Nr. 41.550bis 7 mei 2010 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenamen van X, gewoond hebbende te Z, (hierna: belanghebbenden) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 oktober 2004, nr. 02/06314, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij na te melden arresten aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen gestelde vragen. 1. Ontstaan en loop van het geding Voor een overzicht van het ontstaan en de loop van het geding tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 25 april 2008, nr. 41550, wordt verwezen naar dat arrest. De Hoge Raad heeft bij dat arrest iedere verdere beslissing aangehouden en het geding geschorst totdat het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan naar aanleiding van de verzoeken om een prejudiciële beslissing gedaan in de arresten van 21 maart 2008, nr. 43050, LJN BA8179, BNB 2008/159 en nr. 43670, LJN BC7249, BNB 2009/160. Bij arrest van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die verzoeken, onder meer voor recht verklaard: “De artikelen 49 EG en 56 EG moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat, wanneer voor de belastingautoriteiten van een lidstaat spaartegoeden en inkomsten uit deze tegoeden zijn verzwegen en deze autoriteiten geen aanwijzingen over het bestaan ervan hebben op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen, deze lidstaat een langere navorderingstermijn toepast wanneer deze tegoeden in een andere lidstaat zijn aangehouden dan wanneer zij in eerstgenoemde lidstaat zijn aangehouden. De omstandigheid dat deze andere lidstaat het bankgeheim kent, is in dit opzicht van geen belang.” Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op dit arrest. Zowel belanghebbenden als de Staatssecretaris heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Belanghebbenden hebben de zaak mondeling doen toelichten door mr. J.J.M. Hertoghs, advocaat te Breda. De uitspraak van het Hof, het beroepschrift in cassatie en het arrest van 25 april 2008, zijn aan dit arrest gehecht. 2. Nadere beoordeling ambtshalve 2.1. Naar aanleiding van voornoemd arrest van het Hof van Justitie heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010, nrs. 43050bis en 43670bis, LJN BJ9092 en BJ9120, V-N 2010/13.7 en 13.8, regels geformuleerd die in verband met het door het Hof van Justitie genoemde evenredigheidsbeginsel in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de termijn van artikel 16, lid 4, Algemene wet inzake Rijksbelastingen (hierna: AWR) op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn van artikel 16, lid 3, AWR is verstreken. 2.2. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.