacht geconfronteerd. Een tweede aspect is de persoonlijkheid van cliënt die natuurlijk met zijn optreden niet kan worden weggecijferd. Ik zou menen dat dat specifiek menselijke, zijn eigen geaardheid, niet kan worden weggedacht uit zijn optreden om zodoende gemakkelijk het uiterlijk waarneembare te kunnen categoriseren. Daarmee wordt de essentie aan ons strafrecht onttrokken namelijk dat het individueel bepaald is. Cliënt beschikt, aldus het pro justitia rapport van de gerechtelijk deskundige, Rempt, over een beperkte psychische draagkracht. Hij beschikt over beperkt verstandelijke vermogens en die gebrekkige constellatie van de persoonlijkheid bepaalt zijn kern en dus ook zijn optreden in de samenleving. Antw. 4b rapp. Rempt: "Door deze stoornis heeft betrokkene weinig adequate afwegingen meer kunnen maken." Gelet op die achtergrond mogen we juist constateren dat hij zichzelf na een aanvankelijk turbulente periode met justitiële contacten prima heeft hersteld. Dan wordt hij in de nacht van 26 op 27 september 2004 bij zijn nieuwe vriendin geconfronteerd met een massieve wederrechtelijke aanranding die weliswaar gemakshalve wordt beperkt tot de wederrechtelijke aanranding in bed, klappen en dat [slachtoffer] boven op hem dook, maar dat is een beperking die geen recht doet aan de veel omvangrijke inbreuk, namelijk die van lijf, eerbaarheid en goed onder welk laatste naar ik meen het huisrecht moet worden begrepen. Ik weet niet wat er zou zijn gebeurd als cliënt enkel en alleen door angst zou zijn overweldigd. Maar stel nu eens dat cliënt, gelet op de verhalen van [betrokkene 3] over haar ex-partner, waarmee hij is gevoed, uit voorzorg op zijn nachtkastje een mes had gelegd en dat mes onmiddellijk had gebruikt nadat [slachtoffer] hem in bed had aangevallen en daarmee [slachtoffer] dodelijk had verwond, dan hadden we hier niet gezeten. Het beroep op noodweer was dan evident geweest. Cliënt is niet slechts overweldigd geraakt door angst en paniek, maar heeft alles in het werk gesteld de inbreukmaker naar buiten te werken. De weg is omslachtig, omdat de weg naar buiten verloopt via de huiskamer. Zolang [slachtoffer] in die woning verblijft, maakt hij inbreuk, is er sprake van een wederrechtelijke aantasting. Die wederrechtelijke aantasting is, zoals gezegd, niet beperkt tot het door hem jegens cliënt uitgeoefende geweld, maar de aantasting betreft wel degelijk ook het huis binnendringen. We lezen in het dossier dat cliënt wel duizend keer heeft geroepen: 'Eruit, eruit'. In de heftige gemoedsbeweging waarin hij verkeerde, heeft cliënt niet kunnen bevroeden dat die [slachtoffer] door zijn enorme dronkenschap daartoe niet allengs in staat was. Met andere woorden, de beperking door de rechtbank van de noodweersituatie tot de eerste fase is naar mijn mening een onterechte beperking, want de inbreuk duurde voort. Vervolgens zegt de rechtbank het niet aannemelijk te achten dat de gemoedstoestand van angst nog voortduurde op het moment dat [slachtoffer] van de trap af was gevallen en op de grond lag. Van enig gevaar was toen, aldus de rechtbank, geen sprake meer. Ik heb omstandig betoogd dat dat gevaar er nog steeds was, omdat [slachtoffer] nog steeds gold als de in het huis binnen gedrongene, [slachtoffer] richtte zich steeds opnieuw op en cliënt heeft bij herhaling verklaard dat hij niet meer wilde dat [slachtoffer] hem of [betrokkene 3] nog zou aanvallen. Of de hevige gemoedstoestand alleen angst is geweest, of dat er ook woede heeft gespeeld, is eigenlijk niet zo relevant. Woede is onder die omstandigheden een terechte menselijke gemoedstoestand. Het is een oneigenlijke manier van psychologiseren alsof gemoedstoestanden met een waterscheiding zijn af te bakenen en dat die gemoedstoestanden niet door elkaar heen lopen. Uit mijn betoog volgt dat ik mij niet kan verenigen met de weerlegging van de rechtbank van het extensieve noodweerexces, omdat woede niet van dien aard is dat zij kan worden aangemerkt als onmiddellijk gevolg van een door de oorspronkelijke aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging. Het is op grond van noodweer, noodweerexces c.q. extensieve noodweer dat ik uw Hof verzoek cliënt te ontslaan van rechtsvervolging." 3.2.4. Het Hof heeft ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte het volgende overwogen: "Op de zitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat er sprake zou zijn van noodweerexces. Daartoe heeft de raadsman allereerst aangevoerd dat niet alleen het fysieke aanvallen van de verdachte door [slachtoffer] de tenlastegelegde handelingen van de verdachte rechtvaardigden in de zin van noodweer, maar ook het wederrechtelijk binnendringen door [slachtoffer] in de woning van [betrokkene 3]. Zo al de fysieke aanranding van de verdachte door [slachtoffer] was beëindigd, nadat deze van de trap was gevallen, noodzaakte de inbreuk door [slachtoffer] op het huisrecht de verdachte nog immer tot verdediging. Bij die noodzakelijke verdediging is de verdachte verder gegaan dan geboden was. Die overschrijding van de grenzen van een noodzakelijke verdediging was evenwel het onmiddellijke gevolg van de hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt. Dit verweer miskent dat 'goed' in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht een voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object betekent en dat huisvrede hier niet onder valt. Huisvredebreuk, waarbij geen sprake is van vernieling of beschadiging van de woning zoals in het onderhavige geval, is derhalve geen aanranding van enig 'goed', waartegen noodweer gerechtvaardigd is. Nu er voor de verdachte in deze zin geen sprake was van een noodweersituatie, verwerpt het hof in zoverre het beroep op noodweerexces. Voorts heeft de raadsman gepleit voor ontslag van alle rechtsvervolging op grond van (extensief) noodweerexces. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte zich - ook afgezien van het voorgaande - onder aan de trap diende te verdedigen tegen de aanval van [slachtoffer]. Voorzover hij daarin te ver is gegaan, is dit gebeurd onder invloed van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt ofwel door die aanval van [slachtoffer] onder aan de trap (noodweerexces) dan wel door de daaraan voorafgaande aanval van [slachtoffer] in de slaapkamer en op de overloop (extensief noodweerexces). Hieromtrent overweegt het hof als volgt. Het hof gaat uit van de volgende feitelijke gang van zaken:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.