nr. 43973 23 januari 2009 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 15 maart 2007, nr. 06/4661, op het verzet van belanghebbende tegen na te melden uitspraak van de Rechtbank betreffende een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken. 1. Het geding in feitelijke instantie Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Z voor het jaar 2005 vastgesteld. Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft het Hoofd Belastingen van de gemeente Leiden (hierna: de heffingsambtenaar) bij uitspraak de beschikking gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 20 september 2006 het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft daartegen verzet gedaan. De Rechtbank heeft bij de in cassatie bestreden uitspraak het verzet ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 17 september 2008 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en gegrondverklaring van het verzet. 3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 3.1.1. Bij brief van 29 december 2005 aan belanghebbende heeft de heffingsambtenaar geschreven: "U heeft een bezwaarschrift ingediend tegen de WOZ-waarde van uw woning. In uw bezwaar heeft u aangegeven gehoord te willen worden indien de gemeente voornemens is u niet in uw bezwaar tegemoet te komen. (...) [W]ij zien geen reden om aan uw bezwaar tegemoet te komen. In de hoorprocedure kunt u uw zienswijze en argumenten naar voren brengen voor zover dat niet reeds is gedaan in het bezwaarschrift. Het horen zal ongeveer 20 minuten duren. Van het horen wordt een verslag gemaakt dat aan u wordt toegezonden. Indien u alsnog gehoord wilt worden kunt u contact opnemen (...) voor het maken van een afspraak. Als wij binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief geen bericht van u hebben ontvangen gaan wij ervan uit dat u er geen behoefte meer aan heeft om gehoord te worden." 3.1.2. Bij brief van 13 januari 2006 heeft belanghebbende de heffingsambtenaar om een hoorgesprek verzocht. Deze brief is op 17 januari 2006 bij de heffingsambtenaar ingekomen. 3.1.3. In zijn uitspraak van 20 januari 2006, op de achterkant waarvan een rechtsmiddelverwijzing in de zin van artikel 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht is opgenomen, heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard. Met betrekking tot het hoorgesprek wordt in deze uitspraak opgemerkt: "U bent per brief, gedagtekend op 29 december 2005 in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Indien u hiervan gebruik wenste te maken, had u dit binnen 14 dagen na dagtekening van de brief kenbaar moeten maken. U hebt niet binnen deze termijn gereageerd. Ik ben er daarom van uitgegaan dat u van een hoorzitting hebt afgezien." 3.1.4. Bij brief van 26 januari 2006 (abusievelijk is vermeld 26 januari 2005) heeft de heffingsambtenaar belanghebbende alsnog uitgenodigd voor een hoorgesprek op 28 maart 2006: "Hierbij bevestig ik ons telefoongesprek op 26 januari 2006 over het horen inzake uw bezwaarschrift tegen de WOZ-beschikking (...). In de hoorprocedure kunt u uw zienswijze en argumenten naar voren brengen voorzover dat niet reeds is gedaan in het bezwaarschrift. Het horen zal ongeveer 20 minuten duren. Van het horen wordt een verslag gemaakt dat aan u wordt toegezonden. Ik wil u er op wijzen dat ik reeds een beslissing op uw bezwaarschrift heb genomen. Deze is u toegezonden op 20 januari 2006. Indien tijdens de hoorzitting nieuwe feiten naar voren komen die van invloed zijn op de vastgestelde waarde dan zal de waarde ambtshalve worden herzien." 3.1.5. Bij brief van 30 maart 2006 schreef de heffingsambtenaar aan belanghebbende onder meer: "Tijdens het horen heeft u uw bezwaarschrift en de daarin opgesomde negatieve factoren van uw woning toegelicht. In het onderhoud zijn van uw kant geen nieuwe argumenten genoemd die tot een ambtshalve verlaging van de vastgestelde waarde van de onderhavige onroerende zaak hebben geleid." 3.1.6. Bij brief van 8 mei 2006, bij de griffie van de Rechtbank ingekomen op 9 mei 2006, heeft belanghebbende beroep ingesteld "tegen de beschikking dd 20 januari 2006 en de daaropvolgende beschikking n.a.v. de hoorzitting dd 28 maart 2006". 3.2. De Rechtbank heeft, recht doende op het verzet, geoordeeld dat het beroep van belanghebbende terecht kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. De Rechtbank heeft daartoe, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2002, nr. 36933, BNB 2002/186, geoordeeld (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.