Nr. 09/04262 13 mei 2011 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 september 2009, nr. 07/00671 DK, betreffende een aan X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) uitgereikte uitnodigingen tot betaling. 1. Het geding in feitelijke instanties Belanghebbende is bij aanslagbiljet van 25 juli 2005 uitgenodigd tot betaling van bedragen aan douanerechten. Het tegen die uitnodigingen door belanghebbende gemaakte bezwaar is bij in één geschrift vervatte uitspraak van de Inspecteur afgewezen. De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 06/3730) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar alsmede de uitnodigingen tot betaling vernietigd. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 11 november 2010 geconcludeerd tot het ongegrond verklaren van het beroep in cassatie. De conclusie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 3.1.1. In de jaren 2002, 2003 en 2004 heeft de rechtsvoorganger van belanghebbende vijfentwintig maal aangifte gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van goederen aangeduid als 'C' (hierna: het product). In de aangiften is telkens als tariefpost ingevuld post (onderverdeling) 3002 10 10 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: de GN), waarvoor het bij die post behorende tarief van douanerechten nihil was. Op grond daarvan zijn de goederen vrij van douanerechten in het vrije verkeer gebracht. 3.1.2. Het product is een uit runderbloed gewonnen bloedalbumine. Deze bloedalbumine wordt verkregen door bewerking van bloedplasma door toevoeging van ethanol en zouten, en aanpassing van de zuurgraad. Het product is niet geschikt voor menselijke of dierlijke consumptie. Het wordt gebruikt als groeibodem voor cellen en vormt één van de veertien componenten bij de vervaardiging van bepaalde specifieke eiwitten, hier verder aangeduid als antilichamen. De antilichamen worden gebruikt ter bestrijding van verschillende ziekten en aandoeningen. 3.1.3 Het product heeft een marktprijs van ongeveer $ 600 per kilogram, terwijl bloedalbumine die in de voedingsindustrie wordt gebruikt circa $ 6 per kilogram kost. 3.1.4. Naar aanleiding van een op 19 december 2004 gedane invoeraangifte is een monster van het product voor onderzoek naar het Douanelaboratorium gezonden. Het van dit onderzoek opgemaakte rapport vermeldt voor zover hier van belang het volgende: "Het monster bestaat uit een beige poeder met schilfers. Eiwitgehalte (Nx6.25): 97,4% Vochtgehalte (stoof 102 º C): 1,0% Electroforese: (bloed)albumine (...)" Het monster bestaat uit bloedalbumine. Er zijn geen aanwijzingen dat het product is bereid voor therapeutische of profylactische doeleinden. Op het etiket staat o.a. vermeld: For research and further manufacturing use only. Not for human or animal consumption. Het product is niet gedenatureerd en kan daardoor niet ingedeeld worden in post 3502.9020. Op de factuur staat ook tariefpost 350290 vermeld. Advies goederencode 3502.9070 00." Dit rapport was voor de Inspecteur aanleiding om bij de in geding zijnde uitnodigingen tot betaling douanerechten na te vorderen uitgaande van indeling van het product onder post 3502 90 van de GN. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat het product moet worden ingedeeld onder post 3002 90 van de GN. Hiertoe heeft het Hof overwogen dat het product weliswaar zelf geen therapeutische of profylactische werking heeft, maar dat het wezenlijk is bij de totstandkoming van antilichamen, die wel therapeutische werking hebben, en dat het product, na de celkweek, nog in die antilichamen voorkomt. Voorts heeft het Hof aan zijn oordeel ten grondslag gelegd dat het product een onmisbare component vormt bij de vervaardiging van antilichamen en dat het product een hoge kwaliteit en prijs heeft; ander gebruik van het product is wellicht mogelijk, maar niet waarschijnlijk, en in elk geval niet van een aard en omvang dat het de indeling van het product in de GN zou beïnvloeden. Het Hof heeft geoordeeld dat op grond van deze kenmerken het gebruik als groeibodem voor celkweek inherent is aan het product. Deze 'inherentie' kan een objectief indelingscriterium zijn (HvJ 4 maart 2004, Krings, C-130/02, Douanerechtspraak 2004/47), aldus het Hof. Ten slotte heeft het Hof geoordeeld dat producten, die zoals in dit geval zijn bereid om een wezenlijke bijdrage te leveren aan de totstandkoming van (eind)producten die worden gebruikt voor de bestrijding van ziekten en die in dat eindproduct nog aanwezig zijn, moeten worden aangemerkt als (evenzeer) te zijn bereid voor therapeutisch gebruik in de zin van aantekening 1, aanhef en letter g, op hoofdstuk 30 van het Geharmoniseerd Systeem (hierna: het GS), en dat de bewoordingen van post 3002 noch de Toelichtingen bij deze post zich tegen dit oordeel verzetten. 3.3. Het middel keert zich met een rechtsklacht tegen laatstvermeld oordeel. Het product kan, aldus dat middel, niet worden aangemerkt als te zijn bereid voor therapeutisch gebruik in de zin van post 3002 van de GN, omdat het product zelf geen therapeutische of profylactische werking heeft. 3.4.1. De tekst van post 3002 van de GN luidt: "Menselijk bloed; dierlijk bloed bereid voor therapeutisch of profylactisch gebruik of voor het stellen van diagnosen; sera van geïmmuniseerde dieren of personen, alsmede andere bloedfracties en gewijzigde immunologische producten, al dan niet verkregen door middel van biotechnologische processen; vaccins, toxinen, culturen van micro-organismen (andere dan gist) en dergelijke producten:" Postonderverdeling 3002 10 betreft: "sera van geïmmuniseerde dieren of personen, alsmede andere bloedfracties en gewijzigde immunologische producten, al dan niet verkregen door middel van biotechnologische processen:" Op grond van aantekening 1, aanhef en letter g, op hoofdstuk 30 van het GS omvat dit hoofdstuk niet: "
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.