9 oktober 2009 Eerste Kamer 08/00243 DV/TT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n FINANCIERINGSMAATSCHAPPIJ MAHUKO N.V., gevestigd te Amsterdam, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en Mahuko. 1. Het geding in feitelijke instanties Bij vonnis van 15 mei 1986 van de rechtbank Alkmaar is [eiseres], samen met haar echtgenoot [betrokkene 1], bij verstek hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van ƒ 12.722,66, met rente en kosten, aan de rechtspersoon naar vreemd recht Citibank N.A., zijnde de rechtsvoorgangster van Mahuko. [Eiseres] heeft bij exploot van 11 juli 2005 verzet gedaan tegen voormeld verstekvonnis en gevorderd, kort gezegd, haar te ontheffen van de veroordeling tegen haar uitgesproken door de rechtbank Alkmaar op 15 mei 1986 tussen de rechtsvoorganger van Mahuko als eiseres en [eiseres] als gedaagde. Daarnaast heeft [eiseres] gevorderd dat de eis van Mahuko alsnog wordt afgewezen. Mahuko heeft de vordering bestreden. Na mondelinge behandeling heeft de rechtbank bij vonnis van 8 maart 2006 [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzet. Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Bij arrest van 23 augustus 2007 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Tegen Mahuko is verstek verleend. De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat. De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging, met verdere afdoening als gebruikelijk. 3. Beoordeling van de middelen 3.1 Het gaat in deze zaak om de beantwoording van de vraag of [eiseres] tijdig verzet heeft gedaan tegen haar veroordeling bij verstek in het hiervoor in 1 vermelde vonnis van 15 mei 1986. Het hof heeft deze vraag aan de hand van art. 143 Rv. ontkennend beantwoord. Op de grond vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 7 had het hof art. 81 (oud) Rv. behoren toe te passen, doch hierover wordt in cassatie niet geklaagd. Voor de beoordeling van de aan de orde zijnde vraag maakt het in dit geval ook geen verschil of de oude dan wel de nieuwe bepaling wordt toegepast. 3.2 Nu het vonnis niet aan [eiseres] in persoon was betekend, geldt als maatstaf (zowel in art. 81 oud als in art. 143) of de veroordeelde enige daad heeft gepleegd "waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is". Deze maatstaf houdt in dat de veroordeelde zelf een handeling moet hebben verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat hij over voldoende gegevens met betrekking tot (de inhoud van) zijn veroordeling beschikt om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten. Het hof heeft deze maatstaf gehanteerd in zijn rov. 3.3 en 3.4. 3.3 De door het hof in rov. 3.5 tot en met 3.12 vermelde omstandigheden laten niet de conclusie tot dat [eiseres] een handeling als hiervoor in 3.2 bedoeld heeft verricht. Daartoe wordt het navolgende overwogen. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.