21 september 2010 Strafkamer Nr. 08/04680 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 oktober 2008, nummer 22/001050-08, in de strafzaak tegen: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats]. 1. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.Y. Taekema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. 2. Beoordeling van het middel 2.1. Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep. 2.2. Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter van 21 januari 2008 waarbij de verdachte ter zake van overtreding van art. 30 WAM bij verstek is veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden. De bestreden uitspraak houdt dienaangaande het volgende in: "Ingevolge artikel 450, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt aan een schriftelijke bijzondere volmacht, verleend aan een medewerker ter griffie, tot het voor de verdachte aanwenden van het rechtsmiddel slechts gevolg gegeven indien de verdachte daarbij instemt met het door deze medewerker ter griffie van het gerecht waar het rechtsmiddel wordt ingesteld voor de verdachte aanstonds in ontvangst nemen van de uitreiking van de oproeping. De verdachte is bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank te Rotterdam van 21 januari 2008 bij verstek veroordeeld. De mededeling uitspraak van dat vonnis is op 13 februari 2008 aan de verdachte in persoon betekend. Op 18 februari 2008 is op de griffie van de rechtbank te Rotterdam een brief van de verdachte binnengekomen, inhoudende de mededeling dat hij bezwaar wenst te maken tegen de beslissing van de kantonrechter voornoemd, welke brief het hof aanmerkt als een door de verdachte aan een griffiemedewerker verleende schriftelijke bijzondere volmacht tot het voor de verdachte aanwenden van het rechtsmiddel van hoger beroep. Echter, noch uit deze schriftelijke bijzondere volmacht, noch uit enig ander gedingstuk, is gebleken dat de verdachte heeft ingestemd met het door deze griffiemedewerker aanstonds in ontvangst nemen van de uitreiking van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep van heden, zodat het hoger beroep niet is ingesteld overeenkomstig de eisen die de wet daaraan stelt." 2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in: "De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende -zakelijk weergegeven-: Ik wist niet van de zitting van de kantonrechter in eerste aanleg. Ik heb in een brief bezwaar gemaakt tegen de beslissing. De voorzitter deelt mede dat het hoger beroep niet conform de eisen van de wet is ingesteld en dat de verdachte om die reden niet kan worden ontvangen in het hoger beroep, aangezien in de brief niet is vermeld dat wordt ingestemd met het door de medewerker van de griffie in ontvangst nemen van de uitreiking van de oproeping, terwijl dit ook niet blijkt uit andere stukken. De voorzitter deelt voorts mede dat deze gang van zaken staat beschreven in de bijsluiter bij de verstekmededeling die aan de verdachte op 13 februari 2008 is uitgereikt zodat de verdachte op de hoogte kon worden geacht van de wijze waarop hij een rechtsmiddel kon aanwenden. De verdachte deelt mede -zakelijk weergegeven-: Ik wist niet dat het zo moest. Ik dacht dat ik had gedaan wat in de verstekmededeling stond. Wat erin staat is moeilijk te begrijpen. De brief heb ik wel persoonlijk ingeleverd bij het parket in Rotterdam." 2.4. Bij de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434, eerste lid, Sv toegezonden stukken bevinden zich: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.