Nr. 10/02283 10 juni 2011 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 april 2010, nr. 09/00091, betreffende een aanslag in de vennootschapsbelasting. 1. Het geding in feitelijke instanties Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. De Rechtbank te Breda (nr. AWB 07/4680) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 17 maart 2011 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 3.1.1. Belanghebbende is de moedermaatschappij van een aantal met haar in een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet) gevoegde dochtervennootschappen, waaronder A B.V. (hierna: A BV). A BV heeft grote verliezen geleden. 3.1.2. Op 15 december 2004 heeft één van de schuldeisers het faillissement van A BV aangevraagd. Dat verzoek is op 9 februari 2005 ingetrokken. De onderneming van A BV is per 15 januari 2005 gestaakt. Op 18 februari 2005 heeft de Rechtbank te 's-Hertogenbosch aan A BV voorlopig surséance van betaling verleend. Op 24 februari 2005 heeft de rechtbank de voorlopige surséance van betaling ingetrokken en A BV failliet verklaard. De curator heeft vervolgens de boedel te gelde gemaakt. 3.1.3. Bij beschikking van 10 maart 2005 is op verzoek van belanghebbende en A BV de fiscale eenheid tussen belanghebbende en A BV per 1 januari 2005 verbroken. 3.1.4. Voor het Hof was in geschil of bij de ontvoeging van A BV artikel 15aj, lid 3, van de Wet van toepassing is. 3.2. Het Hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Het Hof heeft daartoe geoordeeld - zich aansluitend bij de oordelen van de Rechtbank - dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.