15 december 2009 Strafkamer nr. 02901/06 H Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 24 oktober 2001, nummers 10/101294-00 en 10/102053-01, ingediend door mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, namens: [Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952, wonende te [woonplaats]. 1. Verloop van de zaak 1.1.1. De Rechtbank te Rotterdam heeft de aanvrager bij vonnis van 24 oktober 2001 ter zake van "ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd", gepleegd met zijn dochter [slachtoffer 1] en zijn zoon [slachtoffer 2], veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden. Voorts heeft zij in dat vonnis gelast dat de aanvrager ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. 1.1.2. Tegen het vonnis van de Rechtbank is geen hoger beroep ingesteld zodat het veertien dagen nadien onherroepelijk is geworden. Blijkens mededeling van mr. Van Zundert bij de mondelinge toelichting van de onderhavige aanvrage ter terechtzitting van de Hoge Raad van 23 december 2008 is op advies van de toenmalige raadsman van de aanvrager geen hoger beroep ingesteld, niet omdat de aanvrager niet ten onrechte zou zijn veroordeeld doch omdat de straf in hoger beroep hoger zou kunnen uitvallen. 1.1.3. Blijkens mededeling van de Procureur-Generaal in zijn op 26 mei 2009 genomen conclusie is de opgelegde gevangenisstraf inmiddels tenuitvoergelegd en is de terbeschikkingstelling op 20 januari 2009 geëindigd doordat de Rechtbank te Rotterdam de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling heeft afgewezen. 1.2.1. Mr. Van Zundert heeft eerder namens de aanvrager verzoekschriften ingediend strekkende tot herziening van de veroordeling door de Rechtbank. 1.2.2. Het eerste herzieningsverzoek is door de Hoge Raad afgewezen bij arrest van 9 september 2003, LJN AL6387. Dit arrest houdt het volgende in: "3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. 3.2. Het in de aanvrage gestelde houdt niets in wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld. In het bijzonder kan de aangevoerde omstandigheid dat het volledige onderzoeksrapport van de gynaecologe ten tijde van de behandeling van de zaak door de Rechtbank niet aan het dossier was toegevoegd niet alleen niet het ernstig vermoeden wekken dat, ware de Rechtbank met dat volledige rapport bekend geweest, de aanvrager van alle tenlastegelegde feiten zou zijn vrijgesproken, maar ook niet dat hij van het desbetreffende onderdeel van het onder nummer 10/101294-00 tenlastegelegde feit - te weten, kort gezegd, het houden en/of brengen en/of duwen van zijn penis en/of vinger(
- s)in de vagina van zijn dochtertje - zou zijn vrijgesproken. De Rechtbank beschikte immers in ieder geval over een samenvatting van dat rapport, op grond waarvan zij geacht kan worden in haar beoordeling te hebben betrokken dat het maagdenvlies van het dochtertje volgens de bevindingen van de gynaecologe intact was. Voorts was de Rechtbank op grond van de stukken van het dossier waarover zij de beschikking had bekend met de lichamelijke en geestelijke toestand van de aanvrager. Dat brengt mee dat de aanvrage kennelijk ongegrond is (...)." 1.2.3. Het tweede herzieningsverzoek heeft de Hoge Raad bij arrest van 11 oktober 2005, LJN AU4933 deels niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige afgewezen. Dat arrest houdt het volgende in: "3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 1° van art. 457 Sv dienen de omstandigheid dat bij onderscheidene arresten of vonnissen, in kracht van gewijsde gegaan of bij verstek gewezen, bewezenverklaringen zijn uitgesproken, welke niet zijn overeen te brengen. Voorts kunnen als grondslag voor een herziening, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. 3.2. Bij beslissing van de Hoge Raad van 9 september 2003, nr. 02566/02 H, is een eerdere aanvrage tot herziening van het vonnis van de Rechtbank afgewezen. Voorzover de aanvrage steunt op gronden die in deze beslissing ongenoegzaam zijn geoordeeld, kan zij niet worden ontvangen. 3.3. In de aanvulling op het herzieningsverzoek wordt nog aangevoerd dat op een door de aanvrager gedaan beklag ex art. 12 Sv - terzake van het doen van valse aangifte tegen de aanvrager door de slachtoffers - door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij beschikking van 27 april 2005 is beslist dat terzake een gerechtelijk vooronderzoek dient te worden ingesteld. In aanmerking genomen dat de uitkomst van dat onderzoek ongewis is, kan die enkele omstandigheid evenwel geen ernstig vermoeden wekken als hiervoor onder 3.1 bedoeld. Dat laatste geldt ook ten aanzien van de overgelegde verklaring van het slachtoffer [slachtoffer 2]. Die ten overstaan van een notaris onder ede afgelegde verklaring houdt weliswaar in dat de door hem in de strafzaak tegen de aanvrager afgelegde belastende verklaring onder druk tot stand is gekomen en onjuist is, maar uit de overgelegde stukken met betrekking tot genoemde beklagzaak volgt dat [slachtoffer 2] die onder ede afgelegde verklaring naderhand ten overstaan van het Hof weer heeft ingetrokken. Ook overigens levert hetgeen in de aanvrage en het aanvullende verzoek wordt aangevoerd niet een ernstig vermoeden op als hiervoor onder 3.1 bedoeld. De aanvrage is daarom in zoverre kennelijk ongegrond." 1.3.1. De beklagprocedure waarnaar in de tweede aanvrage tot herziening werd verwezen, is als volgt verlopen. 1.3.2. Op 21 november 2003 hebben de aanvrager en diens vader een beklag als bedoeld in art. 12 Sv ingediend wegens het niet vervolgen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ter zake van het doen van valse aangifte ten laste van hen. 1.3.3. Het Hof heeft bij beschikking van 27 april 2005 het beklag gegrond verklaard en gelast dat door de bevoegde Officier van Justitie een vordering zal worden gedaan tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]. Daartoe heeft het Hof het volgende overwogen: "11. Het hof heeft op grond van de door mr. Van Zundert ingezonden stukken twijfel bij een aantal punten in onderhavige zaak. Met name betreft dit de tegenstrijdigheden in de diverse verklaringen van beklaagde [slachtoffer 2] omtrent het waarheidsgehalte van zijn aangifte. Tevens acht het hof het van belang eventuele twijfels over de realiteitswaarde van de verkrachtingen van beklaagde [slachtoffer 1] die zijn opgeroepen door de verklaring van de gynaecoloog dr. [arts 1], nader te onderzoeken zulks temeer nu zij weigert inzage te geven in de gynaecologische rapportage die duidelijkheid kan verschaffen over de mogelijke intactheid van haar maagdenvlies. 12. Op grond hiervan acht het hof het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek aangewezen. Een dergelijk onderzoek kan mogelijk duidelijkheid scheppen omtrent het al dan niet onder dwang afleggen van de notariële verklaring door beklaagde [slachtoffer 2]. Tevens is het mogelijk in dit onderzoek de gynaecologische rapportage van [arts 2] op te vragen en in te zien, de betrokken politiearts [arts 3] te horen en eventueel noodzakelijk verder deskundigen-advies in te winnen. 13. Op basis van de resultaten van voornoemd onderzoek kan een nadere beslissing worden genomen omtrent de eventuele vervolging van beklaagden, dan wel één van hen, terzake van het feit waarop de klacht betrekking heeft." 1.3.4. Het door de Officier van Justitie op last van het Hof gevorderde gerechtelijk vooronderzoek is op 15 juli 2005 geopend en op 12 september 2006 gesloten. In het kader van dat gerechtelijk vooronderzoek heeft de Rechter-Commissaris in de Rechtbank te Rotterdam de beklaagden ([slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]), de klagers (de aanvrager en diens vader) en getuigen gehoord, alsmede deskundigenberichten doen uitbrengen. 1.3.5. De Officier van Justitie heeft op 7 november 2006 het Hof op grond van art. 246, derde lid, Sv verzocht te bewilligen in een kennisgeving van niet verdere vervolging, omdat het gerechtelijk vooronderzoek geen bewijs zou hebben opgeleverd voor de in het beklag betrokken stelling dat door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] valse aangiften zijn gedaan. De Advocaat-Generaal heeft in haar verslag van 13 november 2006, alsmede ter terechtzitting van 24 januari 2007 het Hof geadviseerd te bewilligen dat van verdere vervolging van de beklaagden wordt afgezien. Bij beschikking van 7 februari 2007 heeft het Hof in het verzoek bewilligd en daartoe het volgende overwogen: "10. Het hof heeft kennis genomen van de resultaten van het naar aanleiding van het voorgaande ingestelde gerechtelijk vooronderzoek. 11. Nu de uitkomst van het gerechtelijk vooronderzoek geen duidelijkheid verschaft omtrent de door het hof in diens beschikking vermelde kwesties, te weten het al dan niet onder dwang afgelegd hebben van verklaringen door beklaagde [slachtoffer 2] - alsmede de vraag welke verklaring de waarheid behelst - en het mogelijk intact zijn van het maagdenvlies van beklaagde [slachtoffer 1], is het hof met de officier van justitie en de advocaat-generaal van oordeel dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om een verdere strafvervolging van beklaagden te kunnen rechtvaardigen. Doordat beklaagde [slachtoffer 2] steeds wisselende verklaringen heeft afgelegd, is niet vast te stellen welke van zijn verklaringen de waarheid behelst. Uit de stukken is voorts gebleken dat ook bij een intact maagdenvlies niet valt uit te sluiten dat gemeenschap heeft plaatsgevonden. 12. Derhalve is het hof van oordeel dat het onder deze omstandigheden terecht is te bewilligen in het verzoek." 1.3.6. Op 3 april 2007 heeft de aanvrager wederom een beklag als bedoeld in art. 12 Sv ingediend. In zijn beschikking van 3 oktober 2008 heeft het Hof dat beklag afgewezen. Daartoe heeft het Hof het volgende overwogen: "Met betrekking tot de beklaagde [slachtoffer 2] is het hof van oordeel, dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het doen van een valse aangifte. Voorts merkt het hof op, dat deze betrokkene, gelet op de diverse tegenstrijdigheden in zijn verschillende verklaringen kennelijk gemakkelijk te beïnvloeden is. Mede gelet op de - goeddeels door klager gezochte - intensieve media aandacht en de druk die daarvan moet zijn uitgegaan richting beklaagde zal, zelfs indien beklaagde nader zou worden gehoord - waartoe het hof geen aanleiding ziet - en ongeacht hogervermelde nader ingebrachte stukken, zeer waarschijnlijk niet met voldoende mate van zekerheid kunnen worden vastgesteld, dat de verklaring van [slachtoffer 2] - hoe die alsdan ook moge luiden - in volle vrijheid is afgelegd. (...) Met betrekking tot de beklaagde [slachtoffer 1] is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het doen van valse aangifte. Met name het medisch onderzoek aan het maagdenvlies is voor een andersluidend oordeel onvoldoende concludent, aangezien uit de stukken blijkt, dat een intact maagdenvlies niet uitsluit dat seksuele gemeenschap heeft plaatsgevonden. Ook de overige ingebrachte stukken maken dit naar het oordeel van het hof niet anders. Voorts meent het hof dat ook deze beklaagde de enorme media aandacht naar aanleiding van de aangifte van haar en haar broer nauwelijks kan zijn ontgaan. Zelfs indien beklaagde nader zou worden gehoord - waartoe het hof geen aanleiding ziet - zal de invloed daarvan op alsnog af te leggen verklaringen niet meer met zekerheid kunnen worden vastgesteld." 2. De herzieningsprocedure 2.1. Op 10 oktober 2006 is bij de Hoge Raad ingekomen een door mr. Van Zundert namens de aanvrager ingediend verzoekschrift, houdende een aanvrage tot herziening van genoemd vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 24 oktober 2001. Bij de aanvrage zijn negentien producties overgelegd. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv (hierna aan te duiden als 'novum'). De aanvrage is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2.2. Vervolgens zijn bij de Hoge Raad ingekomen: -een brief van de raadsman van 15 februari 2007 (met twee producties); -een brief van de raadsman van 5 juni 2008 (met drie producties); -een brief van de raadsman van 8 december 2008 (met een productie). 2.3. Ter terechtzitting van de Hoge Raad van 23 december 2008 heeft de raadsman de aanvrage mondeling toegelicht. 2.4. De Procureur-Generaal Fokkens heeft ter terechtzitting van de Hoge Raad van 26 mei 2009 geconcludeerd dat de aanvrage deels niet-ontvankelijk is en voor het overige moet worden afgewezen. 2.5. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 3. Bewezenverklaring en bewijsmiddelen 3.1. De Rechtbank heeft ten laste van de aanvrager bewezenverklaard dat: "hij in de periode van 25 februari 1989 tot en met de maand juni 1999 te [plaats] meermalen, (telkens) met zijn minderjarig kind, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 1983), ontucht heeft gepleegd, bestaande die ontucht uit het houden en/of brengen en/of duwen van zijn, verdachtes, penis en/of vinger(
- s)in de vagina en/of mond van [slachtoffer 1] en/of het betasten van en/of knijpen in en/of strelen van de borsten en/of billen en/of vagina van [slachtoffer 1] en/of vingeren van [slachtoffer 1] en/of likken aan de vagina van [slachtoffer 1] en/of de hand van [slachtoffer 1] brengen op/aan zijn penis en/of zich laten aftrekken door [slachtoffer 1]." en dat "hij in de periode van 1 januari 1992 tot en met 31 december 1995 te [plaats] met zijn minderjarig kind, te weten [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 1981, meermalen, ontucht heeft gepleegd, namelijk door het meermalen, brengen en/of houden van zijn, verdachte's, penis in de anus van [slachtoffer 2] en of het betasten van de penis van [slachtoffer 2] en/of het aftrekken van [slachtoffer 2]." 3.2. De Rechtbank heeft op de voet van art. 365a Sv een verkort vonnis gewezen. Een aanvulling met de bewijsmiddelen ontbreekt, kennelijk omdat tegen het vonnis geen hoger beroep is ingesteld. Kennelijk om diezelfde reden ontbreekt een uitgewerkt proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank van 10 oktober 2001 naar aanleiding van welke terechtzitting het vonnis is gewezen. Wel bevindt zich bij de stukken het proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank van 13 februari 2001, op welke terechtzitting de zaak uitgebreid is behandeld en het onderzoek is geschorst in verband met de opname van de aanvrager in het Pieter Baan Centrum met het oog op observatie en een persoonlijkheidsonderzoek. 3.3. Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, kan ten aanzien van het bewijs van de tenlastegelegde feiten worden afgeleid hetgeen de Procureur-Generaal in zijn conclusie heeft weergegeven. De conclusie houdt dienaangaande onder 8 tot en met 27 het volgende in: "8. Voor de bewezenverklaring bieden de stukken een aantal aanknopingspunten die ik als volgt weergeef: (
- a)de aangifte(
- s)van [slachtoffer 1]; (
- b)de verklaring van een vrouw die werkzaam was op de school die [slachtoffer 1] bezocht; (
- c)de verklaring van een (school)vriendin van [slachtoffer 1]; (
- d)briefje(
- s)van [slachtoffer 1] aan de (school)vriendin; (
- e)de aangifte van [slachtoffer 2] alsmede (
- f)bekentenissen van aanvrager tijdens het opsporingsonderzoek en ter terechtzitting. 9. Op 22 juli 1999 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan van seksueel misbruik. Uit de stukken blijkt dat [slachtoffer 1] voorafgaand aan de aangifte drie gesprekken heeft gehad met hoofdagent van politie [betrokkene 4]. Deze gesprekken vonden plaats naar aanleiding van brieven die [slachtoffer 1] aan de wijkagent had geschreven. 10. De verklaring van [slachtoffer 1], zoals die is neergelegd in het daarvan opgemaakte proces-verbaal van 22 juli 1999, begint met een relaas van [slachtoffer 1] over haar thuissituatie. Voorts bevat het proces-verbaal de volgende verklaring over seksueel misbruik door haar vader (aanvrager): 'U vraagt mij naar de inhoud van de brieven die ik u heb geschreven om ze nader toe te lichten. Ik vind dit moeilijk omdat ik bang ben om erover te praten. Wat ik in de brieven heb geschreven is allemaal waar. Ik ben vanaf mijn 5e jaar mishandeld en lastig gevallen door mijn vader, [slachtoffer 2] en opa. U vraagt mij wat ik bedoel met lastig vallen. Hiermee bedoel ik sexueel lastig vallen. (...) U vraagt aan mij of er nog meer gebeurde met mijn vader. U leest een stukje voor uit mijn brief die ik u heb geschreven. Hierin vertel ik dat mijn vader mij slaat en ook andere dingen doet die ik niet leuk vind. U vraagt wat ik daar mee bedoel. Ik durf het niet te vertellen. Ik wil wel maar ik kan het niet. U vraagt aan mij of het te maken heeft met het zoals ik zelf heb geschreven: "het veilig doen". Ik kan u zeggen dat dit inderdaad zo is. Het is op sexueel gebied. Mijn vader viel mij sexueel lastig vanaf dat ik ongeveer 6 a 7 jaar was. Dit gebeurde in de [b-straat 1] en later ook bij mijn vader aan de [a-straat 1] te [plaats]. Dit is het huis van mijn vader waar ik de weekenden naartoe ging als hij thuis kwam. Mijn vader kreeg later een eigen woning. Het begon met betasten door mijn vader. Later had hij ook gemeenschap met mij. Ik weet niet meer hoe oud ik toen was maar ik was nog geen 10 jaar. Het betasten door mijn vader gebeurde in mijn slaapkamer. Ik was dan vaak bloot maar ook betastte hij mij wel eens onder mijn kleding. Mijn vader was ook meestal bloot. Mijn vader voelde aan mijn borsten, benen, en ik was bang. U vraagt mij of mijn vader verder nog iets heeft gedaan. Hij heeft mij ook over mijn hele lijf kusjes gegeven. Ik kreeg nooit een gewone nachtkus op mijn wang maar altijd op rare plekken. U vraagt mij of ik aan kan wijzen waar mijn vader de kusjes heeft gegeven. Dit wil ik niet. U vraagt mij of mijn vader mij op mijn handen heeft gekust: Nee. Op mijn hoofd: Nee, Op mijn gezicht: ja, Op mijn Rug nee, Op mijn bovenlijf: ja, Op mijn buik: Ja, Op mijn voeten: Nee, Op mijn borsten: Ja, op mijn armen: Ja, Nog ergens anders? Ja. Mijn vader heeft mij ook gekust op mijn vagina. Mijn broer noemt dit beffen. Ik moest vaak overgeven als er iets was gebeurd. U vraagt of ik ook iets bij mijn vader heb gedaan. Ik heb de blote penis van mijn vader vaak vast moeten pakken en heen en weer moeten bewegen. U vraagt of ik wel eens met iets anders mijn vader zijn penis heb aangeraakt. Zijn penis heeft ook in mijn mond gezeten. Ik werd dan misselijk en ik moest dan overgeven. Ik was altijd bang omdat mijn vader mij sloeg en ook gemene dingen tegen mij zei. U leest een stukje voor uit een brief die ik heb geschreven. Hierin schrijf ik dat mijn broer [slachtoffer 2] het altijd veilig doet en mijn vader soms niet. Dit klopt dat is zo. Verder wil ik even niet meer praten over mijn vader. (...)' 11. In aanvulling op deze aangifte heeft [slachtoffer 1] op 21 december 1999 nader verklaard over het seksueel misbruik door haar vader. Het proces-verbaal behelst daarover het volgende: 'Mijn oma was nog niet overleden, dus het was voor 10 juni van dit jaar. Het was in het huis van mijn vader aan de [a-straat] te [plaats], op een zondag. Het was om 11.00 uur. Ik was daar in zijn huis om schoon te maken. Ik kwam daar toen om 09.30 uur. Ik heb het hele huis gestofzuigd. Mijn vader was thuis. Hij was wakker. Nadat ik klaar was met stofzuigen heeft mijn vader mij, terwijl ik in de slaapkamer van mijn vader was, pijn gedaan. Het was geen slaan. Mijn vader was in de woonkamer. Ik was daar ook. Mijn vader zei mij toen dat ik naar de slaapkamer moest. Ik begreep toen al waarom hij dat zei. Het was namelijk niet de eerste keer. Er was al eerder iets gebeurd. De slaapkamer zit naast de huiskamer. Toen ik naar de slaapkamer was gegaan, kwam mijn vader mij achterna. Ik had toen mijn kleding nog aan. Mijn vader had ook zijn kleding nog aan. Ik moest van mijn vader mijn kleren uitdoen. Ik heb zelf mijn kleding uitgetrokken. Dat moest van mijn vader. Ik deed dat omdat ik bang was. Als ik namelijk iets niet doe wat mijn vader wil dan slaat hij mij. Ik heb mijn kleren uitgetrokken terwijl ik op bed zat, onder het dekbed. Mijn vader zat ook onder het dekbed en had ook zijn kleren uitgetrokken. Ik lag dus bloot op bed. Ik lag op mijn rug. Mijn benen lagen recht en mijn armen hield ik langs mijn zij. Mijn vader lag ook op bed. Hij lag naast mij. Mijn vader raakte mij aan. Dat deed hij heel even. Mijn vader raakte mij met zijn handen aan op een bepaalde plek. Dat was mijn blote lichaam. Het was op sexueel gebied dat hij mij aanraakte. Ik vind het heel moeilijk om het precies te vertellen; ik schaam mij daarvoor. Het aanraken deed hij hard. Dat was geen slaan, maar hij kneep mij op bepaalde plaatsen. U vraagt mij of hij mij aan mijn borsten aanraakte. Dat klopt. Hij raakte allebei mijn borsten aan. Hij kneep daar heel hard in. Dat deed pijn. Ook raakte hij mijn vagina aan. Dat deed hij met zijn handen, terwijl hij naast mij lag. U vraagt mij of hij mijn vagina ook aanraakte. Dat deed hij. U vraagt mij ook of hij mijn vagina bij mijn schaamhaar aanraakte. Hij deed dat verder naar achteren. U vraagt mij op welke manier hij mijn vagina aanraakte. Mijn vader deed dat zo ongeveer als de gynaecoloog dat bij mij heb gedaan toen ik onderzocht werd. Mijn vader ging met een of meerdere vingers tussen mijn schaamlippen. Ik voelde dat hij een klein stukje in mijn vagina ging. Dat deed namelijk veel pijn. Mijn vader deed dat toen hij naast mij lag. Toen hij stopte ging hij op mij liggen. U vraagt mij of ik de penis van mijn vader toen heb gezien en of hij stijf was. Ik weet niet wat met een stijve penis bedoeld wordt. Wel heb ik gevoeld dat zijn penis tegen mijn vagina kwam. Ik weet dat mijn vader een condoom om zijn penis had gedaan. Ik zag dat hij voordat hij op mij kwam liggen een condoom pakte uit een la en die om zijn penis deed. Nadat hij die condoom had omgedaan, kwam hij op mij liggen en kwam zijn penis tegen mijn vagina. Dat voelde ik. Zijn penis ging tussen mijn schaamlippen mijn vagina in. Dat was verder dan dat hij met zijn handen heeft gedaan. Ik weet niet precies hoever hij mijn vagina is geweest. Ik weet wel dat dat veel pijn deed. Terwijl hij op mij lag bewoog hij. Wanneer hij dat deed ging zijn penis steeds uit mijn vagina en er weer een stukje in. Ik lag met mijn benen opgetrokken uit elkaar. Dat moest van mijn vader. Hij deed dat zelf. Mijn voeten bleven op het bed. Terwijl mijn vader bewoog hield hij met zijn handen mijn handen, die ik nog langs mijn lichaam had, tegen. Hij hield ze vast. Op een gegeven moment stopte hij gewoon en ging hij van mij af. Hij kleedde zich aan en ging weer de woonkamer in en tv kijken. Ik stond ook op kleedde mij aan en moest nog de keuken dweilen en ging ik koffie zetten. U vraagt mij of ik weet of mijn vader klaar was gekomen. Ik weet niet wat klaarkomen is. Wel heb ik gezien dat er toen wit spul uit zijn penis was gekomen. Dat was terwijl hij een condoom omhad. Terwijl mijn vader zich aankleedde, nadat hij gestopt was, zei hij nog tegen mij, dat ik het tegen niemand mocht zeggen. U vraagt mij of ik de penis van mij vader wel eens met mijn handen heb moeten aanraken. Dat heb ik inderdaad wel eens moeten doen. Ik was dan alleen met hem en hij was bloot. Ik moest hem aanraken en moest stoppen wanneer hij dat dan zei. Dat is ook zo op die zondag gebeurd. Dat was voordat hij mijn vagina begon aan te raken. Dat had hij tegen mij gezegd. Hij lag naast mij op bed en ik moest, nadat hij mijn borsten had aangeraakt, zijn penis vastpakken. Ik moest van mijn vader met een hand zijn penis vastpakken en dan mijn hand bewegen. Hij pakte namelijk mijn hand vast en bewoog met zijn hand mijn hand. U vraagt mij hoe lang ik dit moest doen. Ik weet dat niet. Ik vond het lang. U vraagt mij ook hoe vaak dit is voorgevallen. Het gebeurde bijna iedere zondag in zijn huis, als ik daar kwam. Ik moest ieder zondag schoonmaken bij mijn vader. U vraagt mij of er nog wel eens andere dingen zijn gebeurd. Het is wel voorgekomen dat mijn vader mij heeft gezoend. Hij deed dat met zijn mond. Ik heb u al verklaard dat hij ook wel eens zijn penis in mijn mond heeft gedaan. Ik moest dan telkens overgeven. Dat is meerdere keren gebeurd. Zoiets dergelijks heeft mijn vader ook bij mij gedaan. Mijn broer noemde dat beffen. Dat heeft mijn vader ook meerdere keren gedaan. Dat gebeurde ook op de [a-straat]. U vraagt mij of ik weet wat beffen is en of dat hetzelfde is als een gewone zoen. Het was anders dan een gewone zoen. Mijn vader raakte dan met zijn mond mijn vagina aan. Ik voelde dan zijn tong. Deze laatste dingen gebeurden vaker dan wat hij deed als hij op mij kwam liggen. Die dingen gebeurden nagenoeg elke zondag, dat hij op mij liggen gebeurde niet elke zondag. Ik heb dit alles tegen niemand verteld. Ik heb u verklaard dat mijn vader het altijd deed met een condoom en u vraagt mij waarom ik toch naar de huisarts was geweest. Ik ben in 1998 twee keer bij de dokter geweest omdat ik bang was dat ik zwanger was. Ik was namelijk niet ongesteld geworden.' 12. Op 15 april 2000 heeft [slachtoffer 1] tegenover verbalisanten onder meer verklaard: 'Ik heb van u begrepen dat u nog nadere vragen heeft met betrekking tot mijn eerdere verklaringen. Ik vind het heel moeilijk om er weer over te praten en ik (heb) mij ook nu niet voor kunnen bereiden. Ik wil eigenlijk niet inhoudelijk meer op de zaken ingaan omdat ik steeds weer de beelden voor mij zie en dat helemaal niet leuk vind. U zegt mij dat justitie toch nog wat meer wil weten en dat dat heel belangrijk is voor de voortgang van de aangifte. (...) U vraagt aan mij of ik ook nog iets nader kan vertellen over het sexueel misbruik gepleegd door mijn vader en broer. Ik vind dit te moeilijk. Ik heb al heel uitgebreid aan u verteld en dat heeft heel veel moeite gekost om dat te verwerken. Ik heb er weken niet van kunnen slapen. Ik weet dat het heel belangrijk is voor de voortgang van de aangifte maar ik vind het te moeilijk. U vraagt wanneer het sexueel misbruik voor het laatst is geweest. Dit was het weekend na het eerste gesprek met u op politiebureau [...]. Het was op een zondag. Er is toen hetzelfde gebeurd als ik u verteld (heb) in een eerdere verklaring. Deze zondag heeft mijn vader mij sexueel misbruikt. (...) Als u mij vraagt of dit 27 juni 1999 (was) kan dat best wel kloppen.' 13. De verklaringen van [slachtoffer 1] vinden op een aantal onderdelen bevestiging in de verklaring van een (school)vriendin, de verklaring van een vrouw die werkzaam was op de school die [slachtoffer 1] bezocht en in briefjes die [slachtoffer 1] destijds heeft geschreven. 14. Briefjes waarin [slachtoffer 1] aan haar klasgenoten c.q. vriendinnen over haar thuisproblemen schreef, circuleerden in ieder geval in het schooljaar 1996-1997. Klasgenoten hebben deze aan de schoolarts gegeven omdat [slachtoffer 1] erin aangaf dat ze het niet meer zag zitten. In het schooljaar 1997-1998 zou een van die briefjes betrekking hebben gehad op ongewenst gedrag van haar broer ten opzichte van [slachtoffer 1]. In een verklaring van [getuige 2], die destijds werkzaam was op de school waar [slachtoffer 1] naartoe ging, staat hierover het volgende: 'Tijdens een dagje zwemmen zag ik dat er diverse blauwe plekken op het lichaam van [slachtoffer 1] zaten. Dit was op de benen en armen van [slachtoffer 1]. Ik heb [slachtoffer 1] er later over aangesproken maar zij wilde er niets over vertellen. Ik heb toen de schoolarts [betrokkene 1] op de hoogte gebracht van deze bevindingen en [betrokkene 1] heeft getracht een gesprek aan te gaan met [slachtoffer 1] maar heeft toen niets verteld. Intussen hadden de klasgenootjes van [slachtoffer 1] briefjes ontvangen van [slachtoffer 1]. Deze briefjes werden door de klasgenootjes aan de schoolarts gegeven omdat daar meerdere malen in stond dat [slachtoffer 1] het niet meer zag zitten. (...) Het volgende schooljaar 1997-1998 ging iets beter omdat de klas haar beter opving. (...) Hoewel het op school iets beter ging in de omgang bleef [slachtoffer 1] in een sociaal isolement zitten. Er was geen steun vanuit het thuisfront. De zorgen bleven er om [slachtoffer 1]. [Slachtoffer 1] gaf nog steeds signalen af in de vorm van briefjes. Ik weet dat in een van de briefjes die [slachtoffer 1] aan vriendinne(
- n)heeft geschreven dat [slachtoffer 1] vertelt over ongewenst gedrag van haar broer ten opzichte van haarzelf. [Slachtoffer 1] heeft tot en met 1999 bij ons op school gezeten en heeft altijd een zorgelijke indruk op mij gemaakt.' 15. Op school heeft [slachtoffer 1] over haar thuissituatie verteld aan [getuige 1], een klasgenote. Haar verklaring in een proces-verbaal van 12 mei 2000 houdt onder meer in: 'In de eerste klas van de middelbare school kwam [slachtoffer 1] bij mij in de klas. (...) Ze vertelde dat ze thuis werkelijk alles moest doen. Ook vertelde ze dat ze werd geslagen met een riem en zo. Ik heb de striemen wel op haar rug gezien. Toen we allebei in de 2e klas zaten heeft ze mij op een keer verteld dat ze bang was zwanger te zijn. Ik zei haar toen dat dat toch niet kon, omdat ze toch geen vriend had. Later vertelde zij mij dat haar vader haar (
- al)vanaf toen ze heel jong was sexueel misbruikte. Ze vertelde niet wat hij deed, dat was volgens haar te erg om te vertellen. (...) [Slachtoffer 1] hield van haar oma, maar was tegelijkertijd ook wel bang voor haar. Via de maatschappelijk werkster heeft [slachtoffer 1] contact gekregen met de Raad voor de Kinderbescherming. Ik heb tegen [slachtoffer 1] gezegd dat ze echt alles tegen die vrouw van de Raad voor de Kinderbescherming moest vertellen. Deze vrouw van de Raad voor de Kinderbescherming heeft, nadat ze het verhaal van [slachtoffer 1] had vernomen, gesproken met haar oma en opa. Ik vind dit heel asociaal omdat [slachtoffer 1] er veel problemen mee kreeg. Die dag dat het gesprek tussen hen heeft plaatsgevonden heeft [slachtoffer 1] heel erg slaag gehad van hen. Ik ben op een gegeven moment van school gegaan en naar een andere school gegaan. In de weekends werkte ik bij Albert Heijn, waar ik [slachtoffer 1] nog wel eens ontmoette. Ik kon dan een paar minuutjes met haar praten. Ik zei haar ook dat ze mij altijd kon schrijven. Ik heb thuis, als mijn moeder ze niet heeft weggegooid nog deze briefjes in mijn lade liggen op mijn kamer. Ik heb deze altijd bewaard. Op een gegeven moment heb ik ook met mijn moeder over de problemen van [slachtoffer 1] gesproken en verteld dat ze misbruikt werd. Ik vertelde dat ze door haar broer werd aangerand. Mijn moeder wist toen niet wat ze er aan zou kunnen doen. Ik nam op een bepaald (moment) dan maar de beslissing om een brief die [slachtoffer 1] aan mij had gestuurd aan de wijkagent [betrokkene 2] te geven in de hoop dat er dan iets aan gedaan kon worden. Ik had eigenlijk geen vertrouwen meer in andere mensen, omdat de Raad voor de kinderbescherming ook zo vreemd had gehandeld. Kort nadat ik de brief aan de politie had gegeven is [slachtoffer 1] uit huis geplaatst. Ik weet dat [slachtoffer 1] het ook aan haar oma heeft verteld wat er met haar is gebeurd. Zij heeft toen [slachtoffer 1] voor slet en hoer uitgemaakt.' 16. Een aan de getuige [getuige 1] gericht briefje houdt onder meer het volgende in: 'hoi [getuige 1] hoe gaat het. met mij slecht. Je moet niet schrikken maar ik word door mijn broer misbruikt en mijn vader is precies hetzelfde Ik weet dat ik mijn vader ook moet aangeven maar ze doen toch niks. Dat doen ze nou ook niet. En dan mijn opa en oma nog ik hoop dat ik dit volhoud maar dat denk ik niet iedere dag is het hetzelfde mijn broer en mijn opa en oma En mijn vader in het weekend. als mijn vader te weten komt dat ik het vertelt heb dan doet hij wat en jij weet wat dat is, het heeft gewoon geen zin meer ze blijven doorgaan. en van mijn vader en mijn broer is het ergste en ik kan ze niet tegenhouden mijn vader is sterker dan mij en mijn broer ook Je moet mijn broer niet in elkaar slaan anders wordt het alleen maar erger. ik moet stoppen =xxx= [slachtoffer 1]' 17. [Slachtoffer 2] heeft, terwijl hij was gedetineerd in verband met de tegen hem door [slachtoffer 1] geuite beschuldigingen, aangifte gedaan wegens seksueel misbruik door zijn vader. De verklaring is als volgt opgenomen in het proces-verbaal van 15 januari 2001: 'Ik heb u enige tijd geleden gebeld omdat ik over mijn vader wil verklaren. (...) Ik heb met mijn advocaat gesproken en hij heeft mij aangeraden om mijn verhaal aan u te vertellen. Ik wil nu aangifte doen tegen mijn vader omdat ik dit eerder niet durfde. Ik weet dat ik niets slechts over mijn vader hoef te vertellen maar ik vind dat het moet. (...) Ik heb mijn verhaal al tegen mijn advocaat verteld en ik vond het toen al heel moeilijk. Ik vind het eng om te vertellen. Toen ik 12 jaar oud werd weet ik dat mijn vader op mijn verjaardag sexueel betast heeft. Deze datum kan ik mij heel goed herinneren. Ik weet ook heel zeker dat voor deze verjaardag mijn vader mij ook sexueel betastte. Het betasten bestond uit het aftrekken van mijn geslachtsdeel tot er wit spul uit kwam. Ik moest mijn vader ook aftrekken totdat er wit spul uit kwam. Dit gebeurde als mijn vader doordeweeks thuis was en ik bij hem sliep. Dit gebeurde wekelijks dat mijn vader mij sexueel misbruikte. Ik moest altijd bij mijn vader in bed slapen. Mijn vader zei tegen mij dat ik me uit moest kleden. Als ik mij niet uitkleedde dan kreeg ik weer harde klappen van mijn vader. Mijn vader sloeg altijd met zijn handen en nooit met iets anders, maar ik wil u vertellen dat hij wel grote handen heeft. Ik voelde dan dat mijn vader aan mijn stijve geslachtsdeel ging zitten. Ik deed dit ook bij mijn vader. Na mijn 12 verjaardag weet ik dat mijn vader met zijn geslachtsdeel bij mij van achteren binnen drong. Dit is vaak gebeurd. Ik denk 10 keer. Ook dit gebeurde op de slaapkamer van de woning van mijn vader aan de [a-straat 1] te [plaats]. Ik heb wel eens samen moeten douchen met mijn vader en dan zeepte hij mij helemaal in. Ik vond het nooit leuk als mijn vader deze dingen deed maar ik durfde niets te zeggen. Ik was bang van mijn vader want hij sloeg mij altijd. Ik durfde ook niets te zeggen tegen mijn opa en oma omdat opa ook altijd sloeg en ze geloofden mijn vader altijd. Ik weet dat als mijn vader bij mij sexueel binnendrong dat dit zeer deed. Ik wilde dan huilen maar als ik huilde dan sloeg mijn vader me weer. Als ik er iets van zei dan riep hij altijd iets van kop houden. Mijn vader sloeg mij heel vaak en hard. Hij heeft mij 2 maal een blauw oog geslagen en 1 maal een bloedneus. (...) Ik weet dat mijn vader ergens na mijn 14e verjaardag is gestopt met het sexueel lastig vallen. Waarom dat weet ik eigenlijk niet precies maar ik weet wel dat mijn vader niet meer thuis kwam doordeweeks. Ik wil u ook vertellen dat mijn vader mij in het weekend nooit lastig viel omdat [slachtoffer 1] kwam schoonmaken.(...) Ik wil u ook vertellen dat ik vaak heb gezien dat [slachtoffer 1] ook werd geslagen door mijn vader en mijn opa. (...) Opa was ook heel gauw boos en sloeg ons. Het sexueel misbruik is gestopt na mijn veertiende verjaardag. Het slaan is echter doorgegaan. Mijn vader sloeg mij om het minste geringste. Ik werd vaak geslagen door hem. Als er iets niet naar zijn zin was dan sloeg hij mij. Ook als ik helemaal niets deed en hij het niet naar zijn zin had dan sloeg hij mij.' 18. Verder bevat het dossier een brief van de huisarts van [slachtoffer 1] dat op haar verzoek in 1998 en 1999 twee zwangerschapstesten zijn uitgevoerd. Ook staat in de brief een overzicht van onderzoeken waarbij enig lichamelijk letsel was vast te stellen. Bij de contacten die de huisarts met [slachtoffer 1] heeft gehad is er geen directe aanleiding geweest om aan seksueel misbruik te denken. 19. Aanvrager heeft bij het eerste politieverhoor, om 11.30 uur op 1 september 2000, de volgende verklaring afgelegd: 'Ik begrijp dat ik verdacht word van ontucht en gemeenschap hebben met mijn dochter. Ik ben bereid antwoorden te geven op vragen, maar wil eerst met mijn advocaat spreken.' 20. Tijdens het tweede politieverhoor dat later die dag vanaf 14.30 uur werd gehouden, heeft aanvrager nader verklaard. De verklaring van aanvrager is als volgt in het proces-verbaal opgenomen: 'U vraagt mij wat ik ervan vind, dat [slachtoffer 1] aangifte tegen mij heeft gedaan. Ik vind het heel moeilijk om erover te praten. Ik weet niet hoe ik moet beginnen. Ik weet niet precies waar ik moet beginnen. Ik kan mij niet precies herinneren, wanneer het is begonnen en waar. Het moet volgens mij wel op de [a-straat] zijn gebeurd, in de slaapkamer. Ik was doordeweeks niet thuis dus kan het niet gebeurd zijn. [Slachtoffer 1] kwam 's zondags naar mij toe. Ze woonde bij opa en oma. Ze kwam dan bij mij douchen, dat deed ze bij opa en oma nooit. Ook zat ze bij mij aan de computer. [Slachtoffer 2] deed dat ook graag. Ik ken het eigenlijk niet goed onder woorden brengen. Ik zal het proberen. Het is voorgevallen dat ik op mijn bed in de slaapkamer ben gaan liggen en ging slapen. Ik werd op een gegeven moment wakker en zag dat [slachtoffer 1] naast mij in bed lag. Ik lag onder de dekens in een boxershort. [Slachtoffer 1] lag op de dekens en was uitgekleed. Ik kan het niet uitdrukken wat ik toen gedaan heb. Ik kan alleen maar zeggen dat ik toen dingen met [slachtoffer 1] gedaan heb die niet horen als vader zijnde. Die dingen waren op sexueel gebied. Ik begrijp nu dat het fout was wat ik gedaan heb. Op het moment dat het gebeurde besefte ik niet dat het fout was. Ik heb nooit sexuele voorlichting gehad. U vraagt mij of ik nog weet hoe oud [slachtoffer 1] was toen het begon. Ze is nu anderhalf jaar weg. Ik denk dat het begonnen is toen [slachtoffer 1] een jaar of negen was. Het is gestopt voor het overlijden van mijn moeder. Mijn moeder is op 10 juni 1999 overleden. U vraagt mij hoe vaak ik het deed. Het werd later minder in aantal dan in het begin. Ik zal proberen te omschrijven wat ik deed. Ik betastte haar. U vraagt mij of er meer is gebeurd dan betasten. Ik kan het niet goed onder woorden brengen, maar het is verder gegaan dan betasten. Het is zelfs zover gegaan dat ik gemeenschap heb gehad met [slachtoffer 1].' 21. Tijdens het derde politieverhoor op 2 september 2000 heeft aanvrager uitgebreider verklaard. Zijn verklaring is als volgt in het proces-verbaal weergegeven: 'Ik heb het hier erg moeilijk mee om daarover te praten. (...) Bij de scheiding zijn de kinderen aan mijn ex-vrouw toegewezen. (...) Mijn ex-vrouw wilde de kinderen echter niet hebben. Ik heb toen de kinderen toegewezen gekregen. (...) De kinderen zijn toen bij opa en oma gaan wonen vanwege mijn beroep. (...) Mijn vader en moeder deden de huishouding. De kinderen hoefden volgens mij niets te doen. (...) Als [slachtoffer 1] bij mij op zondag thuis kwam dan maakte zij mijn huis schoon. (...) Zij moest dit van mij doen. Het is gebeur(
- d)dat als zij het niet deed of wilde doen dat ik haar sloeg. Dit is meerdere malen gebeur(d). (...) Ik sloeg haar nooit in het gezicht. Ik sloeg haar alleen op haar billen of op haar lichaam. Ik sloeg haar enkel met mijn handen. Het is voor gekomen dat ik haar ook wel eens een schop heb gegeven. Ik schopte haar tegen de billen. (...) Ik kan best begrijpen dat [slachtoffer 1] bang voor mij was in die tijd zoals ik haar behandelde. Als ik iets zei dan deed zij dit gelijk. Ik denk dat [slachtoffer 1] dacht dat als zij dit niet zou doen ik haar zou slaan. Ik kan nu best goed begrijpen dat zij die gedachten had. Ik begrijp nu best dat ik haar niet zo leuk behandelde. Ik behandelde haar niet zoals een vader dat zou moeten doen met zijn kinderen. Ik begrijp nu goed dat andere mensen [slachtoffer 1] mijn werkster of sloofje vonden. Ik stond daar in die tijd niet bij stil. Als mijn kinderen bij mij kwamen, dan moest [slachtoffer 1] eerst mijn woning schoonmaken. [Slachtoffer 2] mocht altijd gelijk op de computer gaan spelen. [slachtoffer 1] mocht dit ook maar dat mocht pas nadat zij had schoon gemaakt. (...) Toen [slachtoffer 1] ongeveer 9 jaar oud was begon ik haar seksueel te misbruiken. Dit misbruik heeft alleen plaats gevonden in mijn woning aan [a-straat]. Ik was altijd alleen met haar in de woning. Het gebeurde zowel in de slaapkamer als in de woonkamer. De reden waarom ik ben begonnen om haar te misbruiken is dat ik volgens mij genegenheid mistte. Ik heb nooit genegenheid gehad. Niet van mijn ex-vrouw of andere vrouwen waarmee ik een relatie heb gehad. Ik heb wel genegenheid en liefde van mijn ouders gehad. Ik had volgens mij een drang naar genegenheid. Het misbruik begon met haar te betasten. Ik kan nog niet over details verklaren van het misbruik. Ik heb het hier erg moeilijk mee. Ik wil daar later op terug komen.' 22. De volgende dag heeft aanvrager tijdens het politieverhoor nader verklaard. Het proces-verbaal van het verhoor van 3 september 2000 houdt onder meer het volgende in als verklaring van aanvrager: 'U vraagt mij over de details van de ontucht die ik met mijn dochter [slachtoffer 1] heb gedaan. Ik zal proberen daar over te verklaren. Ik heb het daar wel moeilijk mee. De ontucht met [slachtoffer 1] begon toen zij ongeveer de leeftijd van 9 jaar had. (...) De ontucht begon met het betasten van [slachtoffer 1]. Ik begon met het betasten van haar borsten. [Slachtoffer 1] moest van mij haar kleding uittrekken. Dit zei ik tegen haar. Ik bedreigde haar niet. [Slachtoffer 1] trok zelf haar kleding uit. Zij was volgens mij wel bang voor mij. Ik denk wel dat zij wist dat als zij haar kleding niet zou uit trekken, zij een pak slaag zou krijgen. Zij lag dan naakt op bed. Ik trok zelf ook mijn kleding uit. Ik ging dan naakt naast haar op bed liggen. Soms hield ik mijn boxershort aan. Ik begon eerst haar borsten te betasten. Hierna begon ik verder te gaan. Ik begon haar vagina te betasten. Ik begon haar te vingeren. Hiermee bedoel ik dat ik mijn vinger in haar vagina bracht en haar vagina begon te vingeren. [Slachtoffer 1] vond dit volgens mij niet leuk. Ik kon dit merken aan haar houding en de uitstraling van haar gezicht. Hoewel zij dit niet leuk (vond) ging ik toch door. Ik dacht daar niet bij na. Ik vond dit van ondergeschikt belang en ik dacht alleen aan mijzelf. Ik moest zelf aan mij(
- n)trekken komen. Ik zoende ook haar borsten. Ik kneep ook in haar borsten. Volgens mij kneep ik niet zo hard. [Slachtoffer 1] vond dit helemaal niet leuk. Zij zei dat ik dit niet moest doen. Zij zei dat het pijn deed. Ook heb ik [slachtoffer 1] gebeft. Hiermee bedoel ik dat ik mijn tong bij haar vagina naar binnen bracht en haar binnenin begon te likken. Ook dit vond [slachtoffer 1] niet leuk. Dit zag ik aan haar houding. [Slachtoffer 1] moest mij ook pijpen. Hiermee bedoel ik dat zij mijn stijve penis in haar mond moest nemen. Zij moest dan aan mijn penis likken en zuigen. Het is wel eens gebeur(
- d)dat ik een zaadlozing in haar mond kreeg. Dit vond zij niet leuk. Zij ging dan gelijk naar de badkamer. Zij gaf dan over en begon gelijk haar mond schoon te maken. Ik begreep best dat zij dit helemaal niet leuk vond. Ik ging steeds verder met mijn handelingen. Vervolgens begon ik gemeenschap met haar te hebben. Ik bedoel hiermee dat ik haar neukte. Zij lag dan naakt op haar rug op bed. Zij had haar benen uit elkaar gedaan. Zij moest dit van mij en zij deed dit ook. Ik denk wel dat zij bang was. Ik was zelf ook naakt. Ik ging dan op haar liggen en bracht mijn stijve penis bij haar naar binnen in haar vagina. Ik begon dan op en neer gaande bewegingen op haar te maken. Als ik haar neukte gebruikte ik een condoom, omdat ik bang was dat zij zwanger zou worden. Volgens mij gebruikte [slachtoffer 1] geen voorbehoedsmiddelen. Zij vond dit niet leuk en was boos. Ik kon dit zien aan haar gezicht. Ik merkte wel dat ik haar pijn deed. Dit zei zij ook tegen mij. Ik kon dit ook merken aan haar houding. Ik begrijp dat ik mijn dochter [slachtoffer 1] heb ontmaagd. Hiermee bedoel ik dat ik de eerste man was die met haar gemeenschap had. Ik kan mij nog herinneren dat toen ik de eerste keer met haar gemeenschap had zij schreeuwde. Volgens mij had zij veel pijn. Zij was toen volgens mij ongeveer 9 jaar. Als ik met haar neukte kwam het regelmatig voor dat ik klaar kwam. Ik kreeg dan een zaadlozing in de condoom die ik gebruikte tijdens de gemeenschap. De sexuele handelingen en de gemeenschap zijn begonnen toen [slachtoffer 1] ongeveer 9 jaar oud was. Dit is gestopt toen zij ongeveer 16 jaar oud was. Het is allemaal gebeurd in mijn woning aan de [a-straat] in [plaats]. Als [slachtoffer 1] het weekend bij mij was aan de [a-straat] dan misbruikte ik haar. Zij kwam niet ieder weekend bij mij, maar als zij bij mij was dan gebeurde het. Ik was altijd alleen met haar in de woning. Als ik iets zei tegen haar dan deed zij dit gelijk. Ik denk wel dat zij bang voor mij was. U vraagt of ik haar handen heb vast gehouden tijdens de gemeenschap met haar. Dit heb ik echter nooit gedaan omdat dit (niet) hoefde. Zij deed altijd gelijk wat ik tegen haar zei. Zij was bang voor mij omdat ik haar sloeg. Ik heb haar weleens geslagen voordat ik met haar gemeenschap (had). Ik sloeg met mijn handen. Ook als ik wel eens ruzie met haar had dan sloeg ik haar. U toont mij een kopie van een brief van de schoolarts waarin staat (dat) het vermoeden was dat mijn zoon [slachtoffer 2] mijn dochter [slachtoffer 1] zou misbruiken. Ik heb deze brief nooit gezien. Ik weet ook (van) het bestaan daarvan niet af. Ik weet wel dat de Stichting Jeugdzorg een onderzoek heeft gedaan hierna. Ik heb [slachtoffer 2] daar toen over aangesproken. Hij ontkende dit. Ik ging ervan uit dat hij de waarheid sprak. Ik geloofde echter [slachtoffer 1]. [Slachtoffer 1] zei dat dit wel zo was. Ik heb er echter geen werk van gemaakt. Ik heb [slachtoffer 1] niet met anderen daarover laten praten. Ik heb dit niet gedaan omdat ik bang was. Het zou dan best eens kunnen dat [slachtoffer 1] zou gaan vertellen dat ik haar ook misbruikte. Ik moest dit voorkomen. Ik schaam mij heel erg voor wat ik allemaal [slachtoffer 1] heb aangedaan. Ik begrijp dat ik ontzettend fout ben geweest. Ik ben een slechte vader voor [slachtoffer 1] geweest. De dingen die ik met haar heb gedaan doe je niet met je eigen kind. Ik begrijp dat zoiets niet hoort.' 23. Bij de rechter-commissaris heeft aanvrager op 4 september 2000 eveneens een bekennende verklaring afgelegd. In het proces-verbaal is dit als volgt opgenomen: 'Ik beken. Ik heb in mijn woning aan de [a-straat] te [plaats] mijn dochter [slachtoffer 1] meer malen seksueel misbruikt. Dat begon toen zijn 9 jaar was en dat is geëindigd toen zij 2 weken na het overlijden van mijn moeder in juni 1999 uit huis geplaatst werd. Ik heb haar in die periode gevingerd, gebeft, haar mij laten pijpen en gemeenschap met haar gehad. Ik heb ook haar borsten betast en gestreeld en in haar borsten geknepen. Het was mij bekend dat zij dit niet wilde; ik kon dat aan haar zien. Ik wist dat [slachtoffer 1] bang voor mij was omdat ik haar wel eens slagen gaf. Ik vind het moeilijk om hierover te praten en ik hoor u zeggen dat u het daarom bij deze korte samenvatting over de feiten zult laten.' 24. Bij het verhoor door de rechter-commissaris is mr. A.C. Bosch als advocaat van verdachte aanwezig geweest. De raadsman refereert zich met betrekking tot de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling, aldus het proces-verbaal. 25. Met betrekking tot het seksueel misbruik van zijn zoon, heeft aanvrager twee maal een verklaring afgelegd. De eerste is opgenomen in het proces-verbaal van het politieverhoor dat op 17 januari 2001 heeft plaatsgevonden. Hetgeen aanvrager heeft verklaard, is daarin als volgt weergegeven: 'Ik weet dat ik geen antwoord hoef te geven. Ik begrijp van u dat mijn advocaat op de hoogte is gesteld van dit verhoor. (...) U vraagt mij hoe ik er nu tegenover staat. Ik heb mijn eerder afgelegde verklaringen bij u, inmiddels ingetrokken. Ik heb het recht om mijn eerdere verklaringen in te trekken. Dit is niet tegen de wet. Ik wil geen 5 of 6 jaar zitten. Ik wil u zeggen dat [slachtoffer 1] niet heeft gelogen en ik in mijn eerdere verklaringen ook niet. Ik ben gewoon bang om lang te moeten zitten. U vertelt mij dat u met mijn zoon [slachtoffer 2] heeft gesproken. U vertelt mij dat [slachtoffer 2] aangifte heeft gedaan van sexueel misbruik van [slachtoffer 2] door mij. Ik wil u vertellen dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geen leugenaars zijn. Ik heb er vaak over nagedacht wat ik [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heb aangedaan. Ik vind het heel moeilijk. Ik wil eerst mijn advocaat spreken voor ik verder praat. Maar ik begrijp van u dat u mijn advocaat heeft gebeld en dat deze niet is verschenen. U vraagt aan mij of ik [slachtoffer 2] sexueel heb misbruikt. Ik vind het heel moeilijk om te zeggen en ik schaam mij heel erg hiervoor. Maar het klopt dat ik [slachtoffer 2] heb misbruikt. Ik wil daar verder niet op ingaan want ik schaam mij en ik durf dit niet te vertellen. Ik zou er wel over willen praten met een psychiater maar ik weet niet of ik dit kan. U vraagt hoe oud [slachtoffer 2] was toen het gebeurde. Ik weet dit niet precies maar het gebeurde in mijn woning aan de [a-straat 1] te [plaats]. U vraagt mij hoe lang het sexueel misbruik heeft geduurd. Ik weet dit niet onder woorden te brengen maar het is meerdere keren gebeurd. Ik weet ook niet wanneer het sexueel misbruik plaatsvond. het was in ieder geval als [slachtoffer 2] bij mij thuis was. Er was dan verder niemand in de woning.' 26. Later dezelfde dag heeft aanvrager volgens het van het verhoor opgemaakte proces-verbaal als volgt verklaard: 'Ik begrijp dat u nog enkele vragen heeft. Ik weet mijn rechten maar ik zal eerlijk antwoord geven op uw vragen. Ik kan heel moeilijk verklaren over het misbruik van mijn zoon [slachtoffer 2] door mij. U vertelt mij dat u mij enkele vragen zal stellen over het misbruik van mijn zoon [slachtoffer 2] door mij en dat ik daar enkel Ja of Nee op zal antwoorden. U vraagt mij of het misbruik is begonnen toen [slachtoffer 2] twaalf jaar oud was. Dit is juist. U vraagt mij of het misbruik tot ongeveer zijn vijftiende jaar heeft geduurd. Dit is ook juist. U vraagt mij of het gebeurd is in mijn woning en doordeweeks is gebeurd. Dit is juist. U vraagt mij waar [slachtoffer 2] sliep. [Slachtoffer 2] sliep bij mij in bed. Ik moest hem in de gaten houden omdat hij rare dingen deed, zoals de televisie aanzetten. koffie zetten of de stereo aanzetten. U vraagt mij wat ik en [slachtoffer 2] droegen als hij bij mij in bed sliep. [Slachtoffer 2] en ik droegen allebei onze onderbroek, verder niets. U vraagt mij of [slachtoffer 2] wel eens zijn onderbroek uit had. Dit is juist. U vraagt mij of [slachtoffer 2] bang voor mij was. Ik weet dit niet, ik heb nooit aan hem gemerkt of gevraagd. U vraagt mij of ik [slachtoffer 2] wel eens sloeg. Ik sloeg hem als hij vervelend was. U vraagt mij of ik [slachtoffer 2] terwijl hij bij mij in bed lag terwijl hij bloot was aanraakte. Dit is juist. U vraagt mij of ik wel eens aan zijn stijf geslachtsdeel zat. Dit is juist. U vraagt mij of ik dan zijn stijf geslachtsdeel aftrok. Dit is juist. U vraagt mij of hij mijn geslachtsdeel ook heeft afgetrokken. Dit is niet juist. U vraagt mij of ik mijn geslachtsdeel bij [slachtoffer 2] in zijn kont heb gestoken. Dit is niet juist. Ik weet niet waarom [slachtoffer 2] dit heeft verklaard. U vraagt mij of ik wel eens met [slachtoffer 2] naakt onder de douche heb gestaan, terwijl ik hem waste. Dit is juist. U vraagt mij of ik [slachtoffer 2] vaak sloeg. Ik sloeg hem alleen als hij dit verdiende. Ik sloeg hem alleen op zijn kont. U vraagt mij of ik hem wel eens een bloedneus of een blauw oog heb geslagen. Dit is niet juist. Dit heb ik volgens mij nooit gedaan, althans ik kan mij niet meer herinneren. Het kan best zo zijn dat ik wel eens te ver ben gegaan met slaan, maar dit kan ik mij niet herinneren. (...) U vraagt mij wanneer ik stopte als ik [slachtoffer 2] aftrok. U vertelt mij dat [slachtoffer 2] heeft verteld dat ik stopte als er wit spul uit zijn geslachtsdeel kwam. Dit is juist. Ik stopte met aftrekken als er sperma uit zijn geslachtsdeel kwam. Als [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij mijn geslachtsdeel heeft afgetrokken en dat ik bij hem sexueel binnen gedrongen, is dit [de Hoge Raad leest: niet] waar. Dit is nooit gebeurd. Waarom [slachtoffer 2] dit heeft verklaard, weet ik niet. U vraagt mij of ik wel eens bloot op hem gelegen. Dit is niet waar. Dit is nooit gebeurd. Ik begrijp dat ik volkomen verkeerd heb gehandeld. Ik weet dat ik strafbaar ben door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] sexueel te misbruiken. Ik had dit nooit moeten doen. Ik heb daar nu spijt van. Ik begrijp dat het niet goed met mij is. Ik wil graag behandeling hebben voor hetgeen dat ik bij mijn kinderen heb gedaan op sexueel verkeerd. Ik weet dat de schuld bij mij ligt en dat mijn kinderen hieraan geen schuld hebben. Ik had beter moeten weten als vader.' 27. Ter terechtzitting van de Rechtbank van 13 februari 2001 heeft aanvrager uitvoerig verklaard over het seksuele misbruik van zijn dochter en zijn zoon. Ik geef hier het voor de beoordeling van de aanvrage relevante deel van die verklaring weer: 'Toen wij nog op de [b-straat] bij mijn ouders woonden is er niets gebeurd met [slachtoffer 1]. Dat was pas op de [a-straat]. Ze was toen ongeveer 6 jaar. Eerst was het alleen betasten, later gemeenschap. Dat klopt wel. Ik vind het moeilijk daarover te praten. Ik betastte haar op plaatsen die met sex te maken hebben, borsten, vagina, vingeren, van binnen en van buiten. Het is begonnen toen ze 6 à 7 jaar was. Zoenen niet, dat gebeurde niet. Het klopt dat ik haar op haar borsten en vagina heb gezoend. Ik ga niet praten over wat zij bij mij deed. Het klopt niet dat ze mijn penis moest vastpakken en op en neer bewegen. Ik sloeg haar wel en ze zal wel bang voor me geweest zijn. Ik weet niet waarom ze zegt dat zij die dingen moest doen. (...) Ik heb nooit gemeenschap met [slachtoffer 1] gehad en weet ook niet waarom ze spreekt over het veilig doen. (...) U houdt mij de tweede verklaring van [slachtoffer 1] uit december 1999 voor. (...) Wat [slachtoffer 1] verklaart kan ik me niet herinneren. Het klopt wel wat ze zegt over vingers in de vagina. Ik ben niet met mijn penis in haar vagina gegaan. Ik heb niet op haar gelegen, niet naast haar en heb niet in en uit haar bewogen. Ik heb dat niet gedaan. Ik ben niet klaargekomen. Ze hoefde niet aan mijn penis te zitten. Ik heb niet mijn penis in haar mond gedaan. Beffen heb ik niet gedaan. Het klopt wel dat ik met mijn tong in haar vagina ging. U houdt mij de verklaring van [slachtoffer 1] uit september 2000 voor (...). Ik heb nooit als man en vrouw gemeenschap met [slachtoffer 1] gehad. Aftrekken klopt ook niet, maar de rest wel. Ik weet niet waarom het is gebeurd. (...) Ik wist dat [slachtoffer 1] bang was en dat ze niet wilde wat ik deed. Ik weet niet waarom ik gezegd heb dat ze mij pijpte. Dat klopt niet. U vraagt mij, of ik het zo erg vind, dat ik het niet meer wil weten. Dat is niet zo. Het is gewoon niet gebeurd. Ik weet dat ik het wel gezegd heb, maar ik weet niet waarom. Ik heb haar niet ontmaagd. Ik ben gestopt omdat ik zag dat ik verkeerd bezig was, niet omdat [slachtoffer 1] wegging. Dat was toen mijn moeder begraven werd. Ik zat in Zuid-Duitsland toen [slachtoffer 1] wegging. Mijn vader belde mij daarover en ik was verbaasd. (...) Ik heb [slachtoffer 2] niet afgetrokken en hij mij ook niet. Ik weet niet waarom hij dat zegt. Ik ben nooit van achteren bij hem binnengedrongen. Ik heb geen sex met hem gehad. Ik heb hem wel afgetrokken maar hij mij niet. Ik ben niet met mijn penis bij hem binnen geweest. Dat is nooit gebeurd. Ik kan me voorstellen hoe hij zich voelde. Ik denk dat ik verkeerd bezig ben geweest.'." 4. Grondslag voor een herziening Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, slechts dienen een - hierna als novum aangeduide - omstandigheid die bij het onderzoek op de terechtzitting de rechter niet is gebleken en die het ernstige vermoeden wekt dat, ware zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot vrijspraak van de veroordeelde. De aard van het onderhavige rechtsmiddel brengt mee dat de aangevoerde grond voor herziening niet reeds bij de eerdere berechting mag zijn gebleken. In dat geval is immers geen sprake van een novum, maar van een omstandigheid die de rechter die de veroordeling uitsprak, in zijn oordeel heeft kunnen betrekken. Voorts kan het novum slechts een omstandigheid van feitelijke aard betreffen. Een mening, overtuiging of gevolgtrekking kan in het algemeen niet als een omstandigheid van feitelijke aard worden aangemerkt. Dat brengt mee dat het oordeel van een deskundige in beginsel - behoudens bijzondere omstandigheden - slechts dan als een novum kan gelden indien deze deskundige is uitgegaan van feiten en/of omstandigheden van feitelijke aard welke niet bekend waren dan wel niet geacht kunnen worden bekend te zijn geweest aan de rechter die de uitspraak heeft gewezen waarvan herziening wordt gevraagd. Daarbij verdient opmerking dat aan de omstandigheid dat de deskundige op wiens bevindingen de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt, nadien tot een ander oordeel komt, in beginsel meer gewicht kan worden toegekend dan aan een - van die deskundige afwijkend - oordeel van een andere deskundige (vgl. HR 7 oktober 2008, LJN BD4153, NJ 2009, 44). 5. Beoordeling van de eerste herzieningsgrond 5.1. In de aanvrage wordt gesteld dat de de aanvrager belastende verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] onjuist zijn. Daartoe wordt aangevoerd dat het maagdenvlies van [slachtoffer 1] intact is bevonden. Voorts wordt aangevoerd dat [slachtoffer 2] de beschuldiging tegen de aanvrager bij notariële akte heeft ingetrokken. Tot slot wordt een beroep gedaan op bevindingen van prof. dr. W.A. Wagenaar en prof. dr. R. Bullens. 5.2. Het maagdenvlies 5.2.1. Als argument voor de onjuistheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] wordt aangevoerd dat bij lichamelijk onderzoek op 30 juni 1999 door de gynaecoloog [arts 2] het maagdenvlies van [slachtoffer 1] 'intact' is beoordeeld. [Slachtoffer 1] zou, met andere woorden, nog maagd zijn geweest aan het einde van de periode van het bewezenverklaarde seksueel misbruik (25 februari 1989 tot en met de maand juni 1999). In het bijzonder zou een intact maagdenvlies onverenigbaar zijn met de verklaring van [slachtoffer 1] dat zij op 27 juni 1999 - dus drie dagen voordat zij gynaecologisch werd onderzocht - door de aanvrager nog seksueel was misbruikt. 5.2.2. [slachtoffer 1] is op 30 juni 1999 onderzocht door de gynaecoloog [arts 2]. Haar bevindingen zijn samengevat door de politiearts [arts 3]. Deze samenvatting behoort tot het strafdossier waarover de Rechtbank beschikte. Zij luidt: "Hierbij zend ik u een samenvatting van de bevindingen van de gynaecoloog in het Dijkzigt Ziekenhuis. Deze komt tot de conclusie dat er bij uitwendig onderzoek en bij aanvullend onderzoek geen afwijkingen gevonden zijn. Met name zijn er geen aanwijzingen voor sexueel overdraagbare aandoeningen en was het maagdenvlies bij onderzoek intact. Wel werd een schimmelinfectie (candida albicans) geconstateerd en bleek er sprake van een onregelmatige menstruatiecyclus." 5.2.3. Bij de stukken van het nadien door het Hof in de beklagprocedure als bedoeld in art. 12 Sv gelaste gerechtelijk vooronderzoek bevinden zich: a. een rapport van genoemde [arts 2], dat zij als arts-assistent heeft opgemaakt van het aan [slachtoffer 1] verrichte onderzoek, welk rapport mede is ondertekend door dr. [arts 6], gynaecoloog, 'Chef de Policlinique' van het Academisch Ziekenhuis Rotterdam. Het rapport is gericht aan de huisarts [betrokkene 6] en houdt in: "[slachtoffer 1], geboren [geboortedatum]-1983, (...) bezocht op 30-06-1999 de Polikliniek Vrouwenziekten op verzoek van politie-arts. Anamnese en voorgeschiedenis: 16-jarige. Menarche 14-jarige leeftijd, sindsdien irregulaire cyclus in de vorm oligomenorroe à 3 maanden, daartussen korte periode regulaire cyclus. Anti-conceptie: geen. Patiënte vertelt dat zij sinds haar vijfde jaar door haar vader en broer seksueel wordt misbruikt. Patiënte sinds kort uit huis geplaatst. Er is geen sprake van buikpijnklachten, fluorklachten. Onderzoek: Timide niet ziek uitziend meisje. Uitwendige genitalia: geen afwijkingen. In speculo: onderzoek niet verricht; intact hymen. Vaginaal toucher: niet verricht. Abdominale echografie: uterus in AVF zonder afwijkingen, ovaria beiderzijds niet separaat à vue. Aanvullend onderzoek: fluoranalyse: geen groei van pathogene micro-organisme, positief voor candida albicans. (...) HbsAg: negatief. Anti-HIV: negatief, herpes simplex: grenswaarden, dit wordt nog éénmaal herhaald. Hormonaal onderzoek (...). Conclusie: geen afwijkingen. Conclusie en beleid: Periode van oligomenorroe. Hormonaal onderzoek geen afwijking. Gedurende jaren seksueel misbruikt, patiënte uit huis geplaatst. Aanvullend onderzoek: geen aanwijzingen voor SOA. Herpes simplex: zal worden herhaald, anamnetisch heeft patiënte minder klachten gehad, bij inspectie geen aanwijzingen voor blaasjes. Voor de candida albicans werd Gynodactarin voorgeschreven. Voor wat betreft de cyclusstoornis wordt een expectatief beleid gevoerd." b. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van [arts 3], arts, van 24 november 2005: "Het klopt dat ik als politiearts werkzaam ben geweest. Dat zal zijn geweest in de jaren 1999 en 2000. U zegt mij dat U mij als getuige wilt horen in de zaak van seksueel misbruik in de familie [van aanvrager]. Dat zegt mij op dit moment niks. U zegt mij dat in het dossier een verklaring zit van mijn hand de dato 9 september 1999 van [slachtoffer 1] geboren [geboortedatum]-1983. U leest mij die verklaring voor. Ik heb daar geen herinnering aan. Ik zag toen meerdere mensen per dag. U zegt dat er een handgeschreven stuk, ongedateerd, in het dossier zit waar mijn naam onder staat. U laat mij dat zien. Het is mijn handschrift. Ik heb hier verder geen herinneringen aan. Ik kan U wel zeggen dat brieven van specialisten door mij vaker werden vertaald in begrijpelijke taal voor de rechercheurs van politie. Ik kan geen andere reden bedenken dan deze voor het opstellen van deze verklaring. Ik denk dat [betrokkene 4] van de Jeugd- en Zedenpolitie was. Ik hield zelf geen archief bij van de dingen die ik zelf uitschreef." c. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van [arts 2], gynaecoloog, van 16 mei 2006: "U zegt mij dat u vragen heeft over een brief van huisarts [betrokkene 6] d.d. 31 augustus 1999. Ik herinner mij die brief. U zegt mij dat u ziet dat [slachtoffer 1] op 30 juni 1999 is onderzocht en vraagt mij waarom die brief pas op 31 augustus 1999 is gedateerd. Ik heb mijn bevindingen gedicteerd. Dat gebeurt altijd een aantal dagen na het onderzoek. Hetgeen ik heb gedicteerd gaat naar het secretariaat. Daar wordt het uitgetypt. Daarna is het door mij ondertekend en daarna wordt het door de chef de kliniek ondertekend. Ik was in die tijd arts-assistent. Zo'n stuk gaat dus van postvakje naar postvakje. Toen de chef de kliniek het stuk ondertekende was ik zelf al weg. Ik ben per 01 september 1999 naar een ander ziekenhuis gegaan en daarvoor had ik een periode vakantie. Ik weet nu niet meer wanneer ik dit stuk heb ondertekend. Het secretariaat verandert ook steeds de datum. Op het stuk wordt uiteindelijk de datum vermeld waarop het de deur uitgaat. Ik heb het stuk recentelijk nog bekeken. U vraagt mij wat er wordt bedoeld met "in speculo: onderzoek niet verricht". Dat betekent dat het onderzoek niet met een speculum heeft plaatsgevonden. Hymen betekent maagdenvlies. Ik heb van [slachtoffer 1] geen toestemming gekregen om inhoudelijk op deze brief in te gaan. Ik wil me beroepen op mijn verschoningsrecht. U vraagt mij of er in dit rapport een typefout is gemaakt. Nee, dat is niet het geval. Zoals het in dit briefrapport staat, klopt het. Ik heb bij [slachtoffer 1] gynaecologisch onderzoek verricht. Op vragen van mr. Alderlieste antwoord ik het volgende. Het klopt dat het maagdenvlies in zijn algemeenheid er verschillend uit kan zien. Het kan van de ene kant bestaan uit een dun vliesje maar aan de andere kant uit een dun randje. Het kan in het algemeen ook zijn dat je rafelige randjes ziet en dat het toch een intact maagdenvlies is. In het algemeen zegt het wel of niet intact zijn van het hymen niets over de vraag of er gemeenschap of seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Een abdominale echografie is een uitwendige echografie. Daar kun je het maagdenvlies niet op zien. Op vragen van mr. Baumgardt antwoord ik het volgende. Theoretisch gezien is het mogelijk dat iemand jarenlang dagelijks geslachtsgemeenschap heeft en dat toch het maagdenvlies intact is. Dat wordt ook vermeld in boeken en op Internet. Ik verwijs dan ook naar het boek van Bilo. De politiearts heeft aan mij geen nadere vragen gesteld. Ik heb zelf de informatie niet naar de politiearts gestuurd. Dat is door een collega van mij gedaan. Als [slachtoffer 1] schriftelijk toestemming geeft en zich daarbij legitimeert, ben ik bereid op alle vragen antwoord te geven." d. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van [arts 2], voornoemd, van 16 mei 2006: "Inmiddels heb ik van [slachtoffer 1] toestemming gekregen om aan u vandaag uitleg te geven over het door mij bij haar verrichte onderzoek en vertaling te doen over door mij gebruikte woorden. U vraagt mij hoe ik heb kunnen constateren dat het maagdenvlies intact was. In het algemeen wordt de patiënt bij een gynaecologisch onderzoek in de beensteunen geplaatst en worden de schaamlippen gespreid en dan zien we het maagdenvlies. Dat is hier ook gebeurd. Het maagdenvlies is met het blote oog te zien. Wel wordt daarbij een lamp gebruikt. Ik weet nu niet meer hoe het maagdenvlies van [slachtoffer 1] eruit zag. Wij maken daar geen foto's van. Op vragen van mr. Baumgardt antwoord ik het volgende. Ovaria zijn eierstokken. Abdomen is buik. HbsAg is een afkorting voor Hepatitus B. Candida Albicans is een schimmelinfectie en een uterus is de baarmoeder. De term oligomenorroe is een onregelmatige cyclus die soms langer dan drie maanden uitblijft. Een candida albicans is officieel geen SOA." e. een schrijven van drs. [arts 7], gynaecoloog, van 25 juli 2006, voor zover inhoudende: "Na het dossier [achternaam aanvrager] volledig te hebben bestudeerd heb ik een indruk gekregen van de 4 mensen die bij deze intra-familiaire problematiek betrokken zijn. Naar aanleiding van het feit dat de aangeklaagden (de vader en de broer veroordeeld wegens seksueel misbruik van [slachtoffer 1]) vernomen hebben dat bij het gynaecologisch onderzoek van [slachtoffer 1] is verklaard dat haar maagdenvlies nog intact zou zijn, worden deze vragen gesteld. Aan deze constatering die wordt vermeld in het verslag van het medisch onderzoek verricht in het Academisch Ziekenhuis te Rotterdam wordt zeer veel waarde gehecht. De rapportage van [arts 2] gemeld bij het onderzoek luidt: "intact hymen". Er wordt geen nadere omschrijving gegeven van het hymen (maagdenvlies). Het aspect van een hymen kan zeer individueel wisselend zijn. Of een hymen intact is, wat bij een dergelijke vraagstelling belangrijk kan zijn, lijkt een gemakkelijk te beoordelen iets. Als er echter sprake is van al of niet seksueel misbruik verandert dit de zaak wel. Bij het beoordelen van het hymen wordt dan ervaring en speciale deskundigheid vereist van de onderzoeker. Er moet dan beoordeeld zijn of er oude littekens waren, bijvoorbeeld een fisuur, al of niet V-vormig, doorlopend tot de basale rand van het hymen of ingroei van bloedvaatjes. De houding van het kind (rugligging of knie-elleboog-ligging) kan een belangrijke aanvulling zijn om een maagdenvlies goed te kunnen beoordelen. Voor een dergelijke beoordeling wordt vaak gebruik gemaakt van een kolposcoop, een instrument waarmee m.b.v. een vergroting details beter beoordeeld kunnen worden. Bovendien worden de bevindingen dan in detail beschreven en/of met foto vastgelegd. Uw vraag of het mogelijk is dat bij iemand die in een periode van tien jaar vele malen is misbruikt op de wijze zoals omschreven in het rapport, het maagdenvlies intact is, kan als volgt worden beantwoord. Voor het ontbreken van lichamelijke afwijkingen bij een seksueel misbruikt kind zijn in de medische literatuur een aantal verklaringen te vinden. Ten eerste: het seksueel contact is zodanig dat er geen lichamelijke afwijkingen ontstaan of de afwijkingen zijn wel ontstaan maar zijn in de periode tussen het seksuele contact en het lichamelijk onderzoek genezen. Ten tweede: de verklaring van het kind wordt door een volwassene geïnterpreteerd op volwassen niveau en niet vanuit de gedachtewereld van het wereld van het kind. [Slachtoffer 1] meldt dat zij al vanaf haar 5e jaar seksueel misbruikt zou zijn. Zij vertelt ook hoe dit geleidelijk is toegenomen in vorm en omvang. Als een hymen beschadigd is is er maar één uitleg mogelijk; er heeft dan een penetratie plaatsgevonden. De beschadiging ontstaat of wel doordat de diameter van het te penetreren voorwerp meer was dan de maximale diameter van de hymen opening. Ofwel er was sprake van een scherp penetrerend voorwerp waarbij het maagdenvlies niet scheurt maar kapot gesneden wordt. Het maagdenvlies heeft overigens een heel sterkte elasticiteit en zal dus bij geleidelijke oprekking zeker niet hoeven te scheuren. Een gaaf hymen hoeft i.t.t. een beschadigd hymen niet te betekenen dat er geen seksueel misbruik heeft plaatsgevonden, het sluit dit absoluut niet uit! Op de eerste plaats is het zo dat niet bij iedere vorm van seksueel contact een penetratie plaatsvindt. Allerlei vormen van lichamelijk contact vallen onder seksueel misbruik en hoeven geen afwijkingen bij het slachtoffer na te laten. Hierover zijn diverse studies bekend. Soms is het zo dat er kleine voorwerpen in de vagina worden ingebracht via de hymen opening waarbij het hymen slechts oprekt en niet beschadigd wordt maar er wel sprake is van penetratie. Dit kan met de vingers of met andere voorwerpen gebeuren die een geringe diameter hebben. (...) Ook kan penetratie plaatsgevonden hebben met een al wat groter voorwerp maar is de hymenrand zo elastisch (dat geldt overigens vooral voor oudere meisjes) dat het hymen oprekt zonder dat het beschadigt. Dat is bijvoorbeeld duidelijk bij tampongebruik waarbij het hymen niet kapot gaat maar slechts wordt opgerekt. Over penetratie en het al of niet toebrengen van schade zijn diverse onderzoeken bekend. De bekendste hiervan is het onderzoek van Muram et al. (...) die 18 meisjes hebben onderzocht bij wie door de dader is toegegeven dat er sprake was van penetratie. Bij lichamelijk onderzoek werd bij 14 van de 18 meisjes geen afwijkingen gevonden. Bij 4 meisjes was er sprake van niet specifieke afwijkingen, dus niet specifiek voor seksueel misbruik. Bij 3 van die meisjes was het interval tussen het misbruik en het lichamelijk onderzoek minder dan één week. Hieruit kan worden geconcludeerd dat, zelfs als het slachtoffer en de dader het beide hebben over penetratie, het ook bij jonge kinderen nog niet betekent dat er altijd lichamelijke afwijkingen aanwezig zijn. De verklaring van de vader [aanvrager] is zeer gedetailleerd over het seksueel misbruik van zijn dochter. De kans op afwijkingen wordt duidelijk groter als er sprake is van een kortere tijd tussen het seksueel contact en het lichamelijk onderzoek en/of als er sprake is van bloedverlies t.g.v. het seksuele contact. Hierover zijn een aantal artikelen verschenen. Vooral Adams et al. (...) uit San Diego heeft daar heel duidelijk over gerapporteerd. De volgende vraag is of het mogelijk is dat het maagdenvlies herstelt na zodanig misbruik of verkrachting. Bij het beoordelen van het hymen is gebleken dat 10-14 dagen na een penetratie waarbij schade aan het hymen is ontstaan een spontaan herstel kan optreden. Hierbij worden macroscopisch (dus met het blote oog) geen afwijkingen meer geconstateerd. Als bij herstel littekenvorming optreedt is het in het algemeen na 8 dagen zichtbaar. Op basis van deze gegevens kan er geconcludeerd worden dat wanneer bij lichamelijk onderzoek een gaaf hymen wordt aangetroffen het onwaarschijnlijk is dat in een periode van 10-14 dagen voor het onderzoek penetratie heeft plaatsgevonden. (...) U vraagt of bij deze vragen de leeftijd van degene die is misbruikt of verkracht een rol speelt. Er zijn hiernaar ook een aantal onderzoeken gedaan. In het verleden werd er vanuit gegaan dat bij 23-45% van de kinderen bij wie misbruik bewezen wordt geacht afwijkingen worden aangetroffen. Een nieuw onderzoek van Adams (...) toonde aan dat bij 238 misbruikte kinderen tussen de 8 maanden en 17 jaar slechts bij een klein percentage uiteindelijk echte afwijkingen werden gevonden. Dat was slechts 5-10%. Ook een onderzoek van Berenson et al (...) laat dat zien. In dit onderzoek worden 192 seksueel misbruikte meisjes tussen 3-8 jaar bij wie een duidelijk penetratieverhaal een rol speelt vergeleken met 200 meisjes bij wie seksueel misbruik kan worden uitgesloten. Zij zagen de kinderen gemiddeld 42 dagen na het laatste seksuele contact en slechts 17 kinderen zag zij binnen 7 dagen na het laatste contact. Bij minder dan 5% van de misbruikte kinderen vond zij een litteken, een perforatie of een diepe kloof. Daarentegen kwamen fluor klachten bij 11% van de misbruikte kinderen voor t.o. 4% bij de niet misbruikte meisjes. Hetgeen dus een duidelijk verschil is. Een ander onderzoek toont aan dat er bij kinderen vaak een volledig herstel is na schaafwondjes, hematomen (bloed uitstortingen) of scheurtjes ter plekke. Slechts een klein percentage kinderen toont een herstel van de beschadigingen met een vaatverandering. Slechts bij 2 van de 99 meisjes was er sprake van een schade van het maagdenvlies waarbij er sprake was van blijvende vaatverandering. Wel moet in aanmerking worden genomen dat kinderen soms handelingen beschrijven als suggestief voor penetratie. Dat vormt echter op deze leeftijd geen bewijs voor penetratie. Kinderen kennen seksuele handelingen op die leeftijd niet en kunnen een penetratie (penis in de vagina) niet onderscheiden van bijvoorbeeld 'dry intercourse' (d.i. het wrijven van de penis tegen de schaamstreek of tussen de benen. Ook als een kind met een dergelijk verhaal het heeft over pijn is het nog geen bewijs voor penetratie. Druk van bijvoorbeeld de vinger of een penis of een voorwerp tegen de schaamstreek kan bij prepuberale meisjes al pijnlijk zijn of als pijnlijk worden ervaren. Dan kan de indruk van penetratie bestaan of de tekst kan zelfs worden gebruikt zonder dat het in werkelijkheid het geval is geweest." 5.2.4. Ter staving van de in de aanvrage betrokken stelling dat de omstandigheid dat het maagdenvlies van [slachtoffer 1] intact is bevonden, onverenigbaar is met haar belastende verklaringen, wordt een beroep gedaan op de bij het herzieningsverzoek gevoegde bevindingen van de gynaecoloog dr. [arts 1], neergelegd in: a. een schrijven van 27 december 2004, voor zover inhoudende: "In het leerboek "Praktische Gynaecologie" van Prof. dr. F.B. Lammes, uitgeverij Bohn Stafleu Van Loghum staat in hoofdstuk 3, handelend over de vulva, duidelijk beschreven dat de vorm van het hymen individueel sterk kan variëren en dat bepaalde vormverandering niet direct als bewijs kan dienen om sexueel misbruik te bewijzen, evenmin als men kan stellen dat, indien er met grote voorzichtigheid tot penetratie is overgegaan, een intact hymen een bewijs oplevert dat het niet gebeurd is. Evenwel wanneer er sprake is geweest van meerdere malen en mogelijk zelfs gedurende enkele jaren van sexueel misbruik, o.a. bestaande uit penetratie in de vagina, dan is het onmogelijk dat het hymen daarbij intact blijft of andersom gezegd, dan kan onmogelijk gesteld worden dat dan een hymen nog intact is. Misschien is een zeker herstel van het hymen mogelijk, alhoewel ik dat niet heb kunnen vinden in de literatuur, maar dan alleen als het lang geleden is en er slechts één of twee maal voorzichtige penetratie heeft plaats gevonden. In de onderhavige casus lijkt mij dat niet het geval. Concluderend zou ik willen stellen, dat of het verslag van [arts 2] is andersluidend of de feiten door [slachtoffer 1] verteld zijn niet naar waarheid." b. een rapport van 7 augustus 2006, voor zover inhoudende: "Op 28 juni 1999 heeft [aanvrager], destijds 16 jaar oud, aangifte gedaan bij de politie van sexueel misbruik door haar vader, [aanvrager]. Die aanklacht is daarna verbreed door ook haar grootvader [de grootvader] en haar broer [slachtoffer 2] daarvan te beschuldigen. Dat sexueel misbruik zou al zijn begonnen op haar 5e jaar en vanaf haar 9e jaar hield dat sexueel misbruik o.a. intravaginale penetratie in. De laatste maal voor haar aangifte dat er sexueel misbruik plaats vond was op 27 juni 1999 door haar vader. Extrapolatie van het aantal jaren dat het sexueel misbruik plaats vond en de frequentie door de daders geeft een getal boven de duizend. Op 30 juni 1999 ondergaat [slachtoffer 1] een gynaecologisch onderzoek naar aanleiding van de aangifte van jarenlang sexueel misbruik. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door [arts 2], assistent geneeskunde in opleiding (AGIO) op de afdeling gynaecologie/obstetrie van het Erasmus Medisch Centrum. Dat onderzoek bestaat uit inspectie van de uitwendige genitalia, waarbij [slachtoffer 1] in steensnede ligt. Voor zover uit de gegevens blijkt is er geen palpatie uitgevoerd en in ieder geval geen onderzoek in speculo. De conclusie van [arts 2] naar aanleiding van het onderzoek luidt dat er sprake was van een intact hymen bij [slachtoffer 1]. [Arts 2] heeft van het resultaat van het consult van [slachtoffer 1] verslag gedaan in een brief aan haar huisarts, [betrokkene 6]. [Arts 2] beriep zich vervolgens op haar verschoningsrecht om geen mededelingen aan derden te doen over de resultaten van haar onderzoek. Echter de supervisor van [arts 2], [arts 6], gynaecoloog, had er geen bezwaar tegen dat de brief werd ingezien. Het was vervolgens [arts 3], arts, die de brief heeft gelezen en in zijn aantekeningen staat dat de conclusie van [arts 2] was dat het hymen bij [slachtoffer 1] nog intact was. Voorbijgaand aan (- maar daarmee niet aangevend dat ik niet onder de indruk ben van -) de conclusies van Prof. Wagenaar, die ingaat op de betrouwbaarheid van de aangiftes en de conclusies van dr. Timmerman, die ingaat op de zorgvuldigheid van het politie onderzoek, blijft de vraag staan hoe het met elkaar te rijmen is, dat [slachtoffer 1] verklaart zeer frequent misbruikt te zijn en [arts 2] vaststelt dat het hymen op 30 juni 1999 nog intact was. Zoals reeds in eerdere brieven vermeld, is het hymen een (meestal) dunne structuur die de grens vormt tussen vulva en vagina. De vorm van het hymen kan zeer sterk variëren en het is dan ook soms moeilijk om vast te stellen of het hymen al dan niet nog intact is. Het stellen van een dergelijke diagnose vereist dat de onderzoeker specifieke ervaring heeft. Ten tijde van het onderzoek van [slachtoffer 1] op 30 juni 1999 was [arts 2] nog in opleiding tot gynaecoloog en heeft zij alleen inspectie van het hymen uitgevoerd, maar (voor zover mij bekend) geen (voorzichtige) palpatie en geen onderzoek in speculo met een zeer smal en klein (evt. neus-) speculum. Ook heeft zij tijdens of na dat onderzoek niet overlegd (voor zover mij bekend) met haar supervisor [arts 6]. Mijn commentaar: 1. Ten tijde van het onderzoek van [slachtoffer 1] in 1999 had [arts 2], destijds nog assistent, mogelijk veel ervaring in het onderzoeken van slachtoffers van sexueel misbruik, maar uit de stukken komt dat niet naar voren, 2. onduidelijk is, waarom op basis van enkele inspectie van het hymen tot de conclusie is gekomen dat het hymen nog intact was. Later stelt [arts 2] in het getuigenverhoor van 16 mei 2006 dat 'het theoretisch gezien mogelijk is dat iemand jarenlang dagelijks geslachtsgemeenschap heeft en dat toch het maagdenvlies intact is. Dat wordt vermeld in boeken en op internet. Ik verwijs dan ook naar het boek van Bilo'. In het boek van Bilo staat: - jarenlang misbruik is soms niet te zien, wanneer er sprake is van een zeer elastische hymenrand bij oudere meisjes - 10-14 dagen na penetratie een herstel kan optreden. Mijn commentaar: 1. [slachtoffer 1] is sexueel misbruikt van haar 9e tot haar 16e jaar en op die jonge leeftijd en na zo'n groot aantal penetraties, kan niet meer verondersteld worden dat het hymen nog intact is, dan wel dat de elasticiteit van de hymenrand zo groot was dat deze intact is gebleven. 2. [slachtoffer 1] vertelt in haar aanklacht dat zij op 27 juni 1999 nog is misbruikt door haar vader, dus drie dagen voor het onderzoek. Bilo schrijft duidelijk dat na een termijn van 10-14 dagen herstel kan optreden; met andere woorden na drie dagen moet de beschadiging nog zichtbaar zijn. 3. Tenslotte haalt [arts 2] nog 'boeken en internet' aan ter ondersteuning van haar stelling dat herstel mogelijk is. Gezien de belangrijkheid van haar uitspraak, zou ik dat graag onderbouwd zien. Concluderend zou ik het volgende willen stellen: - er zijn nog wat vragen te stellen over de specifieke ervaring op dit terrein van [arts 2] en van haar methode van gynaecologisch onderzoek bij [slachtoffer 1], - er zijn vraagtekens te zetten bij de opmerkingen van [arts 2] ten tijde van het getuigenverhoor op 16 mei 2006 dat een hymen intact kan zijn ondanks een jarenlang misbruik, - naar mijn kennis en ervaring is een hymen na een jarenlang sexueel misbruik bij een meisje tussen de 9 en 16 jaar absoluut beschadigd en is het niet meer in staat om zich te herstellen. Mijn conclusie op basis van de mij ter beschikking staande stukken, waaronder de bevindingen van het gynaecologisch onderzoek van [arts 2] is, dat de verklaringen van [slachtoffer 1] over een jarenlang sexueel misbruik haar waarheid is, en niet de waarheid." 5.2.5. Voor zover de aanvrage steunt op gronden die in de hiervoor onder 1.2.2 en 1.2.3 weergegeven beslissingen van de Hoge Raad van 9 september 2003 en 11 oktober 2005 ongenoegzaam zijn geoordeeld, kan zij niet worden ontvangen. 5.2.6. Voor zover in de aanvrage een beroep wordt gedaan op latere bevindingen van deskundigen geldt in de eerste plaats dat die bevindingen zijn gebaseerd op feiten en/of omstandigheden van feitelijke aard die aan de Rechtbank bekend waren dan wel geacht moeten worden bekend te zijn geweest, zodat - gelet op hetgeen hiervoor onder 4 is vooropgesteld - die bevindingen geen novum kunnen opleveren. 5.2.7. Daarnaast geldt het volgende. Uit vorenweergegeven deskundigenverklaringen kan worden afgeleid dat de gynaecologen [arts 2] en [arts 7] van mening zijn - anders dan de gynaecoloog [arts 1] - dat de omstandigheid dat sprake is geweest van gedurende vele jaren gepleegd seksueel misbruik, niet onverenigbaar is met de omstandigheid dat geen afwijkingen aan het maagdenvlies zijn geconstateerd. [Arts 7] rapporteert weliswaar dat "wanneer bij lichamelijk onderzaak een gaaf hymen wordt aangetroffen het onwaarschijnlijk is dat in een periode van 10-14 dagen voor het onderzoek penetratie heeft plaatsgevonden", maar noemt tevens onderzoeken waarin recente penetratie niet altijd tot beschadigingen van het maagdenvlies heeft geleid. Daarbij komt dat volgens alle betrokken deskundigen de zichtbaarheid van zulke beschadigingen moeilijk en mede afhankelijk van de gebezigde onderzoeksmethode kan zijn. In dat verband verdient opmerking dat het onderzoek van [arts 2] zonder gebruik van een speculum is gedaan, dat het macroscopisch, dus met het blote oog, werd uitgevoerd en dat zij niet een gedetailleerde beschrijving van haar waarnemingen heeft gegeven. Daarom kan aan haar bevinding "intact hymen" niet een doorslaggevende betekenis worden toegekend. Overigens houdt het vonnis van de Rechtbank niet in dat de aanvrager drie dagen voor het gynaecologisch onderzoek "geslachtsgemeenschap" heeft gehad met [slachtoffer 1], terwijl zij zelf spreekt over "seksueel misbruik", hetgeen meer omvat dan het hebben van geslachtsgemeenschap. 5.2.8. Het aangevoerde vormt niet een novum. 5.3. De verklaringen van [slachtoffer 2] 5.3.1. Als argument voor de onjuistheid van de verklaringen van [slachtoffer 2] wordt aangevoerd dat hij zijn belastende verklaringen ten overstaan van een notaris onder ede heeft ingetrokken. 5.3.2. Door en namens [slachtoffer 2] zijn uiteenlopende verklaringen afgelegd omtrent het al dan niet misbruikt zijn door zijn vader (de aanvrager). Het dossier bevat dienaangaande - in chronologische volgorde - de volgende stukken: a. een proces-verbaal van politie van 15 januari 2001, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]: "Ik heb u enige tijd geleden gebeld omdat ik over mijn vader wil verklaren. (...) Ik heb met mijn advocaat gesproken en hij heeft mij aangeraden om mijn verhaal aan u te vertellen. Ik wil nu aangifte doen tegen mijn vader omdat ik dit eerder niet durfde. Ik weet dat ik niets slechts over mijn vader hoef te vertellen maar ik vind dat het moet. Mijn vader is genaamd [aanvrager], geboren [geboortedatum]/1952 te [geboorteplaats]. Ik heb mijn verhaal al tegen mijn advocaat verteld en ik vond het toen al heel moeilijk. Ik vind het eng om te vertellen. Toen ik 12 jaar oud werd weet ik dat mijn vader op mijn verjaardag sexueel betast heeft. Deze datum kan ik mij heel goed herinneren. Ik weet ook heel zeker dat voor deze verjaardag mijn vader mij ook sexueel betastte. Het betasten bestond uit het aftrekken van mijn geslachtsdeel tot er wit spul uit kwam. Ik moest mijn vader ook aftrekken totdat er wit spul uit kwam. Dit gebeurde als mijn vader doordeweeks thuis was en ik bij hem sliep. Dit gebeurde wekelijks dat mijn vader mij sexueel misbruikte. Ik moest altijd bij mijn vader in bed slapen. Mijn vader zei tegen mij dat ik me uit moest kleden. Als ik mij niet uitkleedde dan kreeg ik weer harde klappen van mijn vader. Mijn vader sloeg altijd met zijn handen en nooit met iets anders, maar ik wil u vertellen dat hij wel grote handen heeft. Ik voelde dan dat mijn vader aan mijn stijve geslachtsdeel ging zitten. Ik deed dit ook bij mijn vader. Na mijn 12-de verjaardag weet ik dat mijn vader met zijn geslachtsdeel bij mij van achteren binnen drong. Dit is vaak gebeurd. Ik denk 10 keer. Ook dit gebeurde op de slaapkamer van de woning van mijn vader aan de [a-straat 1] te [plaats]. Ik heb wel eens samen moeten douchen met mijn vader en dan zeepte hij mij helemaal in. Ik vond het nooit leuk als mijn vader deze dingen deed maar ik durfde niets te zeggen. Ik was bang van mijn vader want hij sloeg mij altijd. Ik durfde ook niets te zeggen tegen mijn opa en oma omdat opa ook altijd sloeg en ze geloofden mijn vader altijd. Ik weet dat als mijn vader bij mij sexueel binnendrong dat dit zeer deed. Ik wilde dan huilen maar als ik huilde dan sloeg mijn vader me weer. Als ik er iets van zei dan riep hij altijd iets van kop houden. Mijn vader sloeg mij heel vaak en hard. Hij heeft mij 2 maal een blauw oog geslagen en 1 maal een bloedneus. Ik ben wel eens naar de dokter geweest als mijn vader me had geslagen maar welk letsel ik toen had weet ik niet meer. Ik vertelde dan tegen de dokter dat ik buiten had gevochten. Ik vertelde nooit wat er echt was gebeurd. Ik weet dat mijn vader ergens na mijn 14e verjaardag is gestopt met het sexueel lastig vallen. Waarom dat weet ik eigenlijk niet precies maar ik weet wel dat mijn vader niet meer thuis kwam doordeweeks. Ik wil u ook vertellen dat mijn vader mij in het weekend nooit lastig viel omdat [slachtoffer 1] dan kwam schoonmaken. (...) Ik wil u ook vertellen dat ik vaak heb gezien dat [slachtoffer 1] ook werd geslagen door mijn vader en opa. (...) Opa was ook heel gauw boos en sloeg ons. Het sexueel misbruik is gestopt na mijn veertiende verjaardag. Het slaan is echter doorgegaan. Mijn vader sloeg mij om het minste geringste. Ik werd vaak geslagen door hem. Als er iets niet naar zijn zin was dan sloeg hij mij. Ook als ik helemaal niets deed en hij het niet naar zijn zin had dan sloeg hij mij. Het leek wel of mijn vader zich afreageerde op mij en mijn zus [slachtoffer 1]. (...) Ik zei vaak tegen mijn vader dat hij dit niet moest doen. Hij reageerde daar niet op en ging gewoon door. Ik wil dat mijn vader wordt gestraft omdat hij mij sexueel heeft misbruikt." b. een akte van notaris [betrokkene 5] van 2 november 2004, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]: "Ten onrechte heb ik aan de politie verklaard dat mijn vader mij op twaalfjarige leeftijd seksueel heeft betast. Mijn vader heeft mij nooit seksueel betast. Vader heeft mij ook niet afgetrokken, ook dit heb ik ten onrechte verklaard. Ook heb ik mijn vader niet afgetrokken; ook dat heb ik ten onrechte bij de politie verklaard. Mijn vader heeft ook niet casu quo nooit aan mijn (stijve) geslachtsdeel gezeten. Ik heb dat ook niet bij mijn vader gedaan. Mijn vader is ook niet seksueel bij mij binnengedrongen, zoals ik ten onrechte heb verklaard. Dat is nog nimmer gebeurd. Toen ik aangifte deed, wist ik nog niet eens wat "seksueel binnendringen" was. Dat heeft [betrokkene 4] mij toen uitgelegd. Ik moest en ging ook niet samen met mijn vader onder de douche. (...) Ook ben ik nooit door mijn opa [de grootvader], seksueel misbruikt. [Slachtoffer 1] kwam nooit alleen naar de woning van mijn vader aan de [a-straat 1] te [plaats]. Wanneer zij langs kwam, kwam zij met mijn oma mee om het huis een beurt te geven. Zij was dus nooit alleen. Ik kan mij dus niet voorstellen dat zij seksueel misbruikt is. Toen mijn oma overleed is mijn vader nog diezelfde dag bij mijn opa ingetrokken. Hij is niet meer terug gegaan naar de woning aan de [a-straat 1] te [plaats]. [Slachtoffer 1]'s verklaring, dat zij nog na het overlijden van onze oma in de woning aan de [a-straat 1] seksueel contact heeft gehad met mijn vader, klopt dus niet. (...) De politie heeft mij verschillende keren gevraagd of mijn vader mij seksueel misbruikt heeft. Ik heb daar in eerste instantie steeds negatief op geantwoord en gezegd dat mijn vader mij niet seksueel heeft misbruikt. Toen de politie dat aan mij bleef vragen, voelde ik mij onder druk gezet en heb ik uiteindelijk toch maar verklaard wat de politie graag van mij wilde horen, te weten dat mijn vader mij seksueel misbruikt heeft. Daarvan heb ik grote spijt. Want mijn vader zit daardoor ten onrechte vast." c. het proces-verbaal van het door het Hof naar aanleiding van het klaagschrift als bedoeld in art. 12 Sv gehouden onderzoek in raadkamer op 27 april 2005, voor zover inhoudende: "Als raadsman van beklaagde [slachtoffer 2]] is verschenen mr. Jansen, advocaat te Rotterdam. (...) De raadsman van beklaagde [slachtoffer 2]] voert namens hem het woord en verklaart - zakelijk weergegeven -: Mijn cliënt ziet deze klacht als het zoveelste probeersel van zijn familie om onder de strafvervolging uit te komen. Mijn cliënt stelt zich op het standpunt dat hetgeen hij bij de politie heeft verklaard juist is. Mijn cliënt is gevraagd een verklaring af te leggen over de onschuld van zijn familie. Hij was dit constante gezeur zat en is toen akkoord gegaan met de verklaring bij de notaris. Hij dacht er dan vanaf te zijn. Mijn cliënt is naar de notaris gegaan, nadat hij daar een aantal keren toe opgeroepen was. Daar lag de verklaring al klaar. Deze is hem voorgelezen en mijn cliënt heeft deze verklaring toen ondertekend. Van een gesprek is geen sprake geweest. Als het niet juist zou zijn wat mijn cliënt bij de politie heeft verklaard, dan zou hij als eerste trachten zijn eigen onschuld te bewijzen. Mijn cliënt heeft de notariële akte getekend onder continue pressie van zijn familie. Mijn cliënt heeft niet eerst contact opgenomen met zijn raadsman en zich ook verder niet vergewist van de gevolgen. Hij heeft simpelweg ondertekend om van alles af te zijn. Ik vertel dit namens mijn cliënt, omdat hij het zelf erg lastig vindt om erover te praten. Mijn cliënt heeft nog contact met zijn vader. Hij bezoekt hem in de Tbs-kliniek. Nu wordt er niet veel meer gesproken over de aangifte. Mijn cliënt ervaart nu geen druk meer. Beklaagde [slachtoffer 2] verklaart zelf - zakelijk weergegeven -: Ik heb eergisteren niet met mijn vader over de zaak van vandaag gesproken. Ik ben zelf nog in therapie en vind het heel moeilijk om erover te praten." d. een schrijven met de titel "Spijtbetuigenis [slachtoffer 2]" van 20 juli 2005, voor zover inhoudende: "Op 27 april tegenover de rechtbank van den haag heb ik iets anders gezegd wat niet de bedoeling was mijn vader en opa hebben mijn nooit aangeraakt op sexueel gebied Mijn vader en opa hebben mijn nooit geslagen of mishandeld en ik ben altijd correct behandeld als ieder ander kind voordat mijn vader werd gearesteert was de band met mijn vader en opa en oma en de familie de jong goed ben behandelt en correct ben behandelt De aangifte die er ligt tegen mijn vader en opa is vals Oftewel niet naar waarheid ik heb hier een hele tijd mee rond gelopen om het te vertellen en de waarheid boven tafel te krijgen voor mijn vader en opa Er is een akte opgemaakt met de waarheid omtrent dit Zit in het dossier ik geloof niet dat [slachtoffer 1] is misbruikt door mijn vader en opa Ik heb hier grote spijt van en daarom heb ik de akte op vrijwillige basis op laten stellen ik ben niet onder druk gezet door de familie ik wil zelf ook dat de waarheid boven tafel komt daarom heb ik spijt hiervan wat er allemaal gebeurd is Daarom bezoek ik mijn vader regelmatig om de band toch een beetje te herstellen en op te bouwen En een band als vader en zoon te herstellen. Afz [slachtoffer 2]" e. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris opgemaakt in het kader van het door het Hof gelaste gerechtelijk vooronderzoek, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] van 15 november 2005: "U zegt mij dat ik indertijd tegen mijn vader en mijn opa aangifte heb gedaan van seksueel misbruik en mishandeling. U zegt mij dat U in het dossier een notariële akte heeft aangetroffen de dato 2 augustus 2004, waarin staat dat ik mijn eerdere aangiftes tegen mijn vader en opa intrek. U vraagt mij wat de waarheid is. De akte bij de notaris is juist. U zegt mij dat in de beschikking van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, de dato 27 april 2005, onder punt 10 wordt vermeld dat ik bij het Hof heb gezegd dat de verklaring bij de notaris niet juist is. Het klopt dat ik dat bij het Hof heb gezegd. Ik heb dat toen gezegd uit angst voor de gevolgen. U vraagt mij waar ik bang voor ben. Ik ben bang voor gevangenisstraf. Daar ben ik nu ook een beetje bang voor, maar ik wil nu wel de waarheid zeggen want dat is belangrijk. U vraagt mij hoe het kan dat ik de ene keer zeg dat ik wel seksueel misbruikt ben door mijn vader en opa en de andere keer dat dat niet zo is. Ik weet het niet. U vraagt mij waarom ik destijds aangifte van seksueel misbruik tegen mijn vader en opa heb gedaan als dat niet juist is. Ik ben zelf ook veroordeeld. Bij de verhoren destijds ben ik onder druk gezet. Men dacht toen dat ik ook misbruikt was. Ik ben in therapie geweest in Capelle aan den IJssel. Toen is aan het licht gekomen dat het niet waar was dat ik seksueel was misbruikt. U vraagt mij hoe de notarisverklaring tot stand is gekomen. Dat is via mr. Van Zundert gegaan. Op een gegeven moment werd ik gebeld door mr. Van Zundert. Hij vroeg mij of ik een gesprek met hem wilde hebben om de onwaarheden uit mijn verklaring te halen. Ik heb toen gezegd dat ik er eerst over na moest denken. Toen Van Zundert mij belde had ik helemaal geen contact met familie. Toen ik nadacht over het verzoek van Van Zundert heb ik ook geen contact met familie gehad. Het gesprek zou plaatsvinden met een advocaat die neutraal was. Dat is niet doorgegaan omdat die advocaat ziek werd. Ik heb het gesprek met Van Zundert een paar keer afgezegd omdat ik niet kon. Op een gegeven moment ben ik naar het kantoor van Van Zundert gegaan. Van Zundert stelde mij vragen en heeft alles op papier gezet. Daar was verder niemand anders bij aanwezig. Ik mocht de verklaring doorlezen en dat heb ik ook gedaan. Vervolgens heeft Van Zundert die verklaring naar de notaris gestuurd. U vraagt mij of Van Zundert mij onder druk heeft gezet. Nee, dat is niet het geval. Het gesprek met Van Zundert op zijn kantoor heeft plaatsgevonden een paar weken voordat ik naar de notaris ging. Op een gegeven moment belde de notaris mij op. Hij vroeg mij om langs te komen om de akte te tekenen. Ik ben toen naar het kantoor van de notaris gegaan. De akte lag klaar toen ik daar kwam. De verklaring werd aan mij voorgelezen, ik heb de eed afgelegd en daarna heb ik de verklaring ondertekend. Behalve de notaris en ik was daar verder niemand bij aanwezig. Ik heb een kopie van die notarisverklaring gekregen. Die heb ik voor vandaag niet doorgelezen. Na het ondertekenen van de notarisverklaring heb ik aan mijn vader een brief geschreven. In die brief schreef ik wat voor werk ik deed en dat ik contact met hem wilde. Daarna heb ik telefonisch contact met hem gehad. Vervolgens ben ik op bezoek geweest bij mijn vader in de Tbs-kliniek. Hij was onder begeleiding. In dat gesprek met mijn vader is toen gesproken over de notarisverklaring. Hij vond het fijn dat ik die verklaring had afgelegd, dat de waarheid nu boven water is. Vanaf dat eerste bezoek, bezoek ik mijn vader nu twee keer per week. Sinds een half jaar woon ik bij mijn opa, [de grootvader]. Ik miste mijn familie. Voordat ik bij mijn opa ging wonen, woonde ik in een beschermde woonvorm, [C]. Mijn vaste begeleider daar was [betrokkene 7]. Haar achternaam weet ik niet. U vraagt mij waarom ik bij mijn opa ben gaan wonen. Een paar maanden geleden werd ik ziek. Ik kreeg maagdarm-kanker. Ik heb toen gevraagd of ik bij mijn opa mocht gaan wonen. Dat was goed. Het is mijn eigen keuze. Mijn vader heeft ervoor gezorgd dat ik ook weer bij opa kwam. Ik ben eerst halve dagen bij opa langsgegaan en toen hele dagen. Opa woonde alleen. Nu wonen wij samen. Ik heb niet zoveel contact met mijn zus [slachtoffer 1]. Ik bel haar één keer per maand. Ik weet niet waar zij woont. Ik heb haar niet verteld dat ik die notarisverklaring heb ondertekend. Ik hoop wel dat het contact met haar herstelt. Op vragen van de Officier van Justitie antwoord ik het volgende. Het klopt dat ik in 2001 aangifte tegen mijn vader heb gedaan van seksueel misbruik. De Officier van Justitie zegt mij dat mijn vader toen is gehoord en dat hij toen het seksueel misbruik heeft bekend. De Officier van Justitie vraagt mij hoe dat kan. Ik weet dat niet. Misschien stond mijn vader onder druk. Voordat ik mijn verklaring bij de notaris heb ondertekend, had ik van mijn vader een brief gehad. Ik heb die brief nog thuis en wil die wel naar U toesturen. U zegt mij dat ik die brief moet sturen naar U, en het adres wat op mijn oproep stond. Mijn verklaringen over wat er tussen [slachtoffer 1] en mij is voorgevallen, kloppen wel. Wat mijn vader en mijn opa met [slachtoffer 1] hebben gedaan, weet ik niet want daar was ik niet bij. Op vragen van mr. Alderlieste antwoord ik het volgende. Ik heb geen gemeenschap gehad met [slachtoffer 1]. Dat is nooit gebeurd. Toen ik bij [B] was, heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [slachtoffer 1] en mij. Mijn behandelaar [betrokkene 3] was daarbij aanwezig. Dat was ongeveer drie à vier jaar geleden. Ik herinner mij niet meer wat daar is besproken en waarom dat gesprek is gevoerd. Het kan wel zijn dat dat gesprek is gegaan over wat er tussen mij en mijn zus is voorgevallen, dat het ging over de handtastelijkheden. De Officier van Justitie zegt mij dat ik bij de politie heb verklaard dat ik jarenlang met [slachtoffer 1] heb geneukt. Het klopt niet dat ik jarenlang met [slachtoffer 1] heb geneukt. U vraagt mij hoe het nu zit, of ik nou na mijn bezoek aan de notaris voor het eerst contact heb opgenomen met mijn vader, of dat hij daarvoor al een brief aan mij had geschreven. Ik had voor het eerst weer contact met mijn vader in 2003. Ik heb hem zelf als eerste een brief geschreven. Een paar weken later stuurde hij mij een brief. Dat is de brief die ik eerder bedoelde en een kopie daarvan ga ik aan U opsturen. Daarna is er tussen mijn vader en mij telefonisch contact geweest. Meestal belde hij mij, maar ik belde hem soms ook. U vraagt mij of er in die gesprekken ooit over is gesproken dat ik mijn verklaring moest intrekken. Nee, dat niet. Het ging over de dingen die ik doe en over de toekomst." f. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris opgemaakt in het kader van het door het Hof gelaste gerechtelijk vooronderzoek, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] van 16 mei 2006: "Ik woon nog steeds bij mijn opa, [de grootvader], geboren [geboortedatum]-1925. [Slachtoffer 1] is mijn zus en [aanvrager] is mijn vader. Wat ik in de notariële akte heb verteld is de waarheid. Daarin staat dat ik niet seksueel misbruikt ben door mijn opa of mijn vader. U zegt dat u mij opnieuw heeft opgeroepen omdat mr. Van Zundert u een brief d.d. 01 maart 2006 heeft gestuurd en mr. Van Zundert daarin zegt dat [slachtoffer 1] mij smsjes heeft gestuurd en dat [slachtoffer 1] en ik elkaar recentelijk telefonisch hebben gesproken. In uw oproep aan mij heeft u gevraagd die telefoon met die sms berichten mee te nemen. Uw oproep kwam net één dag te laat. Uw oproep was van 03 maart 2006 en ik had die smsjes één dag ervoor gewist. Dat was toevallig en per ongeluk. Ik heb die smsjes zelf gewist. Ik wist voor uw oproep nog niet dat die smsjes gebruikt zouden worden. Op die smsjes van [slachtoffer 1] aan mij stond dat het niet was gebeurd. Daarmee bedoel ik dat mijn vader en ik [slachtoffer 1] niet seksueel hadden misbruikt. U zegt mij dat u niet begrijpt dat ik zo'n sms bericht wis. Dat was per ongeluk. Ik heb met [slachtoffer 1] meermalen telefonisch contact gehad. In de periode half februari 2006 belde [slachtoffer 1] mij elke vrijdag. Zij laat de telefoon één keer overgaan en dan bel ik haar terug. In die gesprekken vroeg zij dan hoe het met mij ging en hoe het met mijn vader ging. Het ging er ook over wat voor werk ik doe en zo. In één gesprek zei ze ineens dat mijn vader en ik haar niet seksueel hadden misbruikt. Ik ben toen boos geworden en heb de hoorn erop gegooid. Die vrijdag erna heb ik haar teruggebeld en toen was het contact tussen ons weer normaal. U vraagt mij nog eens te zeggen hoe dat telefoongesprek, waarin [slachtoffer 1] zei dat mijn vader en ik haar niet seksueel hadden misbruikt, ging. Ze zei dat ineens. Ik zei dat ze de waarheid moest zeggen. U vraagt mij of ze nog heeft gezegd waarom ze tegen de politie anders heeft verklaard. Nee, dat niet. Nadat dit één keer telefonisch aan de orde is geweest hebben we erna nooit meer over gesproken. Ik heb het wel bij Van Zundert gemeld. Dat [slachtoffer 1] dit zei heeft mijn opa gehoord. Ik zet de telefoon namelijk op intercom want dan heb ik namelijk een getuige. Ik zet de telefoon altijd op intercom als ik bel met [slachtoffer 1]. Mijn opa hoort altijd die telefoongesprekken tussen mij en [slachtoffer 1]. U zegt mij dat u het in dit kader gek vindt dat ik die smsjes heb gewist. Mijn opa heeft ook twee telefoongesprekken met [slachtoffer 1] gevoerd. Die gesprekken heb ik niet gehoord. (...) Nadat [slachtoffer 1] en ik hier een getuigenverklaring hadden afgelegd heeft [slachtoffer 1] wel tegen mij gezegd dat ze bang was dat ze € 90.000 schadevergoeding moest betalen en dat ze bang was dat ze zou worden gearresteerd. Dat is toch logisch. Ik was daar toen ook bang voor. Dit is in een ander telefoongesprek aan de orde gekomen dan het telefoongesprek waarin [slachtoffer 1] tegen mij zei dat ze niet door mijn vader of door mij seksueel was misbruikt. U vraagt mij waar het bedrag van € 90.000 vandaan komt. Dat weet ik niet. Dat [slachtoffer 1] heeft gezegd dat haar moeder erachter zat, daar weet ik niks van. Ik heb op dit moment geen contact meer met [slachtoffer 1]. Zij belt mij niet en ik bel haar niet. Dat is het geval sinds ik een brief heb gehad van mr. Alderlieste waarin staat dat ik [slachtoffer 1] heb bedreigd en haar onder druk heb gezet. Op vragen van mr. Alderlieste antwoord ik het volgende. Mr. Alderlieste vraagt mij hoe de twee telefoongesprekken tussen [slachtoffer 1] en opa gingen. Ik belde [slachtoffer 1] en nadat ik [slachtoffer 1] had gesproken sprak opa met [slachtoffer 1]. Ik hoorde de gesprekken tussen opa en [slachtoffer 1] niet. Ik ging dan weg. Ik ging dan werken of boodschappen doen. Ik weet dat mijn zus mijn opa wilde spreken over oma. [Slachtoffer 1] belde mij en ik heb haar teruggebeld. Toen heb ik de intercom niet aangezet maar dat weet ik niet zeker meer. [Slachtoffer 1] wilde opa spreken en toen heb ik de telefoon aan opa gegeven. Ik ben toen boodschappen gaan doen. Van het tweede gesprek tussen [slachtoffer 1] en opa weet ik niks. [Slachtoffer 1] heeft opa gebeld. U zegt mij dat ik net heb verklaard dat ik altijd de intercom aanzet tijdens telefoongesprekken met [slachtoffer 1]. Ja, dat is zo, maar niet als [slachtoffer 1] met opa sprak. Mr. Alderlieste vraagt mij waarom ik met [slachtoffer 1] bel. Ik belde haar uit beleefdheid omdat zij mij altijd eerst belde. Ik ben niet boos op [slachtoffer 1]. Mr. Alderlieste overhandigt de rechter-commissaris een kopie van een stuk en zegt dat daarop mededelingen staan die [slachtoffer 2] op internet zou hebben gezet. U zegt dat u dat stuk zult voegen in de dossiers. Mr. Alderlieste leest de tekst daarvan voor. Het komt mij helemaal niet bekend voor. Ik heb dat niet geschreven. Ik heb helemaal geen internet. Ik heb thuis wel een computer maar geen internet. Op mijn werk is er wel internet maar dat gebruik ik niet. Mr. Alderlieste zegt dat deze berichten zouden staan op een site genaamd "gratis gastenboek trauma versterking". Dat zegt mij niets. Mr. Alderlieste zegt dat zij deze tekst heeft gekregen van [slachtoffer 1] en van de officier van justitie. Mr. Alderlieste vraagt mij hoe ik weet dat het maagdenvlies van [slachtoffer 1] intact zou zijn geweest. Dat heb ik van mr. Jansen gehoord, dat is mijn voormalige advocaat. Mr. Alderlieste vraagt mij van wie ik heb gehoord dat er bij een intact maagdenvlies geen gemeenschap kan hebben plaatsgevonden. Dat zei mijn dokter in het ziekenhuis. Dat is de dokter die mij behandelt in het ziekenhuis voor mijn ziekte. Ik spreek er ook wel over met mijn vader en ook met mr. Van Zundert. We moeten naar de toekomst kijken. Ik heb nog contact met mijn vader. Mijn tante, oom, opa en ik bezoeken hem twee keer per maand." 5.3.3. Bij de stukken van het door het Hof gelaste gerechtelijk vooronderzoek bevinden zich voorts: a. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 5], notaris, van 24 november 2005: "U zegt mij dat zich in het dossier [achternaam slachtoffer 2] een notariële akte bevindt d.d. 02 augustus 2004. U vraagt mij hoe die akte tot stand is gekomen. Wat betreft de voorgeschiedenis daarvan beroep ik me op mijn verschoningsrecht. De notariële akte is door een kantoorgenoot van mij opgesteld. Omdat die kantoorgenoot in 1e instantie die akte zou verlijden maar die kantoorgenoot was verhinderd en toen heb ik het gedaan. De akte lag dus al in deze vorm klaar toen [slachtoffer 2] bij mij kwam. Het is niet zo dat [slachtoffer 2] op mijn kantoor dit verhaal aan mij heeft verteld en dat ik het toen heb opgeschreven. U vraagt mij of aktes met dergelijke verklaringen vaker worden verleden. Ik heb het niet eerder meegemaakt, maar ik weet dat het wel eens vaker gebeurt. U vraagt me hoe [slachtoffer 2] er aan toe was toen hij op kantoor verscheen. Hij was niet erg spraakzaam. Hij was enigszins gespannen, maar niet abnormaal onder die omstandigheden. Hij wist waarvoor hij kwam. De akte lag klaar. Ik heb de akte aan hem voorgelezen. Ik heb hem een paar keer gevraagd of dit de waarheid was. Dat heeft hij bevestigd. Hij heeft de akte ondertekend. U vraagt me of ik het dossier [naam aanvrager] kende. Ik kende de stukken die in ons dossier zaten. In ons dossier zat de verklaring van [slachtoffer 2] die hij destijds bij de politie had afgelegd. Ik denk dat het 1 verklaring was. Verder wist ik dat zijn vader mede op basis van die verklaring is veroordeeld. Op vragen van mr. Jansen antwoord ik het volgende: mr. Jansen leest mij voor een gedeelte van de verklaring die [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris heeft afgelegd op 15 november jl. die begint met de woorden 'op een gegeven moment ben ik naar het kantoor van Van Zundert gegaan ...' tot aan 'van die notarisverklaring gekregen ...'. Mr. Jansen vraagt mij of het klopt wat [slachtoffer 2] hier heeft verklaard. De gang van zaken als beschreven door [slachtoffer 2] op ons notariskantoor is juist. Voor het overige beroep ik me op mijn verschoningsrecht. Het klopt dat [slachtoffer 2] 1 keer op ons notariskantoor is geweest." b. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] van 15 november 2005: "Ik heb destijds aangifte gedaan van seksueel misbruik gepleegd door mijn vader, mijn broer en mijn opa. Ik heb toen de waarheid gesproken en daar blijf ik bij. Ik ben ervan op de hoogte dat mijn broer bij de notaris zijn aangifte van seksueel misbruik, gepleegd door mijn vader en opa, heeft ingetrokken. Ik had toen telefonisch contact met [slachtoffer 2]. [slachtoffer 2] heeft toen tegen mij gezegd dat hij zijn notarisverklaring onder druk had afgelegd. Hij was onder druk gezet door mr. Van Zundert, de advocaat van mijn vader en opa. Hij zei ook dat hij die notarisverklaring had afgelegd omdat hij geen contact heeft met onze moeder, maar alleen met zijn vader. Hij heeft verklaard dat hij het daarom zo gedaan heeft, omdat hij anders niemand heeft. Onze moeder is iemand die mij niet belt en hem ook niet. U vraagt mij waar de druk van mr. Van Zundert uit bestond. Mijn broer zei dat hij steeds door mr. Van Zundert werd gebeld. Tussen mij en mijn broer is niet meer zo vaak telefonisch contact. Het laatste telefoongesprek heeft twee weken geleden plaatsgevonden. Dat was geen prettig gesprek. [Slachtoffer 2] zei in dat gesprek tegen mij dat ik nu tegen U moet zeggen dat het allemaal niet waar is van het seksueel misbruik en dat ik met mijn aangiftes drie gezinnen heb kapotgemaakt. Met mijn vader en opa heb ik geen contact. U vraagt mij of mr. Van Zundert mij wel eens heeft benaderd om mijn verklaring in te trekken. Heel lang geleden heeft mr. Van Zundert mij een keer gebeld met de vraag of ik naar hem toekwam voor het afleggen van een getuigenverklaring. Ik had een brief gekregen. U vraagt mij of dat direct naar mij was of via mijn advocaat. Dat weet ik niet meer precies. Ik ben niet op het verzoek van mr. Van Zundert ingegaan. U vraagt mij of het nog steeds mijn standpunt is om inzage te weigeren in de gynaecologische rapportage die in het dossier ontbreekt. Ja, dat is nog steeds mijn standpunt. U vraagt mij waarom ik mij op dat standpunt stel. Dat is op advies van mijn advocaat en de Officier van Justitie. Op vragen van de Officier van Justitie antwoord ik het volgende. Het klopt dat er een gesprek heeft plaatsgevonden tussen mijn broer en mij bij [B]. Dat gesprek heeft iets meer dan twee jaar geleden plaatsgevonden. De behandelaar van [slachtoffer 2] vroeg of ik wilde komen voor een gesprek. [Slachtoffer 2] wilde zeggen waarom hij mij seksueel had misbruikt en wilde daarvoor excuses aanbieden. Ik ben naar [B] gegaan. [Slachtoffer 2] vertelde mij dat hij mij seksueel had misbruikt. Hij zei ook waarom. Hij zei dat ook hij door mijn vader was misbruikt en dat dat misschien de oorzaak was. De Officier van Justitie vraagt mij of toen gedetailleerd is besproken wat er tussen [slachtoffer 2] en mij is voorgevallen. Ja, dat is het geval. De Officier van Justitie vraagt mij over welke handelingen wij het dan hebben gehad die gebeurd zouden zijn. Die handelingen bestonden daaruit dat [slachtoffer 2] gemeenschap had met mij. Dat heeft [slachtoffer 2] toen zelf toegegeven." c. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] van 16 mei 2006: "Ik heb in mijn vorige verklaring bij u de waarheid gesproken. Het klopt dat ik voor 01 maart telefonisch contact heb gehad met mijn broer. Dat was één keer per week. Ik belde hem af en toe en hij belde mij altijd op vrijdagavond. U zegt dat mr. Van Zundert bij brief van 01 maart 2006 aan u heeft geschreven dat ik in die telefoongesprekken zou hebben gezegd dat de aangiftes van seksueel misbruik tegen mijn opa, mijn vader en mijn broer onjuist zijn. Ik heb dat nooit gezegd. Ik heb nog nooit gezegd dat de aangiftes van seksueel misbruik onjuist zijn. [Slachtoffer 2] belde mij altijd op en zei "je vader zit onschuldig vast". Een paar keer zei [slachtoffer 2] "als jij niet zegt dat hij onschuldig is, moet je € 100.000 schadevergoeding betalen of je moet de gevangenis in". Opa hoorde ik altijd op de achtergrond meepraten met [slachtoffer 2]. U vraagt mij of ik ooit heb gemerkt dat de telefoon op intercom stond. Nee, dat heb ik niet gemerkt. Dat de telefoon op intercom stond is ook niet tegen mij gezegd. Ik heb één keer zelf met opa aan de telefoon gesproken. [Slachtoffer 2] zei namelijk dat opa ziek was. Ik heb toen aan opa gevraagd hoe het met hem ging. Ik heb met opa niet over seksueel misbruik gesproken. Ik heb op dit moment geen contact met mijn moeder. Ik heb voor het laatst contact met haar gelegd zo'n 2,5 jaar geleden. Toen ik aangifte deed van seksueel misbruik had ik ook geen contact met mijn moeder. Ik ben in die tijd in een pleeggezin geplaatst en daar heeft mijn moeder mij een keer bezocht. Mijn moeder bemoeit zich niet met deze zaak. De laatste keer dat ik van [slachtoffer 2] hoorde was 14 april 2006. Ik kreeg op die dag een smsje van hem. Ik heb dat smsje nog in mijn telefoon staan. Er staat "je bent nooit meer welkom en hoef je nooit meer te spreken en nooit meer te zien, ook niet over 50 jaar. Groet, [slachtoffer 2]". De sms was afkomstig van telefoonnummer [001]. Ik laat het u zien. Daarvoor had ik twee à drie weken geen contact met hem gehad. Toen ik de oproep ontving om bij u te komen heb ik nog met [slachtoffer 2] gesproken. Ik heb hem gevraagd waarom ik weer moest komen bij u. Hij reageerde toen boos en zei dat ik de waarheid niet sprak. U zegt mij dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat ik hem smsjes heb gestuurd waarin ik zei dat mijn aangiftes van seksueel misbruik onjuist waren. Dat is niet waar. [slachtoffer 2] stuurde mij smsjes met de tekst "weet je het al weet je het al?". Daarmee werd bedoeld of ik mijn verklaringen wilde intrekken. Ik heb terug gesmsd "dat weet ik niet". U vraagt mij waarom ik dat antwoord gaf. [slachtoffer 2] stuurde mij steeds smsjes met de boodschap dat mijn vader onschuldig vast zit en dat soort dingen. Ik heb op dit moment geen contact met mijn vader. Op vragen van mr. Baumgardt antwoord ik het volgende. Ik had e-mail contact met [slachtoffer 2] toen hij nog in [plaats] woonde. Daarna niet meer. Toen mijn moeder mij opzocht in het pleeggezin was het 2000. Nu u dit dicteert herinner ik mij dat nadat ik mijn verklaring bij de politie al had afgelegd en mijn vader en mijn broer nog niet vast zaten mijn moeder eerst contact heeft gezocht met mijn vader en mijn broer. Dat hoorde ik toen van mijn pleegmoeder. Toen mijn moeder mij bezocht in het pleeggezin zaten mijn vader en [slachtoffer 2] al vast maar dat weet ik niet meer helemaal zeker. U laat mij berichten zien die mijn advocaat vandaag aan u heeft overhandigd tijdens het verhoor van [slachtoffer 2]. Dit zijn internetberichten. Die heb ik aan mijn advocaat gegeven. Mijn vriend zit vaak achter internet. Op google tikte hij [slachtoffer 2] in. Toen kwam er een site tevoorschijn met de naam trauma versterking of zoiets. Op het gastenboek van die site stonden deze berichten. Mijn vriend heeft dat uitgeprint. De data die daarop vermeld staan zijn denk ik de data waarop [slachtoffer 2] die berichten op internet heeft geplaatst. Ik overhandig u nog meer berichten die op internet staan. U zegt mij dat u deze bij de stukken zult voegen. Zelf heb ik niet op die berichten gereageerd. Mijn vriend heeft één keer anoniem gereageerd. Het is het bericht 18:12 06-05-2006. Ik wil u ook nog zeggen dat [slachtoffer 2] me nog een keer heeft gebeld en tegen mij heeft gezegd "als jij verklaring niet intrekt worden heel veel mensen boos op jou". Dat was ongeveer in maart 2006. U vraagt mij of er nog meer dingen zijn gebeurd. [slachtoffer 2] heeft zoveel dingen gezegd dat ik het niet meer allemaal weet. Zo heeft hij ook gezegd "we gaan steeds verder met de zaak en met je advocaat zijn we ook nog niet klaar"." d. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van de aanvrager van 15 november 2005: "Ik heb nu goed contact met [slachtoffer 2]. [Slachtoffer 2] is nu ziek. Ik heb [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] nooit seksueel misbruikt of geslagen. U vraagt mij of ik weet op welke wijze de verklaring bij de notaris tot stand is gekomen. [Slachtoffer 2] heeft in een interview tegen verslaggevers van De Telegraaf gezegd dat ik onschuldig was. Zodoende is hij vrijwillig naar de notaris gegaan. Ik heb [slachtoffer 2] nooit onder druk gezet. [Slachtoffer 2] kwam wel bij mij op bezoek en zei dan "dit heb ik nooit gewild". Van [slachtoffer 2] heb ik ook gehoord dat het niet de bedoeling van [slachtoffer 1] was dat ik vastzit. Bij [slachtoffer 2] kan ik niet goed plaatsen wat waar is en wat niet. Mr. Van Zundert heeft niks met de notarisverklaring te maken, dat komt van [slachtoffer 2] zelf af. Ik laat het aan het rechtssysteem over hoe het nu verder gaat. De bedoeling van de aangifte tegen mijn kinderen is dat vast komt te staan dat ik onschuldig ben. Het is niet de bedoeling dat mijn kinderen vast komen te zitten. De Officier van Justitie zegt mij dat uit het dossier blijkt dat ik het seksueel misbruik heb bekend totdat de Rechtbank besloot dat ik naar het Pieter Baan Centrum moest. De Officier van Justitie vraagt mij of ik bang was voor TBS. In het Pieter Baan Centrum heb ik de film teruggedraaid. [Slachtoffer 1] zei dat ik haar toen jaar had misbruikt. Ik heb boeken gelezen, je kunt iemand niet tien jaar lang misbruiken als het maagdenvlies nog in tact is