11 november 2008 Strafkamer nr. 08/01789 Hs SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 7 mei 2004, nummer 21/003271-03, ingediend door mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk, advocaat te Terneuzen, namens: [aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats]. 1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd Het Hof heeft de aanvrager - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Zutphen van 24 juni 2003 - ter zake van 1, 2 en 6 telkens "diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en inklimming", 3 "poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking", 4 "poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en inklimming" en 5 "poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden. 2. De aanvrage tot herziening 2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat zijn zaak destijds niet tot een veroordeling, althans niet voor elk van de tenlastegelegde feiten, zou hebben geleid, indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van de geuridentificatieproeven. 3. De conclusie van de Advocaat-Generaal De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage kennelijk ongegrond zal verklaren voor zover deze betrekking heeft op feit 1 en voorts dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren voor zover zij betrekking heeft op de feiten 2 tot en met 6, en de zaak zal verwijzen naar een gerechtshof dat nog niet over de zaak heeft geoordeeld, opdat de zaak op voet van art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan. 4. Achtergrond van de aanvrage Aan de aanvrage is gehecht een brief van mei 2007 van het Arrondissementsparket Zwolle-Lelystad gericht aan de aanvrager. In deze brief is de aanvrager een mededeling gedaan omtrent mogelijk onjuist uitgevoerde geuridentificatieproeven in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland. In deze periode zou de speurhondengeleider tijdens het afnemen van de geuridentificatieproef regelmatig, in afwijking van het vastgestelde protocol, vooraf op de hoogte zijn geweest van de sorteervolgorde van de geurbuisjes. Volgens het openbaar ministerie zou ook in de zaak van de aanvrager gebruik zijn gemaakt van een dergelijke geuridentificatieproef. De onderhavige aanvrage is naar aanleiding van deze mededeling ingediend. 5. Aan de beoordeling van de aanvrage voorafgaande beschouwing 5.1. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent, hetgeen met zich brengt dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat aldus moet worden aangenomen dat het resultaat van de geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC 8789). 5.2. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat onder een "minder zware strafbepaling" in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder wordt niet verstaan de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie. 5.3. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef de feitenrechter op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager terzake zou hebben vrijgesproken. In dat geval is derhalve sprake van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. 6. Beoordeling van de aanvrage 6.1. Ten laste van de aanvrager is bij de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd onder 1 tot en met 6 bewezenverklaard dat: "1. hij op 29 oktober 2002 te Gaanderen, gemeente Doetichem, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een kerk(gebouw) heeft weggenomen een koektrommel, toebehorende aan de protestantse kerkgemeente, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en inklimming; 2. hij op een tijdstip in de periode van 24 oktober 2002 tot en met 25 oktober 2002 in de gemeente Zelhem met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een kerk(gebouw) heeft weggenomen een hoeveelheid geld, toebehorende aan de Hervormde Gereformeerde Federatie, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en inklimming; 3. hij op een tijdstip in de periode van 11 november 2002 tot en met 13 november 2002 te Wilsum, gemeente Kampen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een kerk(gebouw) weg te nemen een hoeveelheid geld en/of goederen, toebehorende aan de Gereformeerde kerk, en zich, daarbij de toegang tot de plaats des misdrijfs te verschaffen en die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn bereik te brengen door middel van braak en verbreking, van die kerk een raam heeft vernield en twee kasten heeft opengebroken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 4. hij op een tijdstip in de periode van 11 november 2002 tot en met 12 november 2002 te Wilsum, gemeente Kampen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een kerk(gebouw) weg te nemen een hoeveelheid geld en/of goederen, toebehorende aan de Hervormde kerkvoogdij, en zich daarbij de toegang tot de plaats des misdrijfs te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, van die kerk een raam heeft ingeslagen, althans vernield en/of een vitrinekastje heeft opengebroken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 5. hij op een tijdstip in de periode van 11 november 2002 tot en met 12 november 2002 in de gemeente Kampen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigeing uit een kerk(gebouw) weg te nemen een hoeveelheid geld en/of goederen, toebehorende aan de Bovenkerk, en zich daarbij de toegang tot de plaats des misdrijfs te verschaffen en die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, van die kerk een raam met een baksteen heeft vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 6. hij op een tijdstip in de periode van 14 november 2002 tot en met 15 november 2002 te Veessen, gemeente Heerde, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een kerk(gebouw) heeft weggenomen een hoeveelheid geld en drie tinnen schaaltjes en twee zilveren bokalen, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich daarbij de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming." 6.2.1. Het arrest bevat een aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv, waarin de bewijsmiddelen zijn opgenomen die het Hof heeft gebezigd. Kort aangeduid betreft het de volgende bewijsmiddelen. Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.