Nr. 10/00346 26 november 2010 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 december 2009, nr. 08/00614, betreffende een aan X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikking. 1. Het geding in feitelijke instanties Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2001 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd. De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 06/9844) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, en de naheffingsaanslag alsmede de boetebeschikking vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. De Minister van Financiën heeft het incidentele beroep beantwoord. 3. Uitgangspunten in cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 3.1.1. Directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende is A (hierna: A). 3.2. In de jaren 1992 en 1993 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van belanghebbende besloten tot uitstel van betaling van het salaris van A over die jaren tot respectievelijk 2000 en 2001 (hierna: het uitgestelde salaris). 3.3. Naar aanleiding van aangiften inkomstenbelasting en vermogensbelasting van A en zijn echtgenote is tussen 1996 en 2000 gecorrespondeerd tussen de Inspecteur en A over de waardering van de salarisvordering van A op belanghebbende. De Inspecteur heeft deze correspondentie opgeborgen in het vennootschapsbelastingdossier van belanghebbende, niet in het inkomstenbelastingdossier van A. 3.4. Het uitgestelde salaris is door belanghebbende niet uitbetaald in de jaren 2000 en 2001. Belanghebbende heeft geen loonbelasting ingehouden en afgedragen in verband met het uitgestelde salaris. A heeft dit salaris evenmin verwerkt in zijn aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 3.5. Bij de bestreden naheffingsaanslag heeft de Inspecteur over de jaren 2000 en 2001 loonbelasting van belanghebbende nageheven ter zake van het uitgestelde salaris. 4. Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel 4.1. Voor het Hof was onder meer in geschil of het zogenoemde nieuwfeitvereiste in de weg zou staan aan navordering van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2000 en 2001 bij A over het uitgestelde salaris. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Het middel richt zich onder meer tegen dat oordeel. 4.2.1. In onderdeel 4.11 van de bestreden uitspraak heeft het Hof ter onderbouwing van dat oordeel overwogen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.