13 april 2010 Strafkamer nr. S 07/12150 IBO/IV Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 april 2007, nummer 23/003186-05, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats]. 1. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.D. Kloosterman, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering van de straf en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2. Beoordeling van het middel 2.1. Het middel klaagt over de verwerping van het verweer dat voor de vervulling van het bestanddeel "weet ... dat" in art. 197a Sr voorwaardelijk opzet niet toereikend is. 2.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat: "hij in de periode van 11 juni 2001 tot en met 8 januari 2003 te Amsterdam in de uitoefening van zijn beroep, te weten verhuur van woonruimte, anderen, te weten onder meer [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en [betrokkene 7] en [betrokkene 8] en [betrokkene 9] en [betrokkene 10] en [betrokkene 11] uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het verblijven in Nederland, terwijl hij, verdachte, wist dat dat verblijf wederrechtelijk was, immers heeft hij, verdachte - de woning [a-straat 1] te [plaats] in de periode van 1 maart 2002 tot en met 3 mei 2002 verhuurd aan [betrokkene 1], die illegaal in Nederland verbleef en - de woning [a-straat 1] te [plaats] in de periode van mei 2002 tot en met 5 augustus 2002 verhuurd aan een of meer personen die illegaal in Nederland verbleven en - de woning [b-straat 1] te [plaats] in de periode van 1 april 2002 tot en met 3 september 2002 verhuurd aan [betrokkene 2] die illegaal in Nederland verbleef en - de woning [c-straat 1] te [plaats] in de periode van 1 maart 2002 tot en met 25 maart 2002 verhuurd aan [betrokkene 3] die illegaal in Nederland verbleef en - de woning [d-straat 1] te [plaats] in de periode van 1 november 2002 tot en met 14 december 2002 verhuurd aan [betrokkene 4] en [betrokkene 5] die illegaal in Nederland verbleven en - de woning [e-straat 1] te [plaats] in de periode van 1 september 2002 tot en met 8 januari 2003 verhuurd aan [betrokkene 6] die illegaal in Nederland verbleef en - de woning [f-straat 1] te [plaats] in de periode van 1 mei 2002 tot en met 8 januari 2003 verhuurd aan [betrokkene 7] die illegaal in Nederland verbleef en - de woning [g-straat 1] te [plaats] in de periode 21 oktober 2002 tot en met 8 januari 2003 verhuurd aan [betrokkene 8] en [betrokkene 9] die illegaal in Nederland verbleven en - de woning [h-straat 1] te [plaats] in de periode van 29 november 2002 tot en met 8 januari 2003 verhuurd aan [betrokkene 10] die illegaal in Nederland verbleef en - de woning [i-straat 1] te [plaats] in de periode van 15 september 2002 tot en met 8 januari 2003 verhuurd aan [betrokkene 7] en [betrokkene 11] die illegaal in Nederland verbleven." 2.3. Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnotities heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar het volgende aangevoerd: "Ook dient vrijspraak van feit 1. te volgen op grond van het enkele feit dat uit het dossier niet blijkt dat cliënt wist of ernstig redenen had te vermoeden dat sprake zou zijn van wederrechtelijk verblijf. In de uitspraak in eerste aanleg is in de bewezenverklaring opgenomen dat cliënt wist dat het verblijf van de huurders wederrechtelijk was. De rechtbank heeft dienaangaande overwogen dat cliënt een onderzoeksplicht ten aanzien van de verblijfstatus van de huurders zou hebben gehad. Cliënt had, aldus de rechtbank, inlichtingen daaromtrent kunnen inwinnen bij bevoegde autoriteiten. Op geen enkele wijze is volgens de rechtbank gebleken dat cliënt deze onderzoeksplicht heeft vervuld: "Daarmee heeft verdachte ten minste bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij woningen verhuurde aan illegaal in Nederland verblijvende personen." Deze bewijsredenering van de rechtbank in de trant van voorwaardelijk opzet rechtvaardigt evenwel niet de conclusie dat cliënt dus wist (zoals bewezen is verklaard door de rechtbank) dan wel ernstige redenen had te vermoeden dat sprake zou zijn van illegaal verblijf." 2.4. Het Hof heeft in dit verband onder meer het volgende overwogen: "Ter terechtzitting gevoerde verweren met betrekking tot het bewijs In het algemeen heeft de raadsvrouw bij wijze van verweer opgeworpen dat de ratio van artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht, te weten het juist gebruik maken of misbruik maken van het feit dat iemand geen rechtsgeldige verblijfsstatus heeft, aan bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit in de weg staat, nu daarvan in de onderhavige zaak geen sprake van is. Voor zover thans nog van belang gelet op hetgeen is bewezenverklaard, heeft de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep voorts betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 1 tenlastegelegde feit op de gronden dat (...)
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.