26 januari 2010 Strafkamer nr. 09/00195 Hs Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank te Almelo van 21 juni 2005, parketnummer 08/710172-05, ingediend door mr. L.W. Plantenga, advocaat te Utrecht, namens: [Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman. 1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd De Rechtbank heeft de aanvrager ter zake van 1., 2., 3., 4., 6. en 7. telkens "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak", en 5. "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden. 2. De aanvrage tot herziening 2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. 3. Achtergrond van de aanvrage Aan de aanvrage is gehecht een brief van 19 februari 2008 van het Arrondissementsparket Almelo gericht aan de aanvrager. In deze brief is de aanvrager een mededeling gedaan omtrent mogelijk onjuist uitgevoerde geuridentificatieproeven in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland. In deze periode zou de speurhondengeleider tijdens het afnemen van de geuridentificatieproef regelmatig, in afwijking van het vastgestelde protocol, vooraf op de hoogte zijn geweest van de sorteervolgorde van de geurbuisjes. Volgens het openbaar ministerie zou ook in de zaak van de aanvrager gebruik zijn gemaakt van een dergelijke geuridentificatieproef. De onderhavige aanvrage is naar aanleiding van deze mededeling ingediend. 4. Aan de beoordeling van de aanvrage voorafgaande beschouwing 4.1. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent, hetgeen met zich brengt dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat aldus moet worden aangenomen dat het resultaat van de geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC8789, NJ 2008, 591). 4.2. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat onder een "minder zware strafbepaling" in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder wordt niet verstaan de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie. 4.3. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef de feitenrechter op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager terzake zou hebben vrijgesproken. In dat geval is derhalve sprake van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. 5. Beoordeling van de aanvrage 5.1. Ten laste van de aanvrager is bij het vonnis waarvan herziening wordt verzocht bewezenverklaard dat: "1. hij in de periode van 9 februari 2005 tot en met 10 februari 2005, in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pand (cafetaria) aan de [a-straat] heeft weggenomen een computer en een laptop en een kassa en gereedschap en drank en snoepgoed en een mobiele telefoon, toebehorende aan [betrokkene 1], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak; 2. hij op 27 februari 2005, in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pand/kledingzaak aan de [b-straat] heeft weggenomen een bedrag aan geld (ongeveer 65 euro), toebehorende aan de firma [A] en/of [betrokkene 2], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak; 3. hij in de periode van 10 januari 2005 tot en met 11 januari 2005, te Holten, gemeente Rijssen-Holten, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pand (kantine/receptie) van een bungalowpark/camping aan de [c-straat] heeft weggenomen computers en keyboards en geld en reclameborden en bestek, toebehorende aan [betrokkene 2] en/of camping [B], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak; 4. hij op 25 januari 2005, in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pand aan de [d-straat] heeft weggenomen een flatscreen en een fiets, toebehorende aan [betrokkene 3] en/of [C] en/of [betrokkene 4], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak; 5. hij op 28 januari 2005, in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aan de [e-straat] aldaar geparkeerd staande personenauto (Opel Kadett), toebehorende aan [betrokkene 5], waarbij verdachte en zijn mededader het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak; 6. hij in de periode van 30 januari 2005 tot en met 31 januari 2005, te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een restaurant ("[D]") aan de [f-straat] heeft weggenomen twee fooipotten (met inhoud) en pakjes sigaretten en shag en drank, toebehorende aan [betrokkene 6], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak; 7. hij op 02 februari 2005, in de gemeente Borne, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een sportkantine aan [g-straat] heeft weggenomen een fooipot (met inhoud), toebehorende aan [betrokkene 7] en/of [E], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak." 5.2. De Rechtbank heeft overeenkomstig art. 365a, eerste lid, Sv volstaan met het opmaken van een verkort vonnis. Een aanvulling als bedoeld in het tweede lid van art. 365a Sv op dat vonnis ontbreekt dus. 5.3. Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, blijkt dat geen geuridentificatieproeven zijn uitgevoerd met betrekking tot de onder 1, 2, 4, 6 en 7 bewezenverklaarde feiten. Dit betekent dat het hiervoor onder 4.3 bedoelde geval zich ten aanzien van deze feiten niet voordoet, zodat geen sprake is van een ernstig vermoeden dat de Rechtbank de aanvrager van die feiten zou hebben vrijgesproken. De aanvrage is in zoverre kennelijk ongegrond en moet worden afgewezen. 5.4. Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, kan ten aanzien van het bewijs van de onder 3 en 5 tenlastegelegde feiten - zakelijk weergegeven - het volgende worden afgeleid. Ten aanzien van feit 3. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.