← Nederland

ECLI:NL:HR:2008:BD5509

12 september 2008 Eerste Kamer 07/12302 EV/MD Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. E. Grabandt. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

  1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 8 januari 2004 ter griffie van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, ingediend verzoekschrift heeft de man zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, primair dat de man met het gezag over de minderjarige kinderen van partijen zal worden belast en te bepalen dat de verblijfplaats van de kinderen bij de man zal zijn. Subsidiair is verzocht te bepalen dat de man wekelijks omgang met de kinderen zal hebben van vrijdagochtend tot en met zondagavond en dat de vrouw de man dient te informeren met betrekking tot belangrijke kwesties inzake de lichamelijke en geestelijke opvoeding van de kinderen. De vrouw heeft het verzoek bestreden. De kantonrechter heeft, na een tussenbeschikking van 12 maart 2004, waarbij onder andere de Raad voor de Kinderbescherming is verzocht een rapport te schrijven en een voorlopige omgangsregeling is vastgesteld, bij eindbeschikking van 29 juli 2005 het verzoek van de man om hem in plaats van de vrouw met het gezag te belasten afgewezen en een omgangsregeling vastgesteld. Tegen de eindbeschikking van 29 juli 2005 hebben de man en de vrouw afzonderlijk hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij tussenbeschikkingen van 21 juni 2006 heeft het hof in beide zaken een deskundige benoemd teneinde het hof op basis van een aantal vragen van informatie te voorzien over de relatie tussen partijen en de mogelijke gevolgen daarvan voor het ouderschap na het uiteengaan van partijen en de omgang met de kinderen. In de door de man aangespannen appelprocedure heeft het hof bij eindbeschikking van 11 juli 2007 de bestreden beschikking inzake het gezag bekrachtigd en heeft het het meer of anders gevorderde afgewezen. Bij beschikking van dezelfde datum in de door de vrouw geëntameerde appelprocedure heeft het hof de bestreden beschikking vernietigd voor zover die de omgang betreft en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de man tot vaststellen van een omgangsregeling alsnog afgewezen. De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.
  2. Het geding in cassatie Tegen de beschikkingen van het hof van 21 juni 2006 en 11 juli 2007 in beide zaken heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het beroep.
  3. Beoordeling van de middelen De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
  4. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 12 september 2008.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.