5 november 2010 Eerste Kamer 09/03912 RM/AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Verzoeker 1], 2. [Verzoekster 2], beiden wonende te [woonplaats], VERZOEKERS tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen. Verzoekers tot cassatie zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] c.s. 1. Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. het vonnis in de zaak 188627/FT-RK 09.894 en 188629/FT-RK 09.895 van de rechtbank Arnhem van 10 augustus 2009, b. het vonnis in de zaak 188631/FT-RK 09.897 en 188633/FT-RK 09.898 van de rechtbank Arnhem van 10 augustus 2009, c. het arrest in de zaak met zaaknummers 200.040.292 en 200.042.468 van het gerechtshof te Arnhem van 21 september 2009. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het hof hebben [verzoeker] c.s. beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van het bestreden arrest. 3. Beoordeling van het middel 3.1 [Verzoeker] c.s. hebben bij de rechtbank verzoekschriften ingediend, respectievelijk op de voet van art. 284 F. tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling en van art. 287a F. tot het geven van een bevel in te stemmen met een dwangakkoord. Bij deze verzoekschriften was een verklaring gevoegd als bedoeld in art. 285 lid 1, onder f, F., afgegeven door een advocaat. De rechtbank heeft [verzoeker] c.s. niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek op de grond dat, voor zover in cassatie van belang, de bijgevoegde verklaring niet voldeed aan de eisen van art. 285 lid 1, onder f, omdat deze was afgegeven door een advocaat. Het beroep van [verzoeker] c.s. hiertegen is door het hof verworpen. Hiertoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen. De verklaring als bedoeld in art. 285 lid 1, onder f, is afgegeven door een advocaat die wel het voorafgaande schuldregelingstraject heeft verzorgd maar van wie niet is gebleken dat hij, zoals de wet eist, krachtens een mandaat van het college van burgemeester en wethouders was gemachtigd tot het afgeven van de verklaring. De stelling van [verzoeker] c.s. dat de wettelijke regeling inzake de afgifte van de verklaring leidt tot een monopoliepositie van de gemeentelijke kredietbanken en tot onwenselijke gevolgen (zoals lange wachttijden voor het verkrijgen van de medewerking voor de afgifte van de bij het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te voegen verklaring), kan niet rechtvaardigen dat de rechter een uit een recent herziene wettelijke regeling voortvloeiend vereiste terzijde stelt. (rov. 3.3.) 3.2 Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de meerbedoelde verklaring niet voldoet aan de eisen van art. 285 lid 1, onder f, nu deze is afgegeven door een advocaat die weliswaar tot het afgeven van de verklaring door het college van burgemeester en wethouders van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar niet is gemandateerd maar die wel bevoegd is - ingevolge art. 48 lid 1 Wet op het consumentenkrediet (Wck) - de schuldenaar bijstand te verlenen bij het treffen van een schuldregeling buiten rechte en voor de schuldenaar op de voet van art. 287a F. een verzoek in te dienen tot verlening van een bevel tot instemming met een aangeboden schuldregeling. 3.3.1 Zoals blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 285 lid 1, onder f, als weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.3, heeft de wetgever het van belang geacht (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.