30 juni 2009 Strafkamer nr. 07/10742 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 mei 2007, nummer 22/000509-06, in de strafzaak tegen: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1942, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Haaglanden, locatie Zoetermeer" te Zoetermeer.
(1925)en/of het bepaalde in artikel 147 Verdrag van Geneve betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd ("Vierde Geneefse Conventie, 1949) (als leden van de regering (van de Republiek) van Irak) behorende tot één van de strijdende partijen in een (internationaal) gewapend conflict meermalen op plaatsen op het grondgebied van Iran (opzettelijk) chemische strijdmiddelen (mosterdgas) in te zetten tegen personen die zich toen en (al)daar bevonden, tengevolge waarvan die personen zijn overleden of zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen terwijl die chemische strijdmiddelen (mede) werden ingezet tegen personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, te weten, burgers van Khorramshahr en/of Alut en/of Sardasht en/of Rash Harmeh en/of Zardeh en/of Oshnaviyeh, althans burgers van Iran, en de inzet van die chemische strijdmiddelen inhield de wrede en/of onmenselijke behandeling en/of verminking van deze personen en het moedwillig veroorzaken van hevig lijden bij deze personen tot het plegen van welke misdrijven verdachte en zijn mededaders tezamen en in vereniging op tijdstip(pen) in de periode van 19 april 1984 tot en met 25 augustus 1988 in Irak en/of in Zwitserland en/of in Italië en/of in de Verenigde Staten van Amerika en/of in Japan, en/of te Singapore en te Akaba in Jordanië opzettelijk gelegenheid en middelen hebben verschaft, door toen en (al)daar opzettelijk thiodiglycol (TDG) bestemd voor de produktie van mosterdgas te leveren aan (de Republiek van) Irak." 2.2. Het Hof heeft met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten in de bestreden uitspraak onder meer het volgende overwogen: "11. Bewijsoverwegingen met betrekking tot de medeplichtigheid van verdachte als bewezenverklaard onder 1 subsidiair en 2. 11.1 Voorzover hier van belang heeft de verdediging de navolgende bewijsverweren gevoerd. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte niet opzettelijk, in de zin van voorwaardelijk opzet, heeft gehandeld. Ook heeft zij gesteld dat er geen sprake was van een aanmerkelijke kans dat als gevolg van zijn gedragingen met betrekking tot TDG de aanvallen op de bewezenverklaarde plaatsen zouden plaatsvinden. Voorts is aangevoerd de mogelijkheid dat verdachtes gedragingen slechts tot opslag of vervoer van TDG zouden dienen. Gesteld is bovendien dat de verdachte niet wist dat de door hem geleverde TDG voor de productie van een chemisch wapen zou dienen, ook nu hij niet wist dat Irak tot die productie in staat was en dat er geen sprake was van verhulling van aard en bestemming van de door hem geleverde stoffen. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte na de aanval op Halabja in maart 1988 geen pogingen meer heeft ondernomen stoffen als TDG aan Irak te leveren. Ten slotte heeft de verdediging betoogd dat de verklaringen van [betrokkene 1] als zijnde onbetrouwbaar terzijde gesteld moeten worden. Mede in reactie op voornoemde verweren, voor zover die verweren hun weerlegging al niet hebben gevonden in de gebezigde bewijsmiddelen, overweegt het hof als volgt. 11.2 Het hof is van oordeel dat op grond van de gebezigde bewijsmiddelen buiten enige twijfel is komen vast te staan dat de in de tenlastelegging genoemde personen, kort gezegd het toenmalige in Irak aan de macht zijnde regime, (lucht)aanvallen dan wel bombardementen met - al dan niet onder meer - mosterdgas heeft uitgevoerd, dan wel heeft doen uitvoeren op de onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde plaatsen in respectievelijk Irak en Iran. Zulks met de in de bewezenverklaring genoemde gevolgen. Die aanvallen hebben naar het oordeel van het hof voor zover het feit 2 (Iran) betreft plaatsgevonden in het kader van een internationaal conflict, dat tussen september 1980 en augustus 1988 tussen Iran en Irak gaande was. Voorzover die aanvallen in de bewezenverklaarde periode op de in de bewezenverklaring onder 1 subsidiair genoemde plaatsen in Irak plaatsvonden acht het hof bewezen dat deze zijn uitgevoerd in het kader van een - zoals ook door de rechtbank bewezenverklaard - internationaal en/of niet-internationaal conflict. Internationaal voorzover Koerdische en/of andere oppositiegroepen die met de Iraanse troepen samenwerkten onder andere doelwit waren van de bombardementen, waarbij het hof mede acht heeft geslagen op de omstandigheid dat de oorlog van Irak met Iran ook plaatsvond in de grensstreek tussen die buurlanden en Iraanse militairen in enkele gevallen binnen de grenzen van Irak opereerden; niet-internationaal voorzover de betreffende (lucht) aanvallen gericht waren op de - in hoofdzaak - Koerdische verzetsgroepen in het eveneens langjarig gewapend conflict met die - deels samenwerkende - verzetsgroepen. Voor het bewijs van de aard van de gewapende conflicten berust het oordeel van het hof in het bijzonder op het proces-verbaal van 19 mei 2005 van een opsporingsambtenaar (F58), dat het verslag behelst van een uitgevoerd bronnenonderzoek, alsmede op een door [verbalisant 1] en [verbalisant 1] opgemaakt rapport, in het dossier opgenomen onder F61. Voorts berust het deels op de ter terechtzitting in eerste aanleg van 30 november 2005 afgelegde verklaring van [betrokkene 2]. 11.3 Naar het oordeel van het hof waren de onder 1 subsidiair bedoelde luchtaanvallen met mosterdgas tevens uitingen van een politiek van stelselmatige terreur en wederrechtelijk optreden tegen een bepaalde - Koerdische - groep van de bevolking. Het bewijs daarvoor ontleent het hof - met de rechtbank - in het bijzonder (onder meer) aan onderdelen van de Rapportage over de toestand van de mensenrechten in Irak van 19 februari 1993, opgesteld door M. van der Stoel, speciaal rapporteur van de Commissie Mensenrechten (dossier H75 - paragrafen 25 tot en met 27), alsmede aan onderdelen van diens rapportage van 25 februari 1994 (H74, pagina's 36 tot en met 43) en de op 1 november 2005 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 3] (RC dossier pagina's 2022 tot en met 2112). 11.4 Met betrekking tot verdachtes rol in, dan wel betrokkenheid bij vorenbedoelde aanvallen met mosterdgas is het navolgende genoegzaam komen vast te staan. 11.5 De verdachte heeft in de jaren 1985 tot en met 1988 de chemische grondstof TDG (thiodiglycol) aan Irak, dan wel aan een Iraakse firma geleverd. De verdachte heeft in dit verband op de terechtzitting in eerste aanleg van 18 maart 2005 verklaard dat hij zelf dan wel door middel van een of meer bedrijven die van hem waren, althans waarover hij de feitelijke zeggenschap had, in de tenlastegelegde periode de grondstof TDG tot een totaal van 1.400 metric ton heeft geleverd aan de toenmalige regering van de republiek Irak, welke grondstof onder meer uit de Verenigde Staten van Amerika afkomstig was. Ter terechtzitting in hoger beroep van 2 april 2007 heeft de verdachte voorts erkend dat hij in die periode ook uit Japan afkomstige TDG heeft geleverd, zulks met de nuancering dat hij geleverd had aan de aan het Iraakse ministerie van Olie verbonden firma SEORGI (State Establishment for Oil Refinery and Gas Industries). Op laatstgenoemde zitting heeft hij voorts erkend dat hij in een 34 tal zendingen chemische stoffen, hoofdzakelijk TDG, heeft geleverd. Nadere bijzonderheden omtrent die zendingen en welke firma's daar bij betrokken waren ontleent het hof aan het voor het bewijs gebezigde proces-verbaal van [verbalisant 3] en [verbalisant 4] d.d. 5 december 2005 (F90). 11.6 Anders dan door de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep betoogd leidt het hof in het bijzonder uit de navolgende bewijsmiddelen af dat verdachte wist dat de TDG Irak als eindbestemming had, daar aankwam en daar ook gebruikt werd. 11.7 Blijkens de verklaring van [betrokkene 1], verdachtes handelspartner in chemicaliën tussen 1984 en 1988, op 22 juni 2005 te Osaka afgelegd (G 92d pagina's 839 tot en met 856), wist [betrokkene 1] met betrekking tot de handel in chemicaliën die hij dreef met de verdachte dat de chemicaliën Irak als eindbestemming hadden. Hij verklaart: "in 1984, toen ik begon te handelen met [verdachte], vertelde hij mij dat de eindbestemming Irak was. Ook had [verdachte] mij verzocht geheim te houden dat de chemicaliën naar Irak zouden worden vervoerd". "[Verdachte] heeft mij gezegd: de chemicaliën worden eerst naar Triëst, Italië verscheept. Daarna wordt het over de weg naar Irak vervoerd". Voorts heeft genoemde [betrokkene 1] dit als getuige ter terechtzitting van de rechtbank van 2 december 2005 bevestigd. 11.8 Het hof merkt hier overigens nog op dat het hof de door [betrokkene 1] in de bewijsmiddelen opgenomen verklaringen voldoende betrouwbaar acht. De verdediging heeft betoogd dat die verklaringen niet voor het bewijs mogen worden gebruikt omdat zij niet betrouwbaar zijn, nu zij op onderdelen niet consistent en innerlijk tegenstrijdig zijn. Het hof is evenwel - na behoedzame toetsing daarvan - van oordeel dat die verklaringen in essentie consistent zijn, niettegenstaande de omstandigheid dat die verklaringen op enkele punten niet gelijkluidend zijn. Het hof wijst er bovendien op dat [betrokkene 1] jarenlang verdachtes handelspartner was en in zijn verklaringen ook zichzelf belast. 11.9 Overigens heeft de verdachte ook zelf in het voorbereidend onderzoek erkend geweten te hebben dat de goederen naar Irak gingen, zoals in zijn verklaring van 7 december 2004, (C.1.b.2): "de goederen gingen eerst naar Triëst, daarna naar Irak" en "Ik weet dat de producten verscheept zijn van Triëst naar Aqaba in Jordanië. Ik begreep dat ze waren aangekomen. Ik heb door te vragen aan SEORGI of de producten waren aangekomen de bevestiging gekregen dat het was gebeurd". In het licht van alle overige bewijsmiddelen verklaart de verdachte naar 's hofs oordeel wel buitengewoon cynisch: "Via mij zijn ook geen klachten binnengekomen over de kwaliteit van de producten". Verdachte heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep van 2 april 2007 verklaard dat hij ervan uitging dat de door hem geleverde stoffen in Irak gebruikt zouden worden. 11.10 De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ontkend ervan op de hoogte te zijn geweest dat de door hem geleverde TDG - met de uit de bewijsmiddelen blijkende graad van zuiverheid - geschikt en bestemd was voor de productie van mosterdgas. Uit de bewijsmiddelen blijkt duidelijk dat genoemde stof geschikt was voor zodanig gebruik. Dat TDG, in de door verdachte geleverde hoeveelheden, tezamen tenminste ruim elfhonderd (1.100) ton, alleen bestemd kon zijn voor de productie van mosterdgas, en niet - zoals bij voortduring door de verdachte en zijn raadslieden gesteld - voor gebruik in de textiel-industrie, is onder meer verklaard door de getuige-deskundige [A] ter terechtzitting van 4 april 2007. [A] bevestigde zijn reeds bij de rechter-commissaris op 30 mei 2005 afgelegde verklaring dat het volstrekt ondenkbaar was dat in de jaren '80 in Irak TDG werd gebruikt als textiel 'additive' en dat in Irak geenéén fabriek was aangetroffen die was ingericht voor de productie van textielverf of drukinkt. Ook de getuige [getuige 1], die belast is geweest met de kwaliteitscontrole van onder meer mosterdgas en hoofd was van het team dat de elders ter sprake komende Full Final and Complete Disclosure (FFCD) had opgesteld verklaarde medio 2005 tegenover de rechter-commissaris: "Als je spreekt over tonnen TDG, dan is er maar één toepassing mogelijk, namelijk mosterdgas." [Betrokkene 1] heeft op 22 juni 2005 in Japan verklaard: "Uit de in 1984 begonnen onderhandelingen bleek duidelijk dat de chemicaliën als grondstof zouden worden gebruikt voor chemische wapens." Voorts verklaarde hij toen - zakelijk weergegeven -: "rond mei of juni 1984 benaderde [verdachte] mij met de mededeling dat hij de chemische stof TMP wilde importeren. Tijdens de onderhandelingen over TMP legden zowel [betrokkene 5] als [betrokkene 6] uit dat TMP een grondstof is voor gifgas en dat er goed moest worden opgelet bij export. Toen ik dit hoorde was ik er zeker van dat productie van gifgassen in Irak het doel van [verdachte] was. Tijdens de eerste onderhandelingen met [betrokkene 6] noemde [verdachte] ook TDG. Van [B] werd TDG gekocht. Tijdens de onderhandelingen werd door het bedrijf uitgelegd dat deze chemicaliën omgezet kunnen worden in chemische wapens als gifgas. Ik had van [betrokkene 5] en [betrokkene 7] gehoord dat voor TDG restricties waren gesteld voor export naar het Midden Oosten. Ik heb dat aan [verdachte] doorgegeven. Vanaf het begin van de onderhandelingen hebben de Japanse bedrijven en ik hem verteld dat de chemische stoffen omgezet konden worden in chemische wapens zoals gifgas. En uit zijn woorden bleek dat hij dit al wist. [Verdachte] had kennis op het gebied van chemicaliën. De chemicaliën werden tussen oktober 1984 en mei 1986 vanuit Japan geëxporteerd door [verdachte] en mij. [verdachte] vroeg mij of ik Amerikaanse chemische bedrijven kon vinden om chemicaliën te exporteren. In 1987 ben ik naar Amerika gegaan. [Verdachte] en ik gingen naar [L] in North Carolina. Het ging om TDG. Met onder meer [verdachte] bezocht ik [C]. Net zoals bij [L] vertelde [verdachte] dat hij Thiodyglicol naar België wilde exporteren. Tijdens de eerste onderhandelingen heb ik van [verdachte] gehoord dat de goederen naar Irak zouden gaan." Deze verklaring heeft [betrokkene 1] op de terechtzitting van de rechtbank van 2 december 2005 in hoofdzaak bevestigd. 11.11 De verklaringen van [betrokkene 1] betreffende de eindbestemming van TMP en TDG vinden onder meer ondersteuning in in het dossier voorhanden en voor het bewijs gebezigde telexberichten van de verdachte of diens bedrijven, [betrokkene 1], SEORGI en aanleverende bedrijven. Daaruit blijkt tevens dat getracht wordt de aard en eindbestemming van de chemicaliën te verheimelijken. De verdachte heeft op 8 december 2004 tijdens het voorbereidend onderzoek (C.1.b.4) naar aanleiding van twee voorhanden telexberichten (H10/8586 en H10/8549) van begin september 2004, waarin sprake is van gifgas en de op te geven eindbestemming van de chemicaliën verklaard: "Ik zie in een telex staan dat het als gifgas gebruikt kan worden". Ik heb met SEORGI contact opgenomen. Ik heb altijd geloofd dat [betrokkene 1] wist waarvoor het gebruikt zou worden, dat de goederen een dubieuze bestemming hadden. In een telexbericht van 1 september 1984 (H10/8586) meldt [betrokkene 1] aan verdachte dat wat hem betreft een noodzakelijke leugen verteld kan worden. De verdachte bericht daarop [betrokkene 8] (SEORGI) per telex van 3 september 1984 (H10/8549) met betrekking tot een noodzakelijke leugen: mijn persoonlijk advies is 'brandstof additief' en eindbestemming Triëst. Als [betrokkene 1] in berichten kennelijk een bepaalde toepassing van TDG blijft noemen vermaant de verdachte hem op 19 februari 1985 als volgt - zakelijk weergegeven -: Bijzonderheden van TDG zijn jou zeker bekend, dus hoef je ze niet te noemen. De verdachte verklaart voorts: "Ik heb in het begin van de leveringen in persoon aan [betrokkene 8] gevraagd of van de producten gifgas gemaakt werd. In de mij getoonde telex van 3 september 1984, die ik heb opgemaakt, staat final destination Triëst, dat is dus eigenlijk fout. Kennelijk wil de Japanse regering de eindbestemming weten omdat in de telex staat dat het ook als gifgas gebruikt kan worden." Voorts heeft de verdachte bij die gelegenheid ook op de vraag of geconcludeerd mocht worden dat verdachte in 1986 wist dat TDG gebruikt kon worden om chemische wapens te produceren geantwoord: "Als dit in 1986 was dan is dat zo." Verdachte heeft bovendien op 7 januari 2005 (C.1.b.7) nog verklaard: "De afnemer in Irak was SEORGI. Ik heb nooit geconstateerd dat het in de textiel of andere civiele industrie werd gebruikt." 11.12 Uit het vorenoverwogene onder 11.10 en 11.11 kan het hof geen andere conclusie trekken dan dat verdachte reeds in de loop van 1984, althans in ieder geval in 1986 wist dat de door hem geleverde TDG zou dienen voor de productie van gif c.q. mosterdgas in Irak en dat getracht werd die bestemming te verhullen. 11.13 Uit de hiervoor genoemde verklaring van [getuige 1] blijkt dat de afnemer SEORGI (danwel Sorgi) waarvan [betrokkene 8] directeur was, slechts een deknaam was, zoals de voorganger daarvan, SEPP, dat ook was. Hij verklaart: "TDG werd na aflevering op Al Muthanna verwerkt, [betrokkene 8] was het toenmalige hoofd van Sorgi. Hij vertelde mij over zijn contacten met Al-Muthanna. Hij vertelde dat er goederen binnen kwamen alsof ze voor Sorgi waren. Ik heb in 1991 voor het eerst [verdachte] ontmoet. Uit gesprekken met [verdachte] is mij gebleken dat hij wist dat Sorgi een covername was. Vanaf 1987 hebben wij zelf op MSE (hof: Muthanna State Establishment) de covername Sorgi gebruikt. [betrokkene 9] is in 1987 [betrokkene 10] opgevolgd als directeurgeneraal van MSE. [Verdachte] had rechtstreeks contact met eerst [betrokkene 10] en daarna met [betrokkene 9]. [Verdachte] bezocht hem vaak. [Verdachte] had een goede zakelijke relatie met [betrokkene 9]." In zijn verklaring van 19 juli 2005 tegenover de rechter-commissaris meldt [betrokkene 11], dat hij vóór 1985 met onder meer [betrokkene 10] de leiding had over Al Muthanna en dat hij via [betrokkene 8] in contact was gekomen met de verdachte en dat hij contact had met deze tot eind 1985 in het kantoor van [betrokkene 8] en dat de verdachte ook contact had met [betrokkene 9], die als opvolger van [betrokkene 10] hoofd is geweest van Al Muthanna. Verdachte verklaart op 8 december 2004 dat hij [betrokkene 9] misschien in 1985 of in 1986 voor het eerst ontmoet heeft. "Ik ben meerdere keren op het kantoor van [betrokkene 9] in Samarra geweest." De verdachte heeft ook verklaard op 7 december 2004 (C.1.b.3): "[Betrokkene 9] zei tegen mij dat ik producten uit Amerika moest zien te krijgen." Voorts neemt de verdachte later in zijn aanvraag van een Irakees paspoort op dat hij enige jaren met deze [betrokkene 9] heeft samengewerkt. Uit deze verklaringen leidt het hof af dat de verdachte ook rechtstreeks contact had met personen die de leiding hadden over, dan wel een belangrijke positie hadden in MSE ofwel Al Muthanna, de plaats waar TDG werd verwerkt tot mosterdgas, en op de hoogte was van levering van TDG via 'cover' bedrijven in Irak. 11.14 Uit de verklaringen van verdachte blijkt dat hij sinds 1978 in Irak heeft gewoond en vrij kort na het begin van de oorlog tussen Iran en Irak in 1980 weer uit Irak is vertrokken. Korte tijd later is verdachte nog even terug geweest in Irak om op verzoek van Iraakse autoriteiten een schaderapport op te maken van gebombardeerde technische installaties. Verdachte was op de hoogte van het feit dat Iran en Irak sedert eind 1980 oorlog voerden. De ex-echtgenote van de verdachte [betrokkene 12] verklaart op 4 mei 2005 tegenover de rechter-commissaris: "[Verdachte] volgde het hele wereldgebeuren. [Verdachte] en ik spraken regelmatig over de gebeurtenissen in Irak, omdat Irak een deel van ons leven was geworden. Toen we in Italië en Zwitserland woonden keken we veel naar nieuws op de televisie. Ook in Singapore keek [verdachte] naar het nieuws op de televisie." De verdachte heeft voorts op 7 januari 2005 (C.1.b.7) verklaard - zakelijk weergeven -: het verhaal van de Koerden kwam altijd voor in de oorlog in Irak. In het begin was het een oorlog tussen Irak en Iran. 11.15. Elders in dit arrest wordt ingegaan op de vraag of het door verdachte geleverde TDG gebruikt kan zijn bij de in de bewezenverklaring genoemde luchtaanvallen. Het antwoord op die vraag luidt bevestigend. 11.16. In de wetenschap van de verdachte dat zijn leveringen van TDG dienden voor de productie van mosterdgas in een land dat in een langdurige oorlog was verwikkeld met een buurland en dat getracht werd de levering van een precursor van dat gas en de productie van dat gifgas zelf zoveel mogelijk te verheimelijken ligt naar het oordeel van het hof mede besloten verdachtes wetenschap dat dat mosterdgas door Irak gebruikt zou worden in de oorlog die Irak voerde tegen en in Iran en tegen de bondgenoten, dan wel degenen die als zodanig beschouwd werden, van Iran voorzover zij ook met het Iraakse regime in Irak zelf in een gewapend conflict waren, zoals dat gebruik van mosterdgas zich ook daadwerkelijk gerealiseerd heeft. Het hof wijst er in dit verband op dat de verdachte rechtstreekse, en in een enkel geval langdurige, contacten had met vooraanstaande personen bij de productie van mosterdgas in Al Muthanna. Door zijn welbewuste bijdrage aan de productie van mosterdgas in een oorlogvoerend land wist de verdachte in de gegeven omstandigheden dat hij gelegenheid en middelen verschafte voor het daadwerkelijk gebruik van dat gas, in die zin dat hij zich er (terdege) van bewust was dat dat gebruik na de productie van dat mosterdgas volgens de normale loop der dingen, niet kon en zou uitblijven. Iets anders gezegd: de verdachte was zich er (terdege) van bewust dat dat gas bij een normale gang van zaken - 'in the ordinary cause of events' - gebruikt ging worden. Het hof gaat er daarbij vanuit dat ook de verdachte, in weerwil van het door hem omtrent zijn kennis daarover verklaarde, bekend was met het - ook toen alom bekende - niets en niemand ontziende karakter van het toenmalige regime in Irak. Het hof merkt voorts nog op dat uit niets kan blijken dat de productie van mosterdgas waaraan verdachte een belangrijke bijdrage leverde, slechts diende en bestemd was voor opslag of enig ander gebruik dan aanwending in de oorlogsvoering. Het hof overweegt daarbij - wellicht ten overvloede - dat normaliter producten geproduceerd worden met het oog op enig gebruik daarvan. Dat de verdachte kon menen dat het mosterdgas alleen voor opslag ("Stockpiling") zou worden gebruikt acht het hof geenszins aannemelijk geworden. Het enig denkbare doel daarvan zou hebben kunnen zijn het openlijk ter beschikking houden daarvan met het oog op afschrikking van de (potentiële) vijand ("deterrence"), maar ook dat acht het hof geenszins aannemelijk geworden, mede gelet op de omstandigheid dat juist angstvallig getracht werd het chemisch wapenprogramma geheim te houden, hetgeen de verdachte, in het bijzonder gelet op zijn wetenschap omtrent het gebruik van 'covernames' bekend was. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte, gezien ook het hierna onder het hoofd 'causaliteit' overwogene, - samen met anderen - opzettelijk gelegenheid en middelen verschaft tot het in de bewezenverklaring omschreven handelen van de in die bewezenverklaring aangeduide personen. Gelet op al het vorenoverwogene is de verdachte aldus opzettelijk medeplichtig geweest aan dat handelen. 11.17 Het hof leidt mede uit de omstandigheid dat in een bericht van [betrokkene 1] d.d. 6 mei 1988 (H10/4750) aan een zekere [betrokkene 13] in Amerika omtrent de zaken met '[verdachte]' (hof: verdachte) onder meer vermeld staat: "he is anxiousely wishing to make shipment of 10 Ctrs T.H.D. (hof: TDG) cargoes due to his clients are causing Materials Short Supply" en dat door verdachte op 8 december 2004 (C.1.b.4) daaromtrent verklaard is: "dat hij het zo genoemd heeft" af dat verdachte op dat moment (6 mei 1988) nog TDG wilde leveren. Dat moment viel ruim na de aanval d.d. 16 maart 1988 op Halabja, waaromtrent verdachte op 2 5 mei 2005 (C.1.b.8) verklaarde dat hij "na maart 1988 diep geschokt was". Mede hieruit leidt het hof af dat de verdachte zich welbewust niet door hem bekende verschrikkingen van aanvallen met gif- dan wel mosterdgas liet weerhouden TDG aan Irak te leveren. Het hof merkt hierbij nog op dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hem het gebruik van mosterdgas in de eerste wereldoorlog en de gevolgen daarvan al langer bekend waren. Het hof acht geenszins aannemelijk geworden dat de verdachte - zoals door hem en zijn raadslieden betoogd - zich tegenover [betrokkene 1] en de leveranciers op slinkse wijze en al trainerend aan deelname aan verdere leveringen trachtte te onttrekken. Naar het oordeel van het hof had de verdachte, zo hij dat gewild zou hebben, immers kunnen volstaan met de simpele mededeling dat hij niet meer meewerkte aan verdere leveringen. 11.18 Tot de overtuiging van het hof dat de verdachte, in de wetenschap dat het door hem geleverde product voor de productie van een strijdmiddel werd gebruikt en ongeacht het met zekerheid te verwachten gebruik en de gevolgen daarvan, de grondstof voor mosterdgas TDG aan Irak leverde, werkt mede de omstandigheid dat de verdachte naar het oordeel van het hof op vele punten omtrent zijn handelen en wetenschap terzake, zoals op het punt van de eindbestemming en het gebruik van TDG voor de productie van mosterdgas, ongeloofwaardig en kennelijk leugenachtig heeft verklaard. 11.19 Het hof merkt hier reeds op dat naar zijn oordeel het opzet van de verdachte met betrekking tot het onder 1 subsidiair tenlastegelegde handelen zich niet uitstrekte tot de omstandigheid dat dat handelen een uiting is geweest van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen een bepaalde groep van de bevolking. Het hof neemt hierbij het in artikel 49 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht bepaalde in aanmerking. 12. Bewijsoverwegingen met betrekking tot de 'causaliteit' 12.1.1 Inleiding 12.1.1 Op grond van het hiervoor overwogene staat vast dat de verdachte in de jaren 1985 en volgende Thiodiglycol (TDG) aan Irak heeft geleverd, in de wetenschap dat deze stof een precursor voor mosterdgas is. Naar 's hofs oordeel is de verdachte zich er bovendien minstgenomen van bewust geweest dat het in de lijn der verwachting lag dat het gemaakte mosterdgas op het slagveld zou worden ingezet, niet alleen in het internationale gewapende conflict waarin Irak en Iran al enkele jaren met elkaar waren verwikkeld, maar ook tegen de Koerden in eigen land die de zijde van Iran hadden gekozen en zich aldus in het conflict hadden gemengd. Voor de beoordeling van het tenlastegelegde verwijt - medeplichtigheid aan schending van de wetten (en gebruiken) van de oorlog door de machthebbers in Irak door hen de genoemde precursor TDG te leveren - is het van belang om te bepalen welke rol verdachtes leveranties hebben gespeeld bij de productie van mosterdgas en de daadwerkelijke inzet van met dat gas gevulde munitie op de in de tenlastelegging genoemde plaatsen en tijdstippen. 12.1.2 Over het antwoord op deze vraag is uitvoerig gerapporteerd door de door de rechter-commissaris ingeschakelde getuige-deskundige [A], die zowel in eerste aanleg als in hoger beroep ook ter terechtzitting is gehoord. [A] had ook al in een eerder stadium het opsporingsteam bijstand verleend bij het onderzoek naar met deze materie verband houdende vragen. Hierna zal vooral worden verwezen naar het 'Rapport' van 10 november 2005 en het 'Aanvullend rapport' van 3 december 2005 van de getuige-deskundige. [A] onderscheidt in zijn rapportages ten gronde twee scenario's, één rekenkundig scenario op basis van een stoffenbalans, welk scenario hij zelf als 'extreem' omschrijft, naast een in zijn ogen veel plausibeler 'mengscenario'. 12.1.3 De verdediging heeft op deze rapportages vele punten van kritiek geformuleerd die enerzijds betrekking hebben op de betrouwbaarheid van het onderzoek en de daarbij gebruikte cijfermatige gegevens en aannames en anderzijds op de deskundigheid van [A] die zij bovendien niet onpartijdig acht. Dienaangaande merkt het hof vooraf op dat de verdediging ten aanzien van de hierboven geformuleerde vraag naar het verband tussen de leveranties door de verdachte en de munitie die is gebruikt, eisen lijkt te stellen die geen steun vinden in het recht. Het hof zal op de wél te stellen eisen ingaan na de bespreking van de bevindingen van [A], maar wijst er reeds thans op dat van een rekenkundig sluitend 'bewijs', op basis van harde gegevens die als het ware in een (actuele) laboratoriumsituatie met grote nauwkeurigheid door meting zijn vastgesteld, geen sprake is en - gelet op de verschillende ongewisheden - ook geen sprake kan zijn. In 's hofs visie is een 'mathematisch bewijs' ook niet vereist. Het hof wijst bovendien verwijten van partijdigheid van de hand. De verdediging 'onderbouwt' dat verwijt met de enkele omstandigheid dat de getuige-deskundige tijdens het opsporingsonderzoek 'bijstand' aan de politie heeft verleend. Bovendien werd [A] ter terechtzitting in hoger beroep geconfronteerd met een rapport waaruit zou kunnen worden afgeleid dat vanuit het Verenigd Koninkrijk leveringen van TDG hebben plaatsgevonden die hem tot dan onbekend waren. Het openbaar ministerie heeft hem toen verzocht dat uit te zoeken, waardoor [A], aldus de verdediging, weer 'van kleur verschoot' en van (onafhankelijke) deskundige weer deel van het onderzoeksteam ging uitmaken. Nog daargelaten dat nadere rapportage van [A] op laatstbedoeld punt is uitgebleven vermag het hof niet in te zien dat [A] door dat verzoek van het openbaar ministerie niet onmiddellijk af te wijzen, partijdig zou worden. Zijn nadere bevindingen hadden immers ter terechtzitting ter discussie kunnen worden gesteld en de verdediging had de gelegenheid gekregen hem daarover te bevragen. Die gelegenheid heeft de verdediging tot drie maal toe gehad; bij geen van die gelegenheden is ook maar iets naar voren gekomen dat een indicatie voor de gestelde partijdigheid zou kunnen vormen. Dat verwijt mist derhalve elke grondslag. 12.1.4 Naar aanleiding van de kritiek (in algemene zin) van de verdediging op de betrouwbaarheid van het uitgevoerde onderzoek en de daarbij gehanteerde methode(
- n)wijst het hof op het navolgende. De rechter-commissaris heeft de getuige-deskundige in essentie de vraag voorgelegd of op basis van het dossier kan worden vastgesteld, vanaf welk moment het door Irak ingezette mosterdgas met de door de verdachte geleverde TDG moet zijn vervaardigd en welke factoren daarbij van belang zijn. Die vraagstelling verlangt een zo exact mogelijk antwoord, waartoe [A] heeft beproefd een 'stoffenbalans' op te stellen en op basis daarvan de gestelde vraag zo nauwgezet mogelijk benaderend te beantwoorden. Hij heeft daarbij zijn onderzoek gericht op gegevens vanaf begin 1980 omtrent de aan Irak geleverde precursoren, de daarvan vervaardigde hoeveelheden mosterdgas en de inzet van met mosterdgas gevulde munitie op het slagveld. Zijn uiteindelijke conclusies zijn gebaseerd op de bedoelde 'stoffenbalans' van beschikbare precursoren, verlies tijdens de opeenvolgende fasen van het productie- en gebruiksproces en de eindsituatie die na het staakt het vuren in de zomer van 1988 aan het einde van dat jaar was bereikt. Daarbij heeft hij tal van onderbouwde 'aannames' gedaan, zoals met betrekking tot de betrouwbaarheid en volledigheid van de kwantitatieve gegevens waarover hij kon beschikken, de afwezigheid van een reële alternatieve bestemming van de TDG (die op zichzelf een 'dual capable', namelijk ook in de textielindustrie te gebruiken grondstof is), de concentratie van de productie van mosterdgas op één plaats (El Muthanna State Establishment) en het onvermogen van Irak om zelf in die jaren de relevante precursor voor mosterdgas te vervaardigen. 12.1.5 Op de betrouwbaarheid en volledigheid van de bij deze 'stoffenbalans' gebruikte gegevens en de deskundigheid van [A] op dat punt gaat het hof hierna in. Met betrekking tot de overige kwaliteiten van de getuige-deskundige wijst het hof op het navolgende. Op zichzelf heeft de verdediging gelijk dat de academische opleiding van [A] niet (mede) gericht is geweest op de bedrijfskundige of procesmatige benadering van de aan de orde zijnde (batchgewijze) synthetische productie van nieuwe chemische stoffen uit grondstoffen ([A] is óók geen chemicus of chemisch ingenieur) en dat hij niet over bijzondere wiskundige of statistische kwalificaties beschikt. Dat is echter geen reden om zijn analyse en conclusies als onbetrouwbaar terzijde te schuiven. Naar 's hofs oordeel ligt de gehanteerde methode bepaald voor de hand, is zij transparant en als model eenvoudig toe te passen en is er geen sprake van rekenmethoden die een specifieke deskundigheid vergen: statistiek is bijvoorbeeld een in dit onderzoek niet toegepaste methode (in voetnoot: Zulks laat onverlet dat bijvoorbeeld UNSCOM-gegevens met betrekking tot tijdens het productie- en gebruiksproces optredende verliezen heel wel op statistische bewerkingen kunnen zijn gebaseerd). Het hof wijst er daarbij op dat de verdediging bij haar kritiek op de bevindingen van [A] het gehanteerde model tot uitgangspunt heeft genomen en op de methode zelf géén kritiek heeft uitgeoefend. Het hof is niet gebleken dat de verdediging aanleiding heeft gezien een methodoloog te vragen een contra-expertise op de aanpak door [A] in dat opzicht te doen, dan wel het hof heeft gevraagd zulks te laten doen. Het hof heeft het verzoek de hierna nader te noemen prof. Elffers te horen niet in die sleutel opgevat. De bezwaren van de verdediging met betrekking tot een gebrek aan deskundigheid van [A] worden derhalve door het hof niet gedeeld. De omstandigheid dat de getuige-deskundige aanleiding vond om zijn aanpak en inzichten (op bepaalde punten) te toetsen aan die van een statistisch en methodologisch specialist (want zo kan prof. dr. H. Elffers die is verbonden aan het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving worden aangemerkt) kan aan [A] niet worden tegengeworpen; zij getuigt in de visie van het hof slechts van een gezonde zelfkritische houding. Nu redelijkerwijs valt uit te sluiten dat [A] een eventuele afwijkende visie van Elffers (ten onrechte) naast zich heeft neergelegd, is op geen enkele wijze van enige noodzaak gebleken om Elffers alsnog als getuige (-deskundige) te horen. Het daartoe strekkende (herhaalde) verzoek van de verdediging wordt derhalve afgewezen. 12.1.6 Ten aanzien van de gegevens die bij het opstellen van bovenbedoelde 'stoffenbalans' zijn gebruikt en [A]s deskundigheid op dat punt overweegt het hof het navolgende. De bijzondere kwalificaties van genoemde getuigedeskundige op dit punt berusten mede op het gegeven dat [A] verbonden is geweest aan de "United Nations Special Commission" (UNSCOM) die vanaf 1991 was belast met de "immediate on-site inspections of Iraq's biological, chemical and missile capabilities", vanaf 1993 als één van de drie chemische adviseurs van de leiding van UNSCOM. Ook aan de opvolger in 1999 van deze organisatie, de "United Nations Monitoring, Verification and Inspection Commission" (UNMOVIC) is hij nog enige tijd verbonden geweest. Eén van de taken van UNSCOM is geweest het toetsen van de gegevens die door Irak in het kader van de "Full Final and Complete Disclosure" (FFCD (in voetnoot: In het navolgende zal het hof verwijzen naar de versie van deze rapportage van 5 november 1995, die zich (gedeeltelijk, ook vertaald) in het dossier bevindt (H20).) aan de Verenigde Naties werden verstrekt. Die toetsing vond langs verschillende wegen plaats. Het hof noemt hier de eigen bevindingen gedurende acht jaar van 2000 UNSCOM-inspecteurs, naast de zeer vele Iraakse documenten: de zogenoemde 'chickenfarm'-documenten die door Irak ter hand zijn gesteld, de documenten die door UNSCOM bij het uitgraven van het (gebombardeerde) MSE werden aangetroffen en de gegevens die van de Iraakse Centrale Bank afkomstig waren. Maar ook een aantal lidstaten van de Verenigde Naties heeft desverzocht relevante gegevens verstrekt. Het is primair op basis van al deze gegevens waarover UNSCOM kon beschikken, die door onderlinge vergelijking vergaande toetsing van de door Irak verstrekte gegevens mogelijk maakten, dat [A] zijn conclusies heeft getrokken. Daarnaast heeft hij gebruik kunnen maken van de verklaringen van getuigen die bij het chemische wapenprogramma in Irak waren betrokken en/of hadden meegewerkt aan het opstellen van de FFCD. Een aantal van deze getuigen is ook door de rechter-commissaris gehoord. Een laatste categorie gegevens ten slotte kon worden ontleend aan de door de Verenigde Staten overgedragen documenten uit het aldaar in Baltimore ingestelde onderzoek. Ten slotte verdient vermelding dat volgens [A] de Iraki's de gegevens met betrekking tot het mosterdgasprogramma openhartig hebben verstrekt; er is dus geen aanleiding om aan te nemen dat van hun kant welbewust belangrijke gegevens zijn achtergehouden of vervalst. Aldus verklaart ook de getuige [getuige 1]. 12.1.7 Met behulp van al deze, ook kwantitatieve gegevens, heeft [A] beproefd op basis van tussenconclusies in zijn rapport het antwoord op de hem door de rechter-commissaris gestelde vragen onderbouwd te benaderen. Tussenconclusies en antwoord hebben, zoals het hof eerder al opmerkte, geen mathematische hardheid. Anders dan de verdediging stelt, is echter op basis van de tussenconclusies wel degelijk een kwalitatieve beantwoording van de gestelde vragen mogelijk. Zoals het hof hierboven al aangaf zijn de gegevens waarvan [A] gebruik maakte uiteindelijk mede aan de bevindingen van UNSCOM ontleend en kan ten aanzien van die bevindingen worden vastgesteld dat zij, mede door het gebruikmaken van tal van verschillende 'bronnen', in kwalitatief opzicht een hoge mate van betrouwbaarheid hebben. Zo kan in reactie op de kritiek op de betrouwbaarheid van de gegevens met betrekking tot de door derden in de jaren tachtig geleverde grondstoffen voor chemische wapens - die gegevens zouden uitsluitend zijn gebaseerd op de in de FFCD genoemde Letters of credit, welke opgave afhankelijk was van het geheugen van een zekere Faisal - worden vastgesteld dat die gegevens wél zijn gelegd naast gegevens van de Centrale Bank van Irak en de 'Baltimorepapers', zoals [A] in noot 10 op pagina 18 van zijn rapport vermeldt. In het door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep ingebrachte rapport van juli 1991 "Exports to Iraq, Memoranda of Evidence" van de Trade and Industry Committee van het House of Commons in Londen (dat blijkens zijn inhoud kennelijk in de sleutel van "the Iraqi long range gun project" stond) vindt de verdediging een aanknopingspunt voor de stelling dat de FFCD-gegevens kennelijk incompleet zijn. Uit het overzicht in Annex F op pagina 49 van dat rapport blijkt immers dat vanuit het Verenigd Koninkrijk in 1988 voor een tegenwaarde van £ 154.920 en in 1989 voor £ 33.639 chemicaliën, waaronder Thiodiglycol, aan Irak zijn geleverd. En die leveranties zijn niet in de FFCD-gegevens, noch in het rapport van [A] terug te vinden. Het hof onderkent dat deze door de verdediging ingebrachte 'bron' (waarvan de gegevens overigens door een tweede rapport uit november 1991 "Export to Iraq, minutes of evidence" van The Department of Trade and Industry enigszins lijken te worden gerelativeerd) afbreuk aan de hardheid van de bedoelde gegevens lijkt te doen, ook al is in de UNSCOM-documenten kennelijk geen papieren spoor van (een) dergelijke leverantie(
- s)aanwijsbaar. Daarmee worden de gegevens uit het Rapport echter geenszins van nul en generlei waarde voor de beoordeling van verdachtes rol in het Iraakse chemische wapenprogramma. Het hof komt hierop terug na de bespreking van de belangrijkste bevindingen van [A]. Het hof acht het niet noodzakelijk de journalist Fisk over het Engelse rapport (dat hij in een voetnoot noemt) te (doen) horen. Zou al nader onderzoek nodig zijn, dan zou het meer in de rede liggen dat via The Department of Trade and Industry in gang te zetten. Aan zodanig onderzoek heeft het hof echter geen behoefte. Op vele andere vraagpunten die afbreuk zouden kunnen doen aan de betekenis van zijn bevindingen heeft [A], laatstelijk ter terechtzitting in hoger beroep eenduidige antwoorden gegeven. Zo valt uit te sluiten dat noemenswaardige hoeveelheden TDG voor niet-militaire doeleinden zijn gebruikt. Zo is er geen enkele reden om aan te nemen dat in de aan de orde zijnde periode op andere plaatsen dan (Al Rashad
- en)Al Muthanna met TDG als grondstof mosterdgas werd gemaakt en in munitie verwerkt, dan wel (relevante hoeveelheden) TDG, mosterdgas of munitie elders werden opgeslagen, ook al kan [A] zulks niet (met volstrekte zekerheid) uitsluiten. In de bedoelde periode is Irak weliswaar begonnen met het opzetten (in Falujah) van een eigen chemische fabriek, maar deze is voor de aan de orde zijnde kwestie zonder betekenis, aldus [A]. Ten slotte hebben de gegevens met betrekking tot het gebruik van met mosterdgas gevulde granaten en bommen een hoge betrouwbaarheid op basis van de daarvan opgemaakte (geleide)documenten. In 's hofs visie is er geen enkele reden om de (onderbouwd) kwantitatief geformuleerde bevindingen van [A], met inachtneming van de hiervoor aangegeven gronden voor zekere terughoudendheid, niet te benutten voor een meer kwalitatieve beoordeling van het aandeel van de verdachte in de productie van mosterdgas door Irak. 12.1.8 Alvorens op de belangrijkste bevindingen van [A] in te gaan wijst het hof erop dat aan de verdachte óók wordt verweten dat hij ook andere precursoren dan TDG heeft geleverd (zoals fosforoxychloride (POCl3) dat een precursor voor het zenuwgas tabun zou zijn), dat hij materialen ten behoeve van de opbouw van (een) fabriek(
- en)voor de vervaardiging van chemische strijdmiddelen heeft geleverd en advies heeft uitgebracht voor de fabricage van dergelijke strijdmiddelen. Het openbaar ministerie heeft in zijn requisitoir (p. 74 en 78/79) het standpunt ingenomen dat ook dit medeplichtige handelen bewezen dient te worden verklaard. Het hof stelt echter vast dat de relevantie voor enig chemisch wapenprogramma van de gestelde levering van materialen en het uitbrengen van adviezen (en daarmee: voor de gestelde medeplichtigheid) volstrekt onvoldoende steun in het dossier vindt en ook niet in het requisitoir is onderbouwd. Met betrekking tot geleverde chemicaliën blijkt uit het met steun van [A] opgemaakte proces-verbaal d.d. 3 januari 2005 (F40, p. 14) dat - kort samengevat - de op dat moment beschikbare gegevens niet de conclusie kunnen dragen dat door de verdachte geleverde fosforoxychloride is gebruikt bij de productie van op het slagveld ingezette munitie met tabun. Weliswaar heeft de verdachte een ruim aandeel gehad in de levering van deze grondstof. Ten opzichte van de totale hoeveelheid geleverde precursor is de productie van dit gifgas (uitsluitend in de jaren 1984 tot en met 1986) echter beperkt geweest: na de oorlog is meer dan de helft van de tijdens de oorlog door de verschillende partijen geleverde fosforoxychloride vernietigd. Ook is één derde van de geproduceerde tabun vernietigd (en dus niet in munitie 'verwerkt'). Nadere gegevens zijn na het uitbrengen van het proces-verbaal F40 niet aan het dossier toegevoegd, terwijl deze precursor ook niet in het verdere onderzoek en de rapportage door [A] is betrokken. Datzelfde geldt voor andere in het dossier genoemde chemicaliën, zoals trimethylfosfiet (TMP) dat een grondstof voor het zenuwgas sarin zou zijn. Bij deze stand van zaken dient de verdachte bij gebreke van overtuigend bewijs van de strafrechtelijke relevantie van de hier bedoelde leveranties te worden vrijgesproken en zal het hof zich concentreren op door de verdachte geleverde TDG en zijn betekenis voor de productie en het gebruik van mosterdgas in de tenlastegelegde periode (19 april 1984 tot en met 25 augustus 1988). Zulks brengt naar 's hofs oordeel noodzakelijkerwijs mee dat de verdachte ook moet worden vrijgesproken van enige medeplichtige betrokkenheid bij aanvallen met chemische wapens door het Iraakse regime waarvan niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat daarbij mosterdgas is gebruikt. Het gaat daarbij om de aanvallen op of in de omgeving van Abadan (Iran, februari 1986, Zewa en Birjinni (beide plaatsen in Irak, augustus 1988). 12.2. Het rekenkundig scenario: de 'stoffenbalans' met betrekking tot Thiodiglycol 12.2.1 In zijn rapportage heeft [A] de betekenis van de door de verdachte geleverde TDG in dit scenario benaderd met behulp van de boven kort aangeduide stoffenbalans. Daarbij heeft hij een aantal, deels hiervoor al aangestipte uitgangspunten gehanteerd die als volgt - (mede) op basis van zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep kort samengevat - kunnen worden weergegeven:
- a)aan het begin van de jaren tachtig bevond het Iraakse chemische wapenprogramma zich nog in een 'laboratoriumfase'. De voorraad voor het vervaardigen van mosterdgas benodigde precursor TDG kan daarom gevoegelijk op nul worden gesteld;
- b)Al Muthanna State Establishment (MSE) was de enige locatie waar (in ieder geval na 1983 en tot en met 1988) het syntheseproces tot mosterdgas plaatsvond en TDG (de enige gebruikte precursor voor mosterdgas, naast een chloordonor), mosterdgas en munitie gevuld met mosterdgas waren opgeslagen;
- c)het staat wel vast dat Irak in deze periode zelf géén TDG in relevante hoeveelheden kon vervaardigen en dat van 'dual use' van de geïmporteerde TDG geen sprake is geweest;
- d)de door UNSCOM getoetste en zo nodig aangepaste cijfers m.b.t. het productieproces van mosterdgas en de inzet op het slagveld (op basis van cijfers van de Iraakse strijdkrachten) hebben een hoge graad van betrouwbaarheid;
- e)naast enkele 'incidenten' die tot het verloren gaan van aanmerkelijke hoeveelheden mosterdgas leidden, zijn er betrouwbare ervaringsgegevens over het verliespercentage van grondstof en eindproduct in de loop van het productie- en gebruiksproces;
- f)ook de gegevens omtrent voorraden in de jaaropgave over 1988 van MSE zijn alleszins betrouwbaar;
- g)er kan gevoegelijk van uit worden gegaan dat eind 1988, vier maanden na het begin van het staakt het vuren, alle niet-gebruikte munitie naar MSE was teruggebracht. 12.2.2 Omtrent de levering van TDG na 1980 geeft de FFCD (p. 19; Rapport p. 18) het navolgende overzicht van de Letters of credit (LC) inzake te leveren TDG. Uit dit overzicht blijkt dat
- a)vanaf 1982 LC's tot levering van in ieder geval een totale hoeveelheid van 3.225 ton TDG door Irak zijn uitgegeven;
- b)1.825 ton betreft LC's aan andere bedrijven dan van de verdachte; de laatste LC waarbij het om een andere leverancier dan de verdachte gaat, betreft het jaar 1983;
- c)op basis van de verklaringen van de getuige [getuige 1] moet worden aangenomen dat leveranties op basis van deze LC's uiterlijk in de loop van 1984 hun beslag kregen;
- d)vanaf 1985 is een drietal LC's, betreffende een totaalgewicht van 1.400 ton, uitgegeven ten behoeve van bedrijven van de verdachte;
- e)het gaat hierbij om de LC's met de navolgende nummers, hoeveelheden TDG en telkens het betrokken bedrijf van de verdachte: nummer LC gewicht bedrijf 85/3/579 400 ton Companies 87/3/232 350 ton Companies 87/3/2790 650 ton [...] 12.2.3 In het "Proces-verbaal m.b.t. de leveranties van diverse chemicaliën aan Irak" d.d. 5 december 2005 (F90) zijn op basis van de daarop betrekking hebbende documenten, zoals vrachtbrieven en bancaire betalingsgegevens, de verschillende leveranties door de verdachte van TDG aan Irak en de tijdstippen waarop die plaatsvonden, geïnventariseerd (vgl. Rapport p. 19 Tabel 1B). Uit dit proces-verbaal valt - voor zover in het kader van deze overwegingen van belang - af te leiden dat
- a)de eerste zending (nr. 7, onder de eerstgenoemde LC) door de verdachte geleverde (uit Japan afkomstige) TDG (48.180
- kg)op 31 mei 1985 in Osaka is geladen (met bestemming Triëst in Italië) en in de tweede helft van juni 1985 is betaald;
- b)zowel in 1985 als in 1986 zendingen met in beide jaren een totaalgewicht van 192.720 kg TDG uit Japan zijn verscheept;
- c)in 1987 uit de Verenigde Staten in totaal rond 366.600 kg TDG in opdracht van de verdachte naar Irak is verscheept;
- d)in de eerste twee maanden van 1988 in een drietal ladingen met een totaalgewicht van rond 364.000 kg TDG vanuit de Verenigde Staten in opdracht van de verdachte naar Irak is verscheept;
- e)bij alle zendingen bij elkaar gaat het om een gewicht van ruim 1.116 ton TDG. Van de derde LC (87/3/2790), die 650 ton TDG betreft, kan slechts worden vastgesteld dat daadwerkelijk tot een totaalgewicht van 364 ton is geleverd. Deze gegevens, ontleend aan F90, bewijzen dat de verdachte in de periode van medio 1985 tot en met februari 1988 in ieder geval 1.116 ton TDG daadwerkelijk aan Irak heeft geleverd. Vergeleken met de gegevens met betrekking tot de LC's, met een totaal van 1.400 ton (2.2), ontbreekt dergelijk bewijs van de daadwerkelijke levering van 284 ton TDG. Hoewel het dossier verklaringen bevat waaruit valt af te leiden dat de verdachte wel degelijk 1.400 ton heeft geleverd (maar onduidelijkheid bestaat over het tijdstip waarop), zal het hof uitgaan van de levering van 1.116 ton, hetgeen ten voordele van de verdachte is. 12.2.4 Uit de door [A] in zijn Rapport (p. 32 ev., Tabel 5A, 5B) opgenomen cijfers valt de jaarlijkse inzet op het slagveld van met mosterdgas (MG) gevulde munitie af te leiden; deze cijfers berusten op de militaire, in documenten neergelegde gegevens inzake de inzet van wapens, in samenhang met de 'payload' mosterdgas per granaat of vliegtuigbom (Rapport p. 30). De (UNSCOM-) cijfers over het aldus berekende en in tabel 5B van het Rapport vermelde totale verbruik van mosterdgas per jaar worden hieronder weergegeven. Tevens worden de productiecijfers van mosterdgas in dat jaar vermeld, op basis van Rapport p. 8/9 en 21. jaar 1981-83 1984 1985 1986 1987 1988 MG-munitie 35 198 238 334 793 765 MG-productie 233 240 345 250 1000 500 12.2.5 Ten slotte is het mogelijk om de 'eindvoorraden' mosterdgas (mede in niet-gebruikte munitie) en TDG eind december 1988 te bepalen en wel op basis van de gegevens die zijn opgenomen in het Jaarverslag MSE 1988 en de - in een laat stadium ter beschikking van [A] gekomen - gegevens omtrent de 'eindvoorraad' TDG op 20 december 1988. Een en ander levert de navolgende cijfers op, waarbij de eindvoorraad munitie is 'teruggerekend' naar de daarvoor benodigde TDG, via de payload en de in het Rapport (p. 22) opgenomen gewichtsverhoudingen. Rekening houdend met verlies levert 1 ton TDG 0,975 ton bulk mosterdgas op en 0,925 ton mosterdgas in munitie. In casu was de payload van de eind 1988 aangetroffen munitie 120.200 kg, hetgeen overeenkomt met 129.900 kg TDG. De (bulk)voorraad mosterdgas was eind 1988 32.300 kg, overeenkomend met 33.100 kg TDG. In totaal was derhalve mosterdgas met een equivalent van 163.000 kg TDG eind 1988 op MSE aanwezig. De getuige-deskundige heeft uit later ter beschikking gekomen gegevens met betrekking tot de verpakkingsmaat de conclusie getrokken dat de TDG die op dat moment nog in MSE aanwezig was, niet van de verdachte afkomstig kan zijn geweest. Hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd dat bij de berekening zoals die in zijn Aanvullend rapport is opgenomen nog verdisconteerd moet worden de eindvoorraad mosterdgas zoals hiervoor weergegeven. 12.2.6 De vorenstaande gegevens leveren de navolgende uitkomsten op:
- a)in een scenario, waarin de door de verdachte geleverde TDG als laatste in mosterdgas is verwerkt, kan op basis van (in essentie) door anderen geleverd TDG en de inzet van mosterdgas-munitie worden berekend dat met TDG van de verdachte vervaardigde munitie uiterlijk eind 1987 is gebruikt (Rapport p. 36). Blijkens het aanvullend rapport moet echter rekening gehouden worden met relatief hoge productieverliezen in de eerste jaren (tot 30%). Die zouden ertoe geleid kunnen hebben dat TDG van de verdachte al maanden eerder moest worden gebruikt;
- b)het scenario dat in het aanvullend rapport wordt geschetst, uitgaande van de veronderstelling dat alle TDG die door de verdachte is geleverd eind 1988 op was, komt erop uit dat de TDG van de verdachte in 1987 al een groot aantal maanden eerder moest worden ingezet. [A] heeft ter terechtzitting in hoger beroep echter bevestigd dat bij die berekening ook nog rekening gehouden zou moeten worden met de restvoorraden TDG, mosterdgas en munitie op dat moment. Indien men dat doet, komt men eveneens eind 1987 uit. 12.3. Het mengscenario Een fundamenteel ander, in de ogen van [A] niet 'extreem', maar meest realistische scenario is, dat om een aantal redenen al kort na de eerste levering van TDG door de verdachte hoeveelheden daarvan, vermengd met hoeveelheden van 'derden' bij de productie van mosterdgas zijn gebruikt en dat dit mosterdgas betrekkelijk kort nadien in munitie terecht is gekomen en deze munitie ook daadwerkelijk is gebruikt. Dit mengscenario berust op de navolgende door [A] in zijn rapport respectievelijk ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven overwegingen.
- a)bij het magazijnbeheer was geen sprake van een first in first out scenario, noch van een first in last out scenario, zulks mede op grond van het gegeven dat de containers met TDG met het oog op luchtaanvallen overal over het terrein verspreid stonden. De TDG die voorhanden was werd gebruikt;
- b)blijkens de in het rapport van [A] (p.27/28) weergegeven verklaringen op dat punt werd de TDG na aankomst betrekkelijk snel bij de productie van mosterdgas gebruikt;
- c)afhankelijk van de grootte van de batch die moest worden gemaakt, werden corresponderende verpakkingen TDG erbij gezocht;
- d)vermenging was ook nodig om de beoogde kwaliteit van het mosterdgas te bewerkstelligen;
- e)na productie werd mosterdgas in opslagtanks opgeslagen, waardoor eveneens vermenging ontstond. In dit scenario valt aan te nemen dat TDG van de verdachte in de loop van het derde kwartaal van 1985 (Rapport p. 28, anders tz
- hb)in munitie met mosterdgas terecht is gekomen. 12.4. Juridisch beoordelingskader Bij de aan de orde zijnde leveringen van TDG aan het Iraakse regime gaat het om de vraag of de verdachte (met zijn mededader(s)) daarmee "gelegenheid en/of middelen" heeft verschaft tot het plegen van de in de tenlastelegging genoemde aanvallen in 1987 en 1988 op de genoemde plaatsen in Irak en Iran. Artikel 48 van het Wetboek van Strafrecht duidt niet nader aan welk belang de geboden gelegenheid en/of verschafte middelen moet(
- en)hebben gehad voor het gepleegde misdrijf. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat niet is vereist dat de verleende hulp onontbeerlijk was (HR 15-12-1987 NJB 1988.99) of een adequate causale bijdrage aan het gronddelict heeft geleverd (HR 8-1-1985 NJ 1988.6). Voldoende is dat de hulp van de medeplichtige het misdrijf daadwerkelijk heeft bevorderd of het plegen daarvan gemakkelijker heeft gemaakt (HR 10-6-1997 NJ 1997.585 ten aanzien van het verstrekken van inlichtingen). Bezien vanuit internationaal strafrechtelijk perspectief zijn de eisen die aan de bijdrage van de "aider or abettor" worden gesteld niet wezenlijk zwaarder. 12.5. Conclusie Op grond van hetgeen hierboven werd vermeld, kan het navolgende worden vastgesteld:
- a)de verdachte heeft een belangrijk aandeel gehad in de levering aan het Iraakse regime van de precursor Thiodiglycol voor de vervaardiging van mosterdgas: tenminste 38% van deze in de jaren 1980 tot en met 1988 geleverde grondstof was van hem afkomstig. Indien inderdaad vanuit het Verenigd Koninkrijk in die jaren ook nog TDG aan Irak mocht zijn geleverd doet dat gegeven géén afbreuk aan de kwalificatie van verdachtes aandeel als 'belangrijk';
- b)toen leveranties van anderen uiterlijk in de loop van 1984 werden beëindigd, heeft de verdachte aldus tot het voorjaar van 1988 tenminste 1.116 ton van deze precursor geleverd;
- c)verdachtes eerste zending TDG is tegen de zomer van 1985 in Irak aangekomen; dat jaar leverde hij in totaal rond 197 ton. Het hof acht het op grond van hetgeen hierboven onder 12.3 werd overwogen alleszins aannemelijk dat in de loop van dat jaar ook van hem afkomstige TDG bij de productie is gebruikt en uiteindelijk als mosterdgas in munitie bij de in de tenlastelegging omschreven aanvallen is gebruikt. Doorslaggevend voor zijn medeverantwoordelijkheid voor de in de tenlastelegging genoemde aanvallen (voor zover daarbij mosterdgas werd ingezet) is het navolgende:
- d)vanaf 1985 was het regime voor de suppletie van de essentiële precursor TDG geheel afhankelijk van de leveranties van de verdachte;
- e)de voortgezette uitvoering van het verderfelijke beleid van dit regime, dat vanaf 1984 jaarlijks honderden tonnen van dit gifgas in de strijd meende te moeten gebruiken, was dus in beslissende mate zo niet geheel afhankelijk van die leveranties. Gelet op de cruciale betekenis die de leveranties TDG van de verdachte sedert 1985 voor het chemisch wapenprogramma van het regime hebben gehad is het hof van oordeel dat de verdachte (met de zijnen) medeplichtig is geweest door het verschaffen van gelegenheid en middelen aan de bewezenverklaarde aanvallen met mosterdgas in de jaren 1987 en 1988." 3. Toepasselijke verdrags- en wetsbepalingen 3.1. Verdragen 1. Het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) art. 7, eerste lid, alsmede het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) art. 15, eerste lid, luiden - in de Nederlandse vertaling - als volgt: "Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde." 2. Het op 12 augustus 1949 te Genève tot stand gekomen, zogenoemde Vierde Rode Kruis Verdrag betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd (Trb. 1951, 75) luidt - in de Nederlandse vertaling - als volgt: - Art. 3, eerste lid: "In geval van een gewapend conflict op het grondgebied van één der Hoge Verdragsluitende Partijen, hetwelk geen internationaal karakter draagt, is ieder der Partijen bij het conflict gehouden ten minste de volgende bepalingen toe te passen: 1. Personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen, met inbegrip van personeel van strijdkrachten dat de wapens heeft nedergelegd, en zij die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of enige andere oorzaak, moeten onder alle omstandigheden menslievend worden behandeld, zonder enig voor hen nadelig onderscheid, gegrond op ras, huidkleur, godsdienst of geloof, geslacht, geboorte of maatschappelijke welstand of enig ander soortgelijk criterium. Te dien einde zijn en blijven te allen tijde en overal ten aanzien van bovengenoemde personen verboden: a. aanslag op het leven en lichamelijke geweldpleging, in het bijzonder het doden op welke wijze ook, verminking, wrede behandeling en marteling; b. het nemen van gijzelaars; c. aanranding van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling; d. het uitspreken en tenuitvoerleggen van vonnissen zonder voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt, door de beschaafde volken als onmisbaar erkend." - Art. 146: "1. De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich alle benodigde wettelijke regelingen tot stand te brengen, nodig om doeltreffende strafbepalingen vast te stellen voor personen die één der ernstige inbreuken op dit Verdrag, omschreven in het volgend artikel, hebben gepleegd, dan wel bevel tot het plegen daarvan hebben gegeven. 2. Iedere Hoge Verdragsluitende Partij is verplicht personen die ervan verdacht worden één van deze ernstige inbreuken te hebben gepleegd, dan wel bevel tot het plegen daarvan te hebben gegeven, op te sporen en moet hen, ongeacht hun nationaliteit, voor haar eigen gerechten brengen. Zij kan hen ook, indien zij daaraan de voorkeur geeft, en overeenkomstig de bepalingen van haar eigen wetgeving, ter berechting overleveren aan een andere bij de vervolging belang hebbende Hoge Verdragsluitende Partij, mits deze Verdragsluitende Partij een met voldoende bewijzen gestaafde telastlegging welke een vervolging rechtvaardigt, tegen de betrokken personen inbrengt. 3. Iedere Hoge Verdragsluitende Partij zal maatregelen nemen, nodig om de met de bepalingen van dit Verdrag strijdige handelingen welke niet vallen onder de in het volgend artikel omschreven ernstige inbreuken, tegen te gaan. (...)." - Art. 147: "De ernstige inbreuken, bedoeld in het voorgaand artikel, zijn die welke één der volgende handelingen in zich sluiten, indien deze worden gepleegd tegen door het Verdrag beschermde personen of goederen: opzettelijke levensberoving, marteling of onmenselijke behandeling, waaronder begrepen biologische proefnemingen, het moedwillig veroorzaken van hevig lijden, van ernstig lichamelijk letsel, dan wel van ernstige schade aan de gezondheid, onrechtmatige deportatie of overbrenging, onrechtmatige gevangenhouding, een beschermd persoon te dwingen om te dienen bij de strijdkrachten van de vijandelijke Mogendheid, of opzettelijk een beschermd persoon het recht te onthouden op een regelmatige en onpartijdige berechting overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, het nemen van gijzelaars, vernieling en toe-eigening van goederen, niet gerechtvaardigd door militaire noodzaak en uitgevoerd op grote schaal en op onrechtmatige en moedwillige wijze." 3. Het op 17 juni 1925 te Genève tot stand gekomen zogenoemde Protocol nopens de chemische en bacteriologische oorlog (Trb. 1955, 125, ook aangeduid als: het Gasprotocol van Genève), luidt - in de Nederlandse vertaling (Stb. 1930, 422) - als volgt: "De ondergeteekende Gevolmachtigden, in naam van hunne respectieve Regeeringen, Overwegende, dat het gebruik in den oorlog van verstikkende, vergiftige of dergelijke gassen, evenals van alle overeenkomstige vloeistoffen, vaste stoffen of procédés, terecht door de openbare meening van de beschaafde wereld veroordeeld is geworden, Overwegende, dat het verbod van dit gebruik neergelegd is in verdragen, waarbij de meerderheid van de Mogendheden der geheele wereld partij is, Teneinde dit verbod algemeen te doen erkennen als deel uitmakende van het volkenrecht, welk verbod zoowel voor het geweten als voor de handelingen der volkeren zal gelden; Verklaren: Dat de Hooge Verdragsluitende Partijen, voorzoover zij nog niet partij zijn bij verdragen, die dit gebruik verbieden, dit verbod erkennen, erin toestemmen dit verbod uit te strekken tot het gebruik van bacteriologische oorlogsmiddelen en overeenkomen zich ten opzichte van elkander gebonden te achten aan de bepalingen van deze verklaring." 3.2. Wetboeken 1. Wetboek van Strafrecht (Sr), art. 1, eerste lid: "Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling." 2. Wetboek van Strafvordering (Sv): - Art. 339: "1. Als wettige bewijsmiddelen worden alleen erkend: 1°. eigen waarneming van den rechter; 2°. verklaringen van den verdachte; 3°. verklaringen van een getuige; 4°. verklaringen van een deskundige; 5°. schriftelijke bescheiden. 2. Feiten of omstandigheden van algemeene bekendheid behoeven geen bewijs." - Art. 344, eerste lid, (oud): "1. Onder schriftelijke bescheiden worden verstaan: (...) 2°. processen-verbaal en andere geschriften, in den wettelijken vorm opgemaakt door colleges en personen, die daartoe bevoegd zijn, en behelzende hunne mededeeling van feiten of omstandigheden, door hen zelf waargenomen of ondervonden; 3°. geschriften opgemaakt door openbare colleges of ambtenaren, betreffende onderwerpen behoorende tot den onder hun beheer gestelden dienst, en bestemd om tot bewijs van eenig feit of van eenige omstandigheid te dienen; 4°. verslagen van deskundigen behelzende hun gevoelen betreffende hetgeen hunne wetenschap hen leert omtrent datgene wat aan hun oordeel onderworpen is; 5°. alle andere geschriften; doch deze kunnen alleen gelden in verband met den inhoud van andere bewijsmiddelen." 3.3. Wetten Wet Oorlogsstrafrecht (hierna: WOS), ten tijde van de tenlastegelegde feiten, voor zover hier van belang, luidende als volgt: - Art. 1 (oud): "1. De bepalingen van deze wet zijn van toepassing op de misdrijven, in geval van oorlog begaan of eerst in geval van oorlog strafbaar, welke zijn omschreven in: (...) 3°. de artikelen 4-9 van deze wet; (...) 2. In geval van een gewapend conflict, dat niet als oorlog kan worden aangemerkt en waarbij Nederland is betrokken hetzij ter individuele of collectieve zelfverdediging, hetzij tot herstel van internationale orde en veiligheid, zijn de artikelen 4-9 van overeenkomstige toepassing en kunnen Wij bij algemene maatregel van bestuur bepalen, dat de overige bepalingen van deze wet geheel of ten dele van toepassing zullen zijn. 3. Onder oorlog wordt begrepen burgeroorlog." - Art. 3 (oud): "Onverminderd het te dien aanzien in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Militair Strafrecht bepaalde is de Nederlandse strafwet toepasselijk: 1°. op ieder, die zich buiten het rijk in Europa schuldig maakt aan een misdrijf omschreven in de artikelen 8 (...);" - Art. 8: "1. Hij die zich schuldig maakt aan schending van de wetten en gebruiken van de oorlog, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie. 2. Gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd: 1°. indien van het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander te duchten is; 2°. indien het feit een onmenselijke behandeling inhoudt; 3°. indien het feit inhoudt het een ander dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden; 4°. indien het feit plundering inhoudt. 3. Levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren, of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd: 1°. indien het feit de dood of zwaar lichamelijk letsel van een ander tengevolge heeft dan wel verkrachting inhoudt; 2°. indien het feit inhoudt geweldpleging met verenigde krachten tegen een of meer personen dan wel geweldpleging tegen een dode, zieke of gewonde; 3°. indien het feit inhoudt het met verenigde krachten vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken of wegmaken van enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort; 4°. indien het feit, in het voorgaande lid bedoeld onder 3° of 4°, wordt gepleegd met verenigde krachten; 5°. indien het feit uiting is van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen de gehele bevolking of een bepaalde groep daarvan; 6°. indien het feit inhoudt een schending van een gegeven belofte, of een schending van een met de tegenpartij als zodanig gesloten overeenkomst; 7°. indien het feit inhoudt misbruik van een door de wetten en gebruiken van de oorlog beschermde vlag of teken dan wel van de militaire onderscheidingstekenen of de uniform van de tegenpartij." 4. Beoordeling van het eerste middel van de verdachte 4.1. Het middel klaagt dat het Hof art. 8 WOS heeft toegepast zonder toereikend te motiveren dat sprake was van een gewapend conflict in de zin van art. 1 (oud) WOS op grond waarvan de Nederlandse strafrechter rechtsmacht heeft. Aan deze klacht ligt de opvatting ten grondslag dat de Nederlandse strafrechter alleen rechtsmacht heeft op grond van art. 1 (oud) WOS, indien de feiten zijn begaan in het verband van een gewapend conflict waarbij Nederland betrokken is. 4.2. De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 8 WOS. De art. 1 (oud) en 3 (oud) WOS bevatten een rechtsmachtregeling die onder meer betrekking heeft op art. 8 WOS. 4.3. Ten aanzien van de in art. 8 WOS strafbaar gestelde gedragingen komt aan de Nederlandse rechter ingevolge art. 3 (oud) WOS universele rechtsmacht toe (vgl. HR 8 juli 2008, LJN BC7418, rov. 6.3). Het middel berust dan ook op een onjuiste rechtsopvatting en is daarom tevergeefs voorgesteld. 5. Beoordeling van het derde middel van de verdachte 5.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte art. 8 WOS niet onverbindend heeft geoordeeld. In de toelichting op het middel wordt het standpunt ingenomen dat genoemde wetsbepaling strijdig is met onder meer art. 7 EVRM, art. 15 IVBPR en art. 1, eerste lid, Sr, omdat zij niet voldoet aan het daarin besloten liggende "bepaaldheidsgebod". 5.2. De bestreden uitspraak houdt, voor zover hier van belang, het volgende in: "Overwegingen met betrekking tot de toepasselijke wetgeving. De Wet Oorlogsstrafrecht (WOS) zoals deze ten tijde van de tenlastegelegde periode gold, is daarna enkele malen gewijzigd; bij de inwerkingtreding van de Wet internationale misdrijven (Wim) op 1 oktober 2003 zijn de oorlogsmisdrijven uit de WOS overgeheveld naar de Wim. Van belang voor de vaststelling of de latere bepalingen gunstiger zijn voor de verdachte dan de wet zoals deze gold ten tijde van de tenlastegelegde periode zijn alleen de wijzigingen bij de wetten van 27 maart 1985 (Stb. 1986, 139) en van 14 juni 1990 (Stb. 1990, 369). Bij de wet van 27 maart 1986 werd een nieuw artikel 10a ingevoegd in de WOS waarin de bijkomende straf: genoemd in artikel 28, eerste lid, onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht (ontzegging van het actief en passief kiesrecht) mogelijk wordt gemaakt bij - onder andere - een veroordeling wegens het begaan van oorlogsmisdrijven, terwijl bij de wet van 14 juni 1990 de doodstraf als mogelijke straf uit de WOS werd verwijderd. De WOS zoals deze luidt per 1 januari 1991 na de wijziging bij de wet van 14 juni 1990 is gezien de strafbedreiging gunstiger voor de verdachte. Van de overheveling van de strafbepalingen die betrekking hebben op de oorlogsmisdrijven uit de WOS per 1 oktober 2003 naar de Wim kan niet gezegd worden dat deze gunstiger bepalingen oplevert voor de verdachte. Op grond van het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht zal moeten worden uitgegaan van de WOS zoals deze luidde met ingang van 1 januari 1991." 5.3. Anders dan in het middel wordt betoogd, is art. 8 WOS niet in strijd met het in de in het middel genoemde wets- en verdragsbepalingen besloten liggende "bepaaldheidsgebod". De in art. 8 WOS geformuleerde norm maakt, mede in het licht van de aard van de materie, bestaande uit strafbaarstellingen van de ernstigste misdrijven die hun grond vinden in een - al dan niet in wetten en verdragen neergelegd - internationaal gemeenschappelijk rechtsbewustzijn, voldoende concreet duidelijk welke gedragingen strafbaar zijn gesteld en stelt de verdachte voldoende in staat zijn gedrag daarop af te stemmen, ook al maken de aard en de inhoud van deze bepaling een zekere vaagheid in de delictsomschrijving onvermijdelijk. 5.4. Het middel faalt. 6. Beoordeling van het tweede en het vijfde middel van de verdachte 6.1. De middelen bevatten onder meer de klacht dat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte het bewezenverklaarde opzet op medeplichtigheid heeft gehad. 6.2. Het Hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte - samen met anderen - opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft tot het in de bewezenverklaring omschreven handelen van de in de bewezenverklaring aangeduide personen welk handelen een gekwalificeerde schending oplevert van art. 8 WOS. Voor deze door het Hof bewezenverklaarde medeplichtigheid is vereist dat niet alleen verdachtes opzet gericht was op het verschaffen van gelegenheid en middelen als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 2°, Sr, doch tevens dat verdachtes opzet al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op het misdrijf van de dader(
- s)(vgl. HR 13 november 2001, LJN AD4372, NJ 2002, 245 en HR 2 oktober 2007, LJN BA7932, NJ 2007, 553). Daarbij verdient echter opmerking dat uit de art. 47, 48 en 49 Sr, gelezen in onderling verband en samenhang, volgt dat enerzijds ten aanzien van de medeplichtige bij de bewezenverklaring en kwalificatie moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan, en dat anderzijds het maximum van de aan de medeplichtige op te leggen straf een derde minder bedraagt dan het maximum van de straf, gesteld op het misdrijf dat de medeplichtige voor ogen stond (vgl. HR 27 oktober 1987, NJ 1988, 492 en HR 2 oktober 2007, LJN BA7932, NJ 2007, 553). 6.3. De hiervoor onder 2 weergegeven overwegingen van het Hof behelzen onder 11.12, 11.16 en 11.17 de vaststellingen van het Hof dat: - de verdachte in de loop van 1984, althans in ieder geval in 1986 wist dat de door hem geleverde TDG zou dienen voor de productie van gif- c.q. mosterdgas in Irak en dat getracht werd die bestemming te verhullen; - de verdachte wist dat zijn leveringen van TDG dienden voor de productie van mosterdgas in een land dat in een langdurige oorlog was verwikkeld met een buurland en dat getracht werd de levering van een precursor van dat gas en de productie van dat gifgas zelf zoveel mogelijk te verheimelijken; - de verdachte ook wist dat dat mosterdgas door Irak gebruikt zou worden in de oorlog die Irak voerde tegen en in Iran en tegen de bondgenoten (dan wel degenen die als zodanig beschouwd werden) van Iran voor zover zij ook met het Irakese regime in Irak zelf in een gewapend conflict waren verwikkeld (welk gebruik van mosterdgas zich ook daadwerkelijk gerealiseerd heeft); - de verdachte door zijn welbewuste bijdrage aan de productie van mosterdgas in een oorlogvoerend land in de gegeven omstandigheden wist dat hij gelegenheid en middelen verschafte voor het daadwerkelijk gebruik van dat gas, in die zin dat hij zich er (terdege) van bewust was dat dat gebruik na de productie van dat mosterdgas volgens de normale loop der dingen niet kon en zou uitblijven; - de verdachte zich, ook na bekend te zijn geworden met de aanval op Halabja in maart 1988, welbewust niet door de hem bekende verschrikkingen van aanvallen met gif- dan wel mosterdgas liet weerhouden TDG aan Irak te leveren en dat de verdachte het gebruik van mosterdgas in de Eerste Wereldoorlog en de gevolgen daarvan al langer bekend waren. Voorts heeft het Hof in zijn hiervoor onder 2 weergegeven overwegingen onder 12.5 onder meer vastgesteld dat: - de verdachte een belangrijk aandeel heeft gehad in de levering aan het Irakese regime van de precursor TDG voor de vervaardiging van mosterdgas: tenminste 38% van deze in de jaren 1980 tot en met 1988 geleverde grondstof was van hem afkomstig; - toen leveranties van anderen uiterlijk in de loop van 1984 werden beëindigd, de verdachte tot het voorjaar van 1988 tenminste 1.116 ton van deze precursor heeft geleverd; - verdachtes eerste zending TDG tegen de zomer van 1985 in Irak is aangekomen en dat de verdachte dat jaar in totaal rond 197 ton leverde, welke TDG in de loop van dat jaar ook bij de productie is gebruikt en uiteindelijk als mosterdgas in munitie bij de in de tenlastelegging omschreven aanvallen is gebruikt; - het regime in Irak vanaf 1985 voor de suppletie van de voor de productie van mosterdgas essentiële precursor TDG geheel afhankelijk was van de leveranties van de verdachte; - de voortgezette uitvoering van dit beleid van dit regime, dat vanaf 1984 jaarlijks honderden tonnen van dit gifgas in de strijd gebruikte, dus in beslissende mate, zo niet geheel, afhankelijk was van die leveranties. Het op deze feitelijke en niet onbegrijpelijke vaststellingen gebaseerde oordeel van het Hof dat bij de verdachte het voor de onderhavige bewezenverklaring vereiste opzet aanwezig is geweest, geeft gelet op hetgeen hiervoor onder 6.2 is overwogen, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. 6.4. In zijn overweging sub 11.19 heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat naar zijn oordeel het opzet van de verdachte met betrekking tot het onder 1 subsidiair tenlastegelegde handelen zich niet uitstrekte tot de omstandigheid dat dat handelen een uiting is geweest van een politiek van stelselmatige terreur of wederrechtelijk optreden tegen een bepaalde groep van de bevolking. Voor zover aan de middelen een andere lezing van de bestreden uitspraak ten grondslag ligt, falen zij bij gebrek aan feitelijke grondslag. Overigens vindt in het recht geen steun de opvatting dat in een geval als het onderhavige voor een bewezenverklaring ook bij de medeplichtige sprake moet zijn geweest van opzet op de hiervoor bedoelde strafverzwarende omstandigheid. 6.5. In zoverre zijn de middelen ongegrond. 7. Beoordeling van het vierde middel van de verdachte 7.1. Het middel bevat de klacht dat 's Hofs arrest niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, omdat daarin in strijd met art. 79, tweede lid, RO niet de feiten zijn opgenomen waaruit het hier toepasselijke internationaal gewoonterecht kan worden afgeleid. 7.2. Art. 79, tweede lid, RO, luidt als volgt: "Feiten waaruit het gelden of niet gelden van een regel van gewoonterecht wordt afgeleid, worden voorzover zij bewijs behoeven, alleen op grond van de bestreden beslissing als vaststaande aangenomen." 7.3. Het huidige art. 79, tweede lid, RO is destijds als art. 99, tweede lid, ingevoegd in de Wet op de rechterlijke organisatie. Dat gebeurde in het kader van een wijziging van de cassatieprocedure die onderdeel uitmaakte van een herziening van de procedure in civiele zaken. In het midden kan blijven of, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling, de thans in art. 79, tweede lid, RO vervatte regel betrekking heeft op internationaal gewoonterecht als in deze zaak aan de orde is, aangezien feiten of omstandigheden van algemene bekendheid, waarop het Hof zich kennelijk heeft gebaseerd bij de vaststelling van het internationale gewoonterecht, geen bewijs behoeven. 7.4. Het middel faalt. 8. Beoordeling van het zesde middel van de verdachte 8.1. Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte opzettelijk medeplichtig is geweest. Het middel voert daartoe aan dat het Hof dat onderdeel van de bewezenverklaring mede heeft doen steunen op zijn oordeel dat de verdachte kennelijke leugenachtige verklaringen heeft afgelegd, terwijl dat oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. 8.2. Het middel heeft het oog op de hiervoor onder 2 sub 11.18 weergegeven overweging van het Hof. Het leidt daaruit af dat het Hof door hem kennelijk leugenachtig geachte verklaringen van de verdachte tot het bewijs heeft gebezigd. 8.3. Het middel berust op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak. In hetgeen aan die overweging voorafgaat heeft het Hof uiteengezet welke - in de gebezigde bewijsmiddelen vervatte - feiten en omstandigheden het redengevend heeft geacht voor het bewezenverklaarde opzet, meer in het bijzonder wat betreft de wetenschap van de verdachte dat de door hem geleverde TDG voor mosterdgasproductie werd gebruikt. In de in het middel gewraakte overweging heeft het Hof vervolgens geoordeeld dat het de door de verdachte in dit opzicht afgelegde ontkennende verklaringen ongeloofwaardig en "kennelijk leugenachtig" heeft geacht en dat dat heeft bijgedragen aan de overtuiging van het Hof dat de verdachte inderdaad de desbetreffende wetenschap had. 8.4. Uit het voorgaande volgt dat het Hof, anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, de "kennelijk leugenachtige" verklaringen van de verdachte niet heeft gebezigd als redengeving voor de bewezenverklaring, maar ter toelichting van de overtuigende kracht van de gebezigde bewijsmiddelen en ter verklaring waarom het Hof geen geloof heeft gehecht aan de ontkenning van de verdachte te hebben geweten dat de door hem geleverde TDG voor de productie van mosterdgas werd gebruikt. 8.5. Het middel mist dus feitelijke grondslag, zodat het niet tot cassatie kan leiden. 9. Beoordeling van het negende middel van de verdachte 9.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat het Hof verklaringen van de getuige-deskundige [A] voor het bewijs heeft gebezigd die buiten zijn specifieke deskundigheid als microbioloog vallen. 9.2. De in de toelichting op het middel weergegeven onderdelen van de door het Hof gebezigde verklaringen van [A], die door het als Hof getuige-deskundige is aangemerkt, betreffende de beantwoording van: - de vraag of in de periode van de leveranties door de verdachte van TDG in Irak een textielindustrie bestond waarin deze stof - dus anders dan voor de fabricage van mosterdgas - zou kunnen worden aangewend; - de vraag naar wat bekend is over de betrokkenheid van het Irakese regime bij de leveringsopdrachten en het verbruik van TDG; - de vraag om een inschatting te maken vanaf wanneer het meest waarschijnlijk is begonnen met het gebruik op het slagveld van de door de verdachte geleverde TDG; - de vraag naar (de redenen voor) het uitbrengen van de eerste echt complete Full, Final and Complete Disclosure (FFCD) betreffende chemische wapens door het Irakese regime en de wijze waarop de betrouwbaarheid van deze gegevens kon worden gecontroleerd. 9.3. In reactie op het met betrekking tot de deskundigheid van de getuige-deskundige gevoerde verweer is het Hof in zijn hiervoor onder 2 sub 12.1.5 en 12.1.6 weergegeven overwegingen ingegaan op de deskundigheid van de getuige-deskundige [A]. 9.4. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen hetwelk hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze vrijheid van de rechter ten aanzien van de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal geldt ook voor zover bewijsmiddelen uit verklaringen van deskundigen bestaan en heeft in dat verband mede betrekking op de vraag of en in hoeverre iemand als deskundige dient te worden aangemerkt. Voorts verdient opmerking dat de kennis op grond waarvan iemand als deskundige kan worden aangemerkt, welke de "wetenschap" vormt als bedoeld in art. 343 en 344, eerste lid, aanhef en onder 4°, Sv waarop de deskundige zijn oordeel stoelt, niet enkel door scholing behoeft te zijn verkregen, maar bijvoorbeeld ook door ervaring kan zijn verworven. 9.5. Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen het Hof heeft vastgesteld in zijn overweging 12.1.6 omtrent de ervaring van [A] als medewerker van UNSCOM en UNMOVIC, is het oordeel van het Hof dat [A] als getuige-deskundige kon verklaren over onder meer de hiervoor aangeduide onderwerpen, niet onbegrijpelijk en behoefde dat oordeel - ook in het licht van het gevoerde verweer - geen nadere motivering. 9.6. De klacht is ongegrond. 10. Beoordeling van het elfde middel van de verdachte 10.1. Het middel behelst onder meer ten aanzien van een aantal door het Hof gebezigde bewijsmiddelen de klacht dat het Hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van verklaringen van getuigen die een mening, gissing of conclusie bevatten en niet kunnen worden aangemerkt als mededelingen omtrent feiten of omstandigheden die zij zelf hebben waargenomen of ondervonden. 10.2. Het middel heeft onder meer betrekking op de hieronder weergegeven, door het Hof gebezigde bewijsmiddelen 4, 5, 58 en 61. De cursief weergegeven gedeelten zijn in het middel aangewezen als behelzende een ongeoorloofde mening, gissing of conclusie: "4. een geschrift, te weten de Rapportage over de toestand van de mensenrechten in Irak van 19 februari 1993, opgesteld door Mr. Max van der Stoel, speciaal rapporteur van de Commissie Mensenrechten, overeenkomstig commissieresolutie 1992/71 (VN Doc. E/CN.4/1993/45, H75 - pagina 25 tot en met 27): Een geschiedenis van onderdrukking Er zijn vele meldingen dat de Koerdische minderheid sinds ten minste het begin van deze eeuw erg onderdrukt is door verschillende nationale besturen. Onder de huidige Regering van Irak, dat wil zeggen het bestuur van de Arabische Baath Partij die aan de macht is gekomen in 1968, is de onderdrukking doorgegaan en zelfs geëscaleerd, ondanks de introductie van lovenswaardige wetgeving die autonomie aankondigde voor de Koerden. Vooral de periode van Presidentschap van Saddam Hussein (juli 1979 tot heden) in heeft bijzonder ernstige onderdrukking met zich meegebracht. In de jaren '70 resulteerde de arabisering van het betwiste Kirkuk en het tot stand brengen van een niemandsland langs de grens met Iran en Turkije in de gedwongen verhuizing van tienduizenden Koerden naar de zogenaamde "collectieve dorpen"; deze dorpen lagen vaak in onvruchtbare gebieden die gemakkelijk toegankelijk waren voor Iraakse troepen. Er kwamen berichten dat slechts enkele Koerden een minimale compensatie kregen voor het verlies van hun huizen en landbouwgronden en dat het hen verboden werd terug te keren naar hun dorpen, die veelal vernietigd waren. Onder de verplaatste Koerden waren leden van de Barzani-clan, die naar verluidt intern waren verplaatst naar woestijnkampen in zuidelijk Irak zonder enige compensatie voor hun vernietigde eigendommen. Een paar jaar later, in 1980, zouden deze Barzanis nogmaals verplaatst zijn van het zuiden naar Qustapha-, en Diyana-kampen nabij Arbil in het noorden. Hun verplaatsing is -naar men zegt- uitgevoerd door de Regering van Irak uit wraak voor het bondgenootschap van de Koerdische partizanen van Massoud Barzani met Iraanse troepen in het begin van de Iran-Irak oorlog in september 1980. Na de Iraanse bezetting van Hajj Omran in juli 1983 in noord Irak, zouden 8.000 Koerdische Barzani-clanleden (waaronder meer dan 300 kinderen) uit de Qustapha-, en Diyana-kampen gehaald zijn en in Iraakse gevangenschap verdwenen zijn. (A/46/647, paragrafen 16 en 55, in samenhang met de latere opmerkingen van de Speciaal Rapporteur in paragrafen 66 en 67). In dit verband wijst de Speciaal Rapporteur op de merkwaardige verwijzing naar de "Barzani groep" in Document 3 van Bijlage I, die lijkt te impliceren dat de Regering van Irak deze personen nog steeds in hechtenis hield. Geen van hen lijkt echter voor te komen op de lijst van 523 namen op de 37 executiebevelen die een onderdeel vormen als bijlagen van het hierboven genoemde document. Klaarblijkelijk om te voorkomen dat de partizanen zich in de bergen en dorpen van Iraaks Koerdistan konden verstoppen werd in het midden van de jaren '80 een toenemend aantal dorpen vernietigd. Opnieuw werden vele Koerden gedwongen verplaatst naar "gefuseerde dorpen" en overheidscomplexen. Het aantal verplaatste Koerden in deze tweede golf van dorpsvernietigingen wordt geschat op 500.000. Het proces van evacuatie en hechtenis van "subversieve elementen" en hun "familieleden" lijkt te worden bevestigd door de tekst van Document 6 van Bijlage I die door de Director-General is uitgevaardigd. De Speciaal Rapporteur is in het bezit van andere, gelijksoortige documenten. In het begin van 1987, toen de Koerdische partizanen naar verluidt een groot deel van noordelijk Irak in handen hadden, verenigden de troepen van de Koerdische leiders Massoud Barzani en Jalal Talabani zich kennelijk om het Iraakse leger te bevechten. Volgens verschillende waarnemers die op de hoogte waren van deze situatie was dat wellicht het moment dat de Iraakse regering besloot dat in feite alle Koerden potentiële vijanden waren van de staat. Deze veronderstelling werd versterkt door de verwijzing in de eerste zin van de bijlage in Document 8 van Bijlage I, gedateerd 7 juni 1987, die instructies beschrijft "gericht op de beëindiging van de lange lijn van verraders van de Barzani en Talabani clans en de Communistische partij, die zich hebben aangesloten bij de Iraanse invasievijand." Hier kwamen alle Koerden in gevaar door wat een niet-gerechtelijk gecontroleerd beleid leek te zijn dat gericht was tegen vagelijk omschreven "subversieve elementen", "saboteurs", "Irans agenten", "verraders", "Barzani groep", "Talabani groep", samen met "deserteurs" en "ontduikers". Blijkbaar werd toen de bij de plaatselijke bevolking beruchte en door de overheid aangeduid als "Anfal Operatie" leven ingeblazen. 5. een geschrift, te weten de Rapportage over de mensenrechtensituatie in Irak, ingediend door de heer Max van der Stoel van 25 februari 1994, Speciale Rapporteur van de Mensenrechtencommissie, ingevolge commissieresolutie 1993/74 (VN Doc. E/CN.4/1994/58, H74 - pagina 36 tot en met 43): De Anfal campagne In de context van de huidige situatie van de Koerdische bevolking van Irak, gelooft de Speciale Rapporteur dat de gebeurtenissen van de Anfal campagne verdere beschouwing vereisen: omdat (
- a)honderdduizenden personen nog steeds lijden onder de aanhoudende schendingen van verdwijning, vernietiging van bezit, etc; (
- b)er lijken beduidende overeenkomsten te zijn tussen de gebeurtenissen van de Anfal campagne tegen de Koerden en de berichten van de huidige gebeurtenissen in de zuidelijke moeraslanden van het land; en (
- c)dezelfde regering is nog steeds aan de macht en voert beleid dat nu een effect heeft en aanleiding geeft tot zorgen over beleid dat de Koerdische bevolking in de toekomst kan treffen. Daarnaast is er een ongekend grote hoeveelheid aan bewijsmateriaal dat ter beschikking staat van de Speciale Rapporteur, die bestaat uit ongeveer 18 metrische ton aan officiële Iraakse documenten, getuigenverklaringen, analytische rapporten, forensische en andere wetenschappelijke rapporten, etc, die evenzeer bestudering vergen in het belang van het vaststellen van feiten en verantwoordelijkheden voor schendingen van de mensenrechten die naar verluidt tegen de Koerdische bevolking zijn gepleegd. Bovendien, aangezien de gebeurtenissen van de Anfal campagne vrijwel geen Iraakse Koerd onberoerd hebben gelaten, neemt de Speciale Rapporteur nota van het argument, hem aangegeven door Koerdische leiders, dat echte nationale verzoening moeilijk zal zijn zolang de problemen en het effect van de Anfal campagne onopgelost blijven. De beschuldigingen van de genocidenpraktijken die samen de Anfal campagne vormden zijn door de Speciale Rapporteur beschreven in zijn eerdere rapporten aan de Mensenrechtencommissie (E/CN.4/1992/31 paragrafen 97 tot en met 103, en E/CN.4/1993/45, paragrafen 89 tot en met 99). De voortdurende bestudering van bewijsmateriaal laat nu een nadere studie toe van de campagne: de Speciale Rapporteur heeft met name aandacht besteed aan het werk dat gedaan is door de internationale niet-gouvernementele organisatie Middle East Watch die nu ongeveer 40 procent bestudeerd heeft van de meer dan 4 miljoen officiële Iraakse documenten die meegenomen zijn uit kantoren van de regering (voornamelijk kantoren van de veiligheidsdienst) door Koerdische troepen in noord Irak na de opstanden van maart 1991. De Speciale Rapporteur heeft dit materiaal in detail beschreven in zijn laatste rapport aan de Commissie (E.CN.4/1993/45, paragrafen 89 tot en met 90). Hoewel conflicten tussen de Koerdische bevolking, of delen daarvan, en de centrale overheid van Irak een lange geschiedenis kennen, moet de Anfal campagne gezien worden in de specifieke context van de gebeurtenissen tussen 1985 en heden zoals hieronder uitgewerkt. Echter, terwijl het algemene beleid tegen Koerdische groeperingen lijkt te dateren vanaf 1985, kunnen de specifieke verrichtingen die de Anfal campagne vormden preciezer afgebakend worden als plaats gehad hebbend tussen 23 februari 1988 en 6 september 1988. Volgens officiële Iraakse documenten die ingezien zijn door de Speciale Rapporteur en in overeenkomst met de analyse die is uitgevoerd door Middle East Watch, stelt de Speciale Rapporteur vast dat de Anfal campagne lijkt te hebben bestaan uit acht verschillende operaties. In tabellen wordt een samenvatting gegeven van de essentiële kenmerken van iedere operatie, het gebruik van chemische wapens waarvan men weet, en de belangrijkste gevolgen van de operaties voor de burgerbevolking. De acht Anfal operaties worden beschreven in de paragrafen hieronder volgens informatie die verkregen is uit de documenten en bevestigd door getuigenverklaringen en wetenschappelijke bestudering van fysiek bewijs. De eerste operatie van de Anfal campagne blijkt te zijn begonnen op 23 februari 1988 met een serie chemische en conventionele aanvallen door zowel de luchtmacht als grondstrijdkrachten op de bolwerken van de Patriottistische Unie van Koerdistan (PUK) peshmerga (strijders) in de Jafati valei in het Gouvernoraat Suleimaniyeh. Bijzonder felle aanvallen waren gericht tegen de dorpen Sergalu, Bergalu en Yakhsamar waar belangrijke hoofdkwartieren van de PUK waren gevestigd. De grootste chemische aanval werd gelanceerd op 16 maart 1988 tegen de Koerdische stad Halabja waarbij 3200 tot 5000 van haar inwoners gedood werden. Na bijna acht jaar oorlog met Iran vormden deze massamoorden onderdeel van de duidelijk vaste praktijk van de regering van willekeurige aanvallen op civiele doelwitten. Tijdens de eerste Anfal operatie, bleek dat heel weinig burgers gevangen zijn genomen of uitgezet door regeringsstrijdkrachten; de meeste waren in staat om naar Iran te vluchten. Gebaseerd op een evaluatie die gedaan is van de operaties en opgaven die gemaakt zijn in de documenten met betrekking tot deze periode, was het hoofddoel van de Eerste Anfal blijkbaar het elimineren van de PUK bolwerken en de vernietiging van burgernederzettingen in de Jafati vallei. Dit doel werd bereikt op 19 maart 1988 met het verslaan van de laatste peshmerga basis in het dorp Bergalu; de meeste van de overgebleven peshmerga eenheden van de PUK vluchtten de grens over naar Iran. De tweede fase van de Anfal campagne lijkt te zijn begonnen op 22 maart 1988 toen strijdkrachten van de regering een chemische aanval uitvoerden op het dorp Sayw Senan in het Qara Dagh district van het Gouvernoraat Suleimaniyeh. Schattingen van het aantal gedode burgers bij deze aanval variëren tussen de 70 en 90. Dit offensief werd gevolgd door gelijksoortige chemische aanvallen op de nabijgelegen dorpen Dukan en Balakajar, Masoyi en Ja'faran gedurende de daarop volgende dagen. Volgens het kenmerkende patroon van Anfal operaties verdwenen, naar verluidt, ettelijke honderden jonge mannen uit de dorpen van Qara Dagh na hun arrestatie en detentie op de basis van de noodtroepen van Suleimaniyeh. De chemische aanvallen resulteerden ook in een massale vlucht van burgers: de meerderheid vluchtte naar het noorden en vond tijdelijke veiligheid in de woonwijken in de buurt van Suleimaniyeh, terwijl degenen die naar het zuiden gingen en naar zuid-Germian trokken in de richting van Kalar, gevangen genomen werden door de oprukkende troepen van de regering. Een groot aantal van deze families is daarna verdwenen, terwijl anderen naar het kamp van Dibs gebracht werden of naar de gevangenis van Nugrat Salman vervoerd werden. Vanuit het perspectief van een militaire operatie, werd de tweede Anfal heel gemakkelijk volbracht aangezien een groot deel van de peshmerga-eenheden naar Iran gevlucht was na hun nederlaag bij Sergalu-Bergalu. De tweede Anfal operatie lijkt te zijn voltooid rond 1 april 1988. De derde Anfal was geconcentreerd op de vlakte van Germian. Op 7 april 1988 begonnen de regeringstroepen een massaal offensief waarbij aanvallen van de infanterie werden ondersteund door artillerie, gepantserde eenheden en de luchtmacht. De troepen lijken te zijn opgerukt in een soort tangbeweging waarbij ze van verschillende punten rond de vlakte van Germian naar elkaar toe trokken. Aangezien er slechts een paar peshmerga-eenheden aanwezig waren in het gebied, rapporteren de strijdkrachten van de regering dat ze vrijwel geen verzet tegen zijn gekomen. In deze fase van de campagne lijken de regeringsstrijdkrachten vooral conventionele middelen te hebben gebruikt: chemische wapens lijken alleen voor enkele doelwitten gebruikt te zijn, zoals het kleine dorpje Tazashar waar de peshmerga erin slaagde om enig verzet te bieden. Er wordt verslag van gedaan dat vluchtende dorpsbewoners in bepaalde banen werden geleid naar specifieke verzamelpunten waarna zij naar gevangeniskampen werden gestuurd in Dibs, Nurgat Salman en Topzawa. Net als in alle fasen van de Anfal campagne verdwenen de gevangengenomen volwassen mannen en masse. Verslagen duiden er echter op dat een groot aantal vrouwen en kinderen ook verdwenen in de loop van de Derde Anfal, vooral in bepaalde specifieke gebieden zoals de zuidelijke delen van de Daoudi en Jaff-Roghzayi gebieden: sommige schattingen ramen het aantal verdwenen personen op ongeveer 10.000 in dit beperkte gebied alleen. Volgens een aantal bevestigende ooggetuigenverslagen waar Middle East Watch verslag van doet, werden duizenden mannen, vrouwen kinderen en ouderen en masse vervoerd vanuit de bovengenoemde kampen naar executie plaatsen bij Hadar, Ramadi en Samawah in noord, midden en zuid Irak respectievelijk. Tegen 20 april 1988 wordt vermeld dat de laatste verzetskernen van de peshmerga samen met alle burgernederzettingen zijn weggevaagd in het gebied van de Derde Anfal. Het vierde stadium van de Anfal campagne lijkt te zijn begonnen op 3 mei 1988 met een zware chemische aanval door de Iraakse luchtmacht op de dorpen Askar en Goktapa in de vallei van de Lesser Zab rivier. Volgens ooggetuigenverslagen waarvan Middle East Watch bericht, zijn honderden burgers gedood als gevolg van dit offensief, bovendien zijn veel van de overlevenden gevangen genomen door de oprukkende regeringstroepen. Ongeveer vijftig families uit het dorp Askar werden naar verluidt gearresteerd en naar het Suseh complex gebracht. Zoals tijdens het vorige stadium van de campagne vielen de strijdkrachten van de regering de dorpen in het gebied van de Vierde Anfal van verschillende kanten aan. Na de militaire bezetting van de dorpen werden de gebouwen gesloopt en de dorpsbewoners volgens de berichten bij elkaar gedreven en met vrachtwagens naar kampen vervoerd, zoals die bij Topzawa, Dibs en Nugrat Salman. De volwassen mannen, samen met een groot aantal van de vrouwen, kinderen en ouderen verdwenen hierbij. Specifiek zijn er wel 1.600 mensen verdwenen, volgens de berichten uit de dorpen Bogrid, Kanibi, Kleisa, Qizlou, Gomashin en Kani Hanjir alleen al. Men gelooft dat veel van hen later gedood zijn bij massa executies. Tegen 8 mei 1988 waren alle dorpen in het gebied met de grond gelijk gemaakt en zijn hun inwoners gevangen genomen, opgesloten of verdwenen. De vijfde, zesde en zevende stadia van de Anfal campagne blijken te hebben geduurd van 15 mei tot 28 augustus 1988 en gericht te zijn geweest op de dorpen in de Shaqlawa en Rawanduz valleien ten noorden van het Dukan meer. In dit gebied hadden de overgebleven peshmerga eenheden zich verzameld in een poging om verzet te bieden aan de oprukkende strijdkrachten van de regering. Op 15 mei 1988 viel de Iraakse luchtmacht het dorp Wara aan met chemische wapens waarbij veel burgers omkwamen. Meer chemische aanvallen volgden op 23 mei 1988 toen de dorpen van de Balisan, Seran, Hiran en Smaquli valleien gebombardeerd werden. Aangezien de meeste dorpen al verlaten waren als gevolg van de acties die tegen hen ondernomen waren in 1987 vielen er relatief weinig slachtoffers in mei 1988. De overgebleven families werden echter volgens het vaste patroon behandeld: de mannen werden gevangen genomen en verdwenen, de vrouwen en kinderen werden per vrachtwagen afgevoerd naar verzamelcentra waarbij sommige verdwenen. Enkele maanden bleven zware gevechten aanhouden voor de strijdkrachten van de regering er eindelijk in slaagden de PUK te verslaan; de resterende peshmerga vluchtten de grens over naar Iran. De achtste Anfal operatie, waarnaar ook verwezen wordt in officiële Iraakse documenten als de "Laatste Anfal", lijkt te zijn uitgevoerd tussen 25 augustus en 6 september 1988 in het Badinan gebied in noord Irak d.w.z. na het einde van de oorlog tussen Iran en Irak en ver verwijderd van de oorlogszone, maar het was het bolwerk van de peshmerga krijgsmacht van de Koerdistaanse Democratische Partij. Op 25 augustus 1988 werden chemische aanvallen uitgevoerd op Birjinni, Tuka en verschillende andere dorpen. Na deze zware bombardementen vluchtten de dorpelingen uit hun huizen naar de omringende bergen waar honderden van hen naar verluidt omkwamen als gevolg van het koude weer, honger of de nawerking van de chemische aanvallen. Veel van de vluchtende dorpsbewoners zijn later gevangen genomen door de regeringstroepen en naar verzamelcentra gestuurd. Alle mannen die gearresteerd zijn, zijn naar men zegt verdwenen; honderden van hen zijn, denkt men, gedood tijdens massa executies. De vrouwen kinderen en ouderen zijn later vrijgelaten en achtergelaten in de vlakten ten noorden van Erbil. De Laatste Anfal operatie resulteerde in de nederlaag van de KDP peshmerga. Na de beschrijving van de hoofdpunten van de acht operaties die de Anfal campagne vormden, merkt de Speciale Rapporteur op dat het bewijsmateriaal zijn eerste bevindingen verder bevestigt, dat wil zeggen dat de Anfal campagne zoals de meeste handelingen van de regering van Irak heel goed gepland, toegepast en gedocumenteerd was. De directe gevolgen van de Anfal campagne veroorzaakten: (
- a)de dood van duizenden mannen vrouwen en kinderen door willekeurige executies of moordpartijen zonder aanzien des persoons; (
- b)de verdwijning van nog eens tienduizenden mannen, vrouwen en kinderen; (
- c)de willekeurige arrestaties, detentie en gedwongen verplaatsing van honderdduizenden mannen, vrouwen en kinderen; (
- e)de vernietiging van duizenden dorpen waaronder essentiële economische hulpbronnen en belangrijk cultureel bezit; en (
- f)de feitelijke ondergang van de landelijke manier van leven van de Koerden. Deze resultaten werden op een duidelijk stelselmatige manier bewerkstelligd door een opzettelijk gebruik van onmiskenbaar overmatig geweld. Bewijs met betrekking tot de organisatie en toepassing van de Anfal campagne wordt zowel impliciet als expliciet geopenbaard door het raadplegen en bestuderen van de officiële Iraakse documenten in het bezit van de Speciale Rapporteur. Zoals boven vermeld, lijkt het jaar 1985 een keerpunt te zijn geweest in de geschiedenis van onderdrukkende maatregelen die de Koerden troffen. Hoewel veel belangrijke elementen van wat later de Anfal campagne vormde van voor 1985 dateren, bijvoorbeeld het beleid tegen de Barzani stam en het algemene beleid van straffen uitbreiden naar familieleden, stammen en dorpen, blijkt de basis voor een algeheel beleid tegen de Koerden gelegd te zijn in mei 1985 toen militaire bevelen werden uitgevaardigd die het gebruik van "alle soorten wapens" gelastten tegen "subversieve elementen" in het noordelijke Koerdische gebied. Deze instructie staat zichtbaar in verband met latere orders en wetten waaronder, in het bij zonder, de instructie van het Bureau van de President dat "ouderen, vrouwen en kinderen onder de familieleden van subversieve elementen uitgezet moeten worden naar de gebieden waar de subversieve elementen zijn" en "dat detentie van kracht blijft tegen familieleden van subversieve elementen die in staat zijn wapens te dragen". Zulke instructies werden uitgevoerd met nauwgezette aandacht aangezien de Iraakse nationaliteit ontnomen werd aan degenen die uitgezet werden en ze verder aan hun lot werden overgelaten. Onder het bestuur van de toenmalige Secretaris-Generaal van het Noordelijk Bureau van de Baath Partij, Mohammed Hamza al-Zubeidi, ontwikkelde zich een steeds strenger en complexer beleid van onderdrukking: volgens een alomvattend voorstel van juni 1990 om 13 instructies in te trekken die, wanneer samen gelezen, de elementen van één beleid lijken te vormen, het complex van decreten, richtlijnen en instructies die dat beleid vormen dateren van 4 september 1985. Toen Mohammed Hamza al-Zubeidi niet goed genoeg bleek voor de opgelegde taak of, in ieder geval er iemand nodig bleek die sterker en betrouwbaarder was, werd Ali Hassan al-Majid op 18 maart 1988 aangesteld als Secretaris-Generaal van het Noordelijk Bureau van de Baath Partij met enorm en uitzonderlijk gezag over "burgerlijke, militaire en veiligheidsorganen van de Staat". Toen hij zijn functie als feitelijk dictator van het gebied aanvaardde, vaardigde Ali Hassan al-Majid een reeks strenge en wrede bevelen uit die duidelijk zijn persoonlijke controle over de staatszaken in het noorden bevestigden en lieten zien dat hij geen enkele sympathie had met zelfs de geringste humanitaire principes. Al-Majid bepaalde de reikwijdte, strategie en bureaucratische structuur van de Anfal campagne door middel van twee bevelen die hij uitvaardigde in juni 1987. De bevelen omvatten een totaal verbod op leven (menselijk en dierlijk) in gespecificeerde gebieden die bijna uitsluitend bewoond werden door Koerden en waarin zich duizenden dorpen bevonden op het Koerdische platteland. Het eerste bevel, met nummer 28/3659 dat dateert van 3 juni 1987, is een persoonlijk bevel ondertekend door Ali Hassan al-Majid volgens welke de strijdkrachten in het gebied alle mensen en dieren die zich bevonden in het gebied dat "verboden" was verklaard moesten doden. Het bevel legde ook een strenge economische blokkade op aan het gebied die niet toeliet dat voedingsmiddelen, personen, vee of machinerie de verboden dorpen bereikten. Het tweede belangrijke bevel met het nummer 28/4008 dat dateert van 20 juni 1987, werd uitgevaardigd door het "Commando van het Noordelijk Bureau" onder de handtekening van al-Majid. Bevel 28/4008 breidde de richtlijnen die vervat waren in bevel 28/3650 uit en specificeerde de strategieën die gevolgd moesten worden: het herhaalde het totale verbod van de aangewezen gebieden en bevestigde het beleid van het opzettelijk "doden van het grootste aantal mensen" met gebruik van artillerie, helikopters en vliegtuigen op alle tijden van de dag en nacht. Bovendien, en dit is nog belangrijker, de richtlijnen bevatten een expliciet bevel aan de Veiligheidsdienst om alle personen die gevangen genomen waren in de aangewezen dorpen vast te houden en te ondervragen waarbij personen tussen de leeftijden van 15 en 70 geëxecuteerd moesten worden nadat bruikbare informatie van hen verkregen was. Deze ingrijpende orders verleenden toestemming om te doden en garandeerden daarna straffeloosheid voor de strijdkrachten en ambtenaren van de Regering die opereerden in de verboden gebieden. Tegen het einde van 1987, duiden de officiële documenten erop dat de mortuaria onder zware druk stonden door de voortdurende instroom van lijken van het groeiend aantal executies. Hoewel het voorgewende doel van het nemen van duidelijk buitensporige maatregelen tegen de Koerdische bevolking naar verluidt was het gebied vrij te maken van "saboteurs", "subversieve elementen", "verraders", "criminelen" en een aantal andere ongewenste elementen, blijkt duidelijk uit de verklaringen van Ali Hassan al-Majid dat de bevelen gericht waren tegen alle Koerden met het doel echte of veronderstelde oppositie uit te schakelen. Dientengevolge was het beleid het onderdrukken van hen die in bedwang konden worden gehouden in samengestelde dorpen, het vernietigen van de landelijke levensstijl van deze bergbewoners en het liquideren van degenen die oppositionele sympathieën hadden samen met hun hele families, stammen en gemeenschappen. Het feit dat Ali Hassan al-Majid de situatie zo bekeek wordt onthuld in een aantal van zijn opgetekende verklaringen. Bijvoorbeeld, op 15 april 1988 heeft al-Majid volgens een verslag het volgende gezegd tegen de leden van het Noordelijk Bureau van de Baath partij en de Gouverneurs van het Autonome gebied: "Volgende zomer zullen er geen dorpen meer zijn die hier en daar verspreid liggen maar alleen woongebieden. Ik zal grote gebieden verbieden; Ik zal alle aanwezigheid erin verbieden. Hoe zou het zijn als we de hele laagvlakte van Qara Dagh tot Kifri tot Diyala tot Darbandhikan tot Suleiymaniyah verboden gebied maakten? Wat hebben we aan deze laagvlakte? Wat hebben we ooit van hun gehad? ...Deze hele laagvlakte van Koysinjaq tot hier.... Ik ga hem evacueren. ...Geen mens behalve op de hoofdwegen. Vijf jaar lang sta ik daar geen enkel bestaan toe... In de zomer is daar niets meer over." Het moet benadrukt worden dat de locaties die al-Majid noemt uitsluitend Koerdisch zijn. Nog een voorbeeld kwam na de afronding van de Anfal campagne van 1988 toen er een verslag is gemaakt van het volgende dat al-Majid zei op 21 januari 1989 tegen zijn collega's van het Noordelijk Bureau: "Dus toen lieten we die hogere bevelhebbers op TV die (de saboteurs) hadden overgeleverd. Moet ik die soms in goede conditie houden? Wat word ik verondersteld ermee te doen, die geiten.... Nee, ik zal ze begraven met bulldozers. Dan vragen ze me om alle namen van alle gevangenen zodat ze bekend gemaakt kunnen worden. Ik zei, "had u niet genoeg aan wat u op de televisie hebt gezien en in de krant gelezen? Waar moet ik heen met dit enorme aantal mensen? Ik begon ze te verdelen over de gouvernoraten. Ik moest overal bulldozers naartoe sturen." Enige maanden later staat in een verslag van een soort afscheidstoespraak nadat hij zijn periode als Secretaris-Generaal van het Noordelijk Bureau van de Baath Partij had afgerond dat al-Majid op 15 april 1989 het volgende zei: "Ik zei dat we waarschijnlijk een paar goede onder hen zouden vinden aangezien zij ook onze mensen zijn. Maar we hebben er niet een gevonden. Nooit.... Behalve die twee, er zijn geen loyale of goede. Ik wil twee punten bespreken: een Arabisering en twee, de gedeelde stukken land tussen de Arabische gebieden en het Autonome gebied. Het punt waar ik het over heb is Kirkuk. Toen ik kwam vormden de Arabieren en Turkmenen niet meer dan eenenvijftig procent van de totale bevolking van Kirkuk,... Toen hebben we bevelen uitgevaardigd. Ik verbood de Koerden om te werken in Kirkuk, de wijken en dorpen er omheen buiten het Autonome gebied." Het is duidelijk uit de woorden van de almachtige Secretaris Generaal van het Commando van het Noordelijk Bureau dat het Koerdische volk ("hen", "zij", "die geiten", "de Koerden") opzettelijk als groep het doelwit is geweest. Naarmate al-Majid de macht overnam in het noorden en zijn beleid tegen de Koerden uitvoerde lijkt het even duidelijk dat de historisch gezien versplinterde Koerden zichzelf ook steeds meer zagen als één groep: in mei 1988 werd het "Koerdistaanse Front" gevormd uit de acht belangrijkste Koerdische groepen die toen geconfronteerd werden met de gezamenlijke vijand van streng beleid van de regering van Irak. Zoals hierboven beschreven in paragrafen 112 tot en met 117, werd de Anfal campagne uitgevoerd onder leiding van Ali Hassan al-Majid tijdens de lente en zomer van 1988. Documenten die in het bezit zijn van de Speciale Rapporteur maken duidelijk dat de Regering tegen die tijd familiebanden gelijk had gesteld met de termen "subversieve elementen" en "saboteurs" zoals al veel eerder gedaan was in het geval van "de Barzanis". De door de Regering gevolgde strategie tijdens de Anfal campagne volgde ongeveer hetzelfde patroon gedurende de verschillende stadia van de operaties: chemische aanvallen vanuit de lucht gericht tegen zowel burgers als peshmerga bolwerken, in combinatie met aanvallen door grondstrijdkrachten op de gebieden; plundering van alle dorpen die overgeleverd zijn aan de genade van de regeringstroepen; massa-arrestaties, detentie en interne deportaties van burgers; en transport van veel gevangen gehouden burgers in konvooien van legertrucks naar bewaringscentra waar over het algemeen de volwassen mannen werden gescheiden van de vrouwen, en verdwenen. De vrouwen, kinderen en ouderen werden meestal naar gevangenkampen gestuurd en vastgehouden in uiterst erbarmelijke omstandigheden. Anderen verdwenen samen met de mannen. Personen die de oprukkende strijdkrachten wisten te ontlopen werden vaak opgespoord in steden in de buurt door de veiligheidsdiensten. In overeenstemming met de verklaring van al-Majid die opgetekend is op 21 januari 1989, duiden de documenten erop dat de aantallen personen die geëxecuteerd werden onhanteerbare proporties hadden bereikt tegen het einde van 1988 toen, op 15 november 1988, de Revolutie Commandoraad Besluit Nr. 840 uitgevaardigde waarbij de grondrechtelijke noodzaak voor ratificatie van doodvonnissen door de President werd opgeheven (zie Document Nr. 17 van Bijlage I); op 14 december 1988 gaf het Kantoor van de President de instructie aan de betrokken ministeries dat ze de executieprocessen moesten bespoedigen (zie Document Nr. 18 van Bijlage I). Ten tijde van deze besluiten, gevolgd door de opgetekende verklaring van al-Majid, moet opgemerkt worden dat de oorlog tussen Iran en Irak al lang voorbij was. Overlevenden en andere ooggetuigen (inclusief een aantal die deelnamen aan de executies) berichten dat veel van de mensen die "verdwenen" waren tijdens de Anfal campagne geëxecuteerd waren en, zoals Ali Hassan al-Majid bijna opschepte, werden begraven in massagraven door het hele land heen. (...) 58. een geschrift, zijnde een Nederlandse vertaling van een door Japanse politiefunctionarissen op 22 juni 2005 te Osaka (Japan) opgemaakt proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als de op 22 juni 2005 afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 1] (G92 - pagina 839 tot en met 856): [Verdachte] was tussen 1984 en 1988 mijn handelspartner in chemicaliën. Met betrekking tot de handel in chemicaliën met [verdachte] wist ik dat de chemicaliën naar Irak zouden worden vervoerd. In 1984, toen ik begon te onderhandelen met [verdachte], vertelde hij mij dat de eindbestemming Bagdad, Irak, was. Ook had [verdachte] mij verzocht geheim te houden dat de chemicaliën naar Irak zouden worden vervoerd. Uit de onderhandelingen bleek duidelijk dat de chemicaliën als grondstof zouden worden gebruikt voor chemische wapens. En ik wist dat deze in 1988 werden gebruikt toen er Koerden in Irak werden vermoord. Omdat de handelsvoorwaarden van [verdachte] aantrekkelijk waren, had ik gedacht dat dit winstgevend werk was en heb ik actief deelgenomen in deze handel. Bij handel in Amerika gebruikte ik naast mijn naam de roepnamen [...] en [...]. [Verdachte] wilde vanuit Japan chemicaliën importeren. Iemand gaf mij het telefoonnummer en telexnummer van [verdachte] bij [D]. Ik heb via telefoon en telex contact opgenomen met [verdachte]. Hij bleek mij te kennen en onmiddellijk benaderde hij mij dat hij de chemische stof TMP wilde importeren. Dit was rond mei of juni 1984. Tijdens de eerste onderhandeling heeft [verdachte] mij gezegd: "De chemicaliën worden eerst naar Triëst, Italië, verscheept. Daarna wordt het over de weg naar Bagdad, Irak, vervoerd. Houd geheim dat de chemicaliën naar Irak worden geëxporteerd." Toen ik dit verhaal hoorde, dacht ik dat de chemicaliën zouden worden omgezet in chemische wapens. Ik wist als betrokkene bij export dat er strenge restricties waren voor goederen die naar het Midden-Oosten en naar Oost-Europa werden geëxporteerd. Omdat ik dacht dat de chemicaliën gebruikt zouden worden voor de productie van chemische wapens, vroeg ik aan [verdachte] wat het eindgebruik