8 december 2009 Strafkamer nr. 08/03165 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, Enkelvoudige Kamer, van 19 juni 2008, nummer 21/004472-07, in de strafzaak tegen: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. 1. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2. Beoordeling van het eerste middel Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 3. Beoordeling van het tweede middel 3.1. Het middel klaagt onder meer dat het Hof bij de strafoplegging ten onrechte rekening heeft gehouden met zeven ad informandum gevoegde feiten nu deze ter terechtzitting in hoger beroep niet zijn erkend door de gemachtigde raadsman. 3.2. Het Hof heeft ten aanzien van de strafoplegging onder meer overwogen: "Het hof heeft bij de strafoplegging mede rekening gehouden met de zeven ad informandum gevoegde feiten die op de dagvaarding in eerste aanleg worden genoemd op de overzichtslijst dossiernummer 624868, ingeschreven onder de processen-verbaal, genummerd V019693, V267614, V261773, V361833, V362708, V364344 en V365807. Verdachte heeft bekend die feiten te hebben begaan." 3.3. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad staat het de rechter vrij om na een procedure op tegenspraak bij de strafoplegging rekening te houden met een ad informandum gevoegd feit, wanneer op grond van de door de verdachte ter terechtzitting gedane erkenning aannemelijk is geworden dat hij dat feit heeft begaan en wanneer voorts ervan mag worden uitgegaan dat het openbaar ministerie geen strafvervolging ter zake van dat feit zal instellen. Het gaat daarbij om erkenning door de verdachte van dat ad informandum gevoegde feit ten overstaan van de rechter die de straf oplegt (vgl. HR 11 november 2008, LJN BE9634). Indien de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen en zich derhalve aldaar niet erover heeft uitgelaten of hij zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit dat hem niet is tenlastegelegd kan de rechter nochtans dit niet tenlastegelegde feit als bijzondere reden ter bepaling van de straf in aanmerking nemen mits (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.