24 september 2010 Eerste Kamer 09/01596 RM/AS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. H.J.W. Alt, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. A. Vijftigschild. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw. 1. Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. de beschikking in de zaak 297937 / F2 RK 07-3326 van de rechtbank Rotterdam van 25 januari 2008; b. de beschikking in de zaak 200.005.966.01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 januari 2009. De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het beroep. De advocaat van de man heeft bij brief van 25 juni 2010 op die conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Partijen zijn gehuwd op 9 juni 1995. Bij beschikking van 22 maart 2004 van de rechtbank Rotterdam, ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand op 25 mei 2004, is echtscheiding tussen hen uitgesproken en aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toegekend van € 2.700,-- per maand. In de procedure die tot die beschikking heeft geleid is de man niet verschenen. De rechtbank heeft de verzoeken van de vrouw om de echtscheiding uit te spreken en haar een uitkering tot levensonderhoud toe te kennen van € 2.700,-- per maand als niet onrechtmatig of ongegrond toegewezen. 3.2 Op verzoek van de man heeft de rechtbank bij beschikking van 25 januari 2008 haar beschikking van 22 maart 2004 in die zin gewijzigd, dat de daarbij ten laste van de man aan de vrouw toegekende uitkering tot levensonderhoud met ingang van 1 januari 2006 werd bepaald op nihil. De vrouw was niet verschenen en de rechtbank wees het verzoek van de man daarom als niet onrechtmatig of ongegrond toe. 3.3 In hoger beroep heeft de vrouw aangevoerd dat de man niet-ontvankelijk is in zijn wijzigingsverzoek omdat er geen sprake is van een (financiële) wijzigingsgrond en voorts door de man geen enkel inzicht is verschaft in zijn werkelijke inkomen. 3.4 Het hof is ervan uitgegaan (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.