ECLI:NL:HR:2011:BP1278
26 april 2011 Strafkamer nr. 09/05083 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 7 december 2009, nummer 22/004301-08, in de strafzaak tegen: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Zuid-West, locatie Dordtse Poorten" te Dordrecht.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van de verdachte voor belaging van anderen dan [slachtoffer 1], de bewezenverklaring van feit 1 verbeterd zal lezen en het beroep zal verwerpen.
3.2. Aan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat: "hij in of omstreeks de periode van 27 december 2007 t/m 7 januari 2008 te Wassenaar en/of Dordrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of hun kinderen heeft bedreigd met gijzeling en/of met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen ontstaat, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of hun kinderen (per telefoon) de volgende sms-berichten doen toekomen:
3.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen: "De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte is met betrekking tot het onder 2 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde, nu uit de klacht van [slachtoffer 1] niet blijkt dat er vervolging gewenst is voor stalking. Indien het openbaar ministerie wel ontvankelijk is, is alleen door [slachtoffer 1] een klacht met betrekking tot stalking gedaan en niet door zijn echtgenote en de kinderen, zodat de klacht geen betrekking kan hebben op de vrouw en kinderen.
De klacht van [slachtoffer 1] ziet - naar het oordeel van het hof - zowel op vervolging van de sms-verzender (de verdachte) als op degenen die uitvoering zouden geven aan de inhoud van de sms-jes. Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in zijn vervolging voor wat betreft het onder 2 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde.
Verder kan, gelet op de verklaring van [slachtoffer 1] en de inhoud daarvan en de inhoud van de klacht, in redelijkheid niet anders worden begrepen dan dat hij de klacht niet alleen voor zichzelf heeft gedaan maar ook voor zijn echtgenote en zijn kinderen.
Het hof verwerpt het verweer."
3.4. Het klachtvereiste van art. 285b, tweede lid, Sr strekt ertoe dat het persoonlijk belang van het slachtoffer niet te worden geconfronteerd met eventuele negatieve gevolgen van een strafvervolging, de voorrang heeft boven het algemene belang van strafvervolging. Die gedachte zou worden ondergraven indien in een geval als het onderhavige de ene klachtgerechtigde zou kunnen bewerkstelligen dat de mogelijkheid van strafvervolging ook zou worden geopend voor zover het feit of de feiten zijn begaan ten opzichte van zijn medeslachtoffers. Met die gedachte strookt ook dat art. 164 Sv ertoe strekt te doen vaststaan dat de tot klacht gerechtigde persoon zelf wenst dat een strafvervolging wordt ingesteld (vgl. HR 2 november 2004, LJN AQ4289).
3.5. 's Hofs kennelijke oordeel dat de klacht van [slachtoffer 1] tevens kon worden beschouwd als een klacht van zijn echtgenote in de zin van 285b, tweede lid, Sr geeft dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.
3.6. Ten aanzien van de kinderen van [slachtoffer 1] geldt het navolgende. Art. 65 Sr bepaalt dat, indien de klachtgerechtigde persoon de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, de klacht geschiedt door zijn wettelijke vertegenwoordiger in burgerlijke zaken. Het Hof heeft over de leeftijd van de kinderen evenwel niets vastgesteld. Het Hof heeft zijn oordeel dat ook ten aanzien van deze kinderen is voldaan aan het klachtvereiste van art. 285b, tweede lid, Sr dan ook ontoereikend gemotiveerd. Voor zover het middel daarover klaagt is het eveneens terecht voorgesteld.
3.7. De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen en - met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre - de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging ter zake van het aan de verdachte onder 2 tweede cumulatief en alternatief tenlastegelegde voor zover dit de belaging van anderen dan [slachtoffer 1] betreft. Voor vernietiging van de overige beslissingen van het Hof bestaat onvoldoende grond, aangezien de aard en de ernst van hetgeen ten laste van de verdachte is bewezenverklaard niet worden aangetast door bedoelde partiële niet-ontvankelijkverklaring.
3.8. Voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 26 april 2011.