19 april 2011 Strafkamer nr. 09/01734 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 22 april 2009, nummer 22/001079-07, in de strafzaak tegen: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats]. 1. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2. Bewezenverklaring en bewijsvoering 2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: 1. "zij op 01 augustus 2005 te 's-Gravenhage ten overstaan van Mr. P. Joele, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de Rechtbank 's-Gravenhage, als getuige in de zaak tegen [betrokkene 1], nadat zij in handen van mr. P. Joele op de bij de wet voorgeschreven wijze de belofte had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert en daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk, in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - heeft verklaard: "Het is zo dat mijn man op vrijdag 21 januari 2005 toen hij thuis kwam niets tegen mij heeft verteld over dat hij [betrokkene 2] zou hebben vermoord. Het is ook niet waar dat mijn man de foto van zijn moeder zou hebben gekust en toen zou hebben gezegd dat hij [betrokkene 2] iets zou hebben aangedaan. Desgevraagd herhaal ik nog eens dat het absoluut flauwekul is dat [betrokkene 1] tegen mij zou hebben gezegd dat hij [betrokkene 2] zou hebben vermoord. Ik herhaal weer dat ik, hoewel ik wist dat het niet waar was, keer op keer tegenover mijn collega's bij de politie heb gelogen"." 2. "zij op 14 september 2005 te 's-Gravenhage ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer te 's-Gravenhage als getuige in de zaak tegen [betrokkene 1], nadat zij in handen van de voorzitter van de meervoudige strafkamer, mr. P. Poustochkine, op de bij de wet voorgeschreven wijze de eed had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert en daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk, in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - heeft verklaard: "Hetgeen ik op 1 augustus 2005 bij de rechter-commissaris heb verklaard is de waarheid. U confronteert mij met de omstandigheid dat ik een aantal keren door de politie als getuige ben gehoord en dat ik tijdens die verhoren steeds heb verklaard over de betrokkenheid van mijn echtgenoot, de verdachte [betrokkene 1], bij de gewelddadige dood van [betrokkene 2], die ik [betrokkene 2] noem. Ik zeg u hierop dat ik de inhoud van al deze, tegenover de politie afgelegde, verklaringen heb verzonnen."." 2.2. Deze bewezenverklaring steunt, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, op de volgende bewijsmiddelen: a. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte: "U legt mij mijn taak als getuige uit en u vertelt mij dat u mij onder ede gaat plaatsen. Ik begrijp dat ik de gehele waarheid en niets dan de waarheid moet zeggen. Ik begrijp dat als ik onder ede niet de waarheid verklaar, ik mij dan schuldig maak aan meineed. Ik leg de belofte af dat ik de waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen. U wijst mij op mijn verschoningsrecht als echtgenote van [betrokkene 1] en als familielid van [betrokkene 3] en u legt mij uit wat dat inhoudt. Ik begrijp dat. Het is zo dat mijn man op vrijdag 21 januari 2005 toen hij thuis kwam niets tegen mij heeft verteld over dat hij [betrokkene 2] zou hebben vermoord. Het is ook niet waar dat mijn man de foto van zijn moeder zou hebben gekust en toen zou hebben gezegd dat hij [betrokkene 2] iets zou hebben aangedaan. Desgevraagd herhaal ik nog eens dat het absoluut flauwekul is dat [betrokkene 1] tegen mij zou hebben gezegd dat hij [betrokkene 2] zou hebben vermoord. Ik herhaal weer dat ik, hoewel ik wist dat het niet waar was, keer op keer tegenover mijn collega's bij de politie heb gelogen." b. een proces-verbaal van mr. A.C. Kramer, Officier van Justitie bij het arrondissementsparket te 's-Gravenhage, voor zover inhoudende als haar relaas: "Op woensdag 14 september 2005 is in verband met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 09.753057.05 tegen [betrokkene 1] door de meervoudige strafkamer te 's-Gravenhage in mijn aanwezigheid als getuige verhoord: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats]. Voor aanvang van het verhoor is de getuige door de voorzitter van de meervoudige strafkamer, mr. P. Poustochkine, beëdigd, waarbij zij de eed aflegde op de koran. De voorzitter heeft [verdachte] erop gewezen dat een getuige, wanneer deze niet naar waarheid verklaart, zich schuldig maakt aan meineed, hetgeen een misdrijf is waarop gevangenisstraf is gesteld. [verdachte] werd tevens door de voorzitter gewezen op haar verschoningsrecht. De getuige verklaarde vervolgens op vragen - zakelijk weergegeven - onder andere het volgende: "Hetgeen ik op 1 augustus 2005 tegenover de rechter-commissaris heb verklaard is de waarheid. U confronteert mij met de omstandigheid dat ik een aantal keren door de politie als getuige ben gehoord en dat ik tijdens die verhoren steeds heb verklaard over de betrokkenheid van mijn echtgenoot, de verdachte [betrokkene 1], bij de gewelddadige dood van [betrokkene 2], die ik [betrokkene 2] noem. Ik zeg u hierop dat ik de inhoud van al deze, tegenover de politie afgelegde verklaringen heb verzonnen." 3. Beoordeling van de middelen 3.1. De middelen klagen dat de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2, voor zover inhoudende dat de verdachte als getuige gehoord "op de bij de wet voorgeschreven wijze" de belofte onderscheidenlijk de eed heeft afgelegd, niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. 3.2. Bij de beoordeling van de middelen moet het volgende worden vooropgesteld. Art. 207, eerste lid, Sr bedreigt straf tegen degene die in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling of schriftelijk, persoonlijk of door een bijzonder daartoe gemachtigde, opzettelijk een valse verklaring onder ede aflegt. Ingevolge het derde lid van die bepaling staat met de eed gelijk de belofte of bevestiging die krachtens de wet voor de eed in de plaats treedt. Ingevolge art. 1 van de Wet van 17 juli 1911, Stb. 215 (hierna: Eedswet 1911) moet degene die ter uitvoering van een wettelijk voorschrift mondeling een eed, belofte of bevestiging dient af te leggen, (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.