nr. 09/01774 4 februari 2011 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 10 maart 2009, nr. AWB 07/397 DIVBEL, betreffende een op aangifte afgedragen bedrag aan dividendbelasting. 1. Het geding in feitelijke instantie Belanghebbende heeft ter zake van een op 28 juni 2005 aan haar aandeelhouders ter beschikking gesteld dividend op aangifte een bedrag aan dividendbelasting afgedragen. Belanghebbende heeft tegen de afdracht van dit bedrag bezwaar gemaakt en verzocht om teruggaaf, welk verzoek bij uitspraak van de Inspecteur is afgewezen. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. Belanghebbende heeft het incidentele beroep beantwoord. Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend. De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 25 augustus 2010 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het principale beroep en tot het buiten behandeling laten van het incidentele beroep. 3. Uitgangspunten in cassatie Belanghebbende, een naar Nederlands recht opgerichte en in Nederland gevestigde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, functioneert als tussenhoudster ten behoeve van haar aandeelhouders. Een van die aandeelhouders is I N.V., gevestigd in de Nederlandse Antillen, die een belang van 34,29 percent in belanghebbende houdt. Op het gedeelte van het hiervoor onder 1 bedoelde dividend, dat beschikbaar is gesteld aan I N.V., heeft belanghebbende dividendbelasting ingehouden naar het tarief van 8,3 percent, genoemd in artikel 11, lid 3, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk. Op de aldus berekende inhouding van dividendbelasting heeft belanghebbende op de voet van artikel 11 van de Wet op de dividendbelasting 1965 een vermindering toegepast. Het verschil heeft zij op aangifte afgedragen. 4. Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel 4.1. Het middel betoogt dat de Rechtbank ten onrechte de inhouding van dividendbelasting op het aan I N.V. uitgekeerde dividend niet heeft aangemerkt als een beperking die, zo nodig via de toepassing van artikel 45, lid 2, aanhef en letter a, van Besluit nr. 2001/822/EG van de Raad van 27 november 2001, wordt verboden door artikel XVII, lid 1, van de General Agreement on Trade in Services (hierna: GATS). 4.2. Artikel XVII, lid 1, van de GATS bepaalt voor zover relevant: "1. In the sectors inscribed in its Schedule, and subject to any conditions and qualifications set out therein, each Member shall accord to services and service suppliers of any other Member, in respect of all measures affecting the supply of services, treatment no less favourable than that it accords to its own like services and service suppliers." Op deze bepaling is een aantal uitzonderingen gemaakt in artikel XIV van de GATS. Van die uitzonderingen is voor het onderhavige geschil met name de aanhef van het artikel en letter d van belang, luidende: "Subject to the requirement that such measures are not applied in a manner which would constitute a means of arbitrary or unjustifiable discrimination between countries where like conditions prevail, or a disguised restriction on trade in services, nothing in this Agreement shall be construed to prevent the adoption or enforcement by any Member of measures: (...)
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.