28 oktober 2008 Strafkamer nr. S 01793/07 E Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, Economische Kamer, van 6 februari 2007, nummer 20/009600-05, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, wonende te [woonplaats]. 1. Geding in cassatie 1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige op art. 440 Sv gegronde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen. 1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal. 2. Beoordeling van het middel 2.1. Naar de Hoge Raad begrijpt komt het middel op tegen de verwerping van een in hoger beroep gevoerd verweer. 2.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: "1. hij op 26 mei 2004 te Oss, opzettelijk zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel de [a-straat 1] gelegen inrichting voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen en/of wegen van dieren, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 8,1, onder a van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, in elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlage I van voornoemd Besluit, in werking heeft gehad ten aanzien van de veranderingen, zijnde het toen en daar de inrichting uitbreiden met het onderhouden en/of repareren van motorvoertuigen. 2. hij op 26 mei 2004 te Oss, tezamen en in vereniging met een ander, terwijl aan [verdachte] door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Oss bij Besluit van 17 december 1991 een vergunning krachtens de Hinderwet (thans Wet milieubeheer) was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel [a-straat 1], kadastraal bekend gemeente [A], sectie [A], nummer [0001], oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 8.1. van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlagen I en/of III van voornoemd besluit, zich, opzettelijk, heeft gedragen in strijd met voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, immers - was de vloer van de werkplaats niet vloeistofdicht en - was het vaatwerk, te weten olievaten, niet opgeslagen in een vloeistofdichte lekbak, welke met de vloer een bak vormt, die een inhoud heeft van tenminste de inhoud van het grootste vat vermeerderd met 10 procent van de gezamenlijke inhoud van de overige aanwezige vaten." 2.3. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - voor zover hier van belang - het volgende aangevoerd: "Ten verweer voer ik aan dat mijn cliënt niet als inrichtinghouder kan worden gezien. Mijn cliënt had slechts één inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit betrof het agrarisch bedrijf. Hieraan was een milieuvergunning met voorschriften gekoppeld. De inrichting die betrekking had op het onderhouds- en reparatiewerk aan auto's was niet van mijn cliënt, maar van de huurder [getuige]. Er zijn in de jurisprudentie drie criteria geformuleerd waaraan een inrichtinghouder moet voldoen om als zodanig te worden aangemerkt. Deze criteria zijn kort gezegd dat er sprake moet zijn van 1) een functionele binding, 2) een economische binding en 3) zeggenschap. Aan twee van die criteria moet zijn voldaan wil een persoon worden gezien als inrichtinghouder. In dit geval is hieraan niet voldaan. Mijn cliënt had geen zeggenschap. Mijn cliënt was weliswaar eigenaar, maar wist in het geheel niet wat er in de verhuurde opslagloods gebeurde." 2.4. Naar aanleiding daarvan heeft het Hof overwogen: "De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep het in eerste aanleg ingenomen standpunt herhaald, ertoe strekkende dat er sprake is van twee inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte slechts als inrichtinghouder van zijn "agrarisch bedrijf" dient te worden aangemerkt en niet van de tweede inrichting, zijnde een inrichting die ziet op het "vervaardigen, onderhouden en/of repareren van motorvoertuigen". Deze tweede inrichting zou worden gedreven door [getuige]. Verdachte heeft dat deel van zijn boerderij verhuurd en daarom geen enkele bemoeienis gehad met het aangetroffen garagebedrijf en hem valt voor wat betreft die inrichting dan ook geen strafrechtelijk verwijt te maken, aldus de verdediging. Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat: - op verdachtes perceel aan de [a-straat 1] te [woonplaats] een inrichting is gelegen voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen en/of wegen van dieren; - verdachte voor die inrichting een (milieu-)vergunning heeft met daarbij behorende voorschriften; - verdachte in de aanbouw van zijn opslagloods, gelegen op het achterterrein van zijn perceel, aan [getuige] heeft verhuurd voor naar zijn zeggen het stallen van motorvoertuigen; - de getuige [getuige] op 26 mei 2004 heeft verklaard deze ruimte al drie jaren -zonder contract- van verdachte te huren; - de huurder, [getuige], de (aanbouw van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.