ECLI:NL:HR:2011:BQ7056
14 oktober 2011 Eerste Kamer 11/00241 DV/IF Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van:
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en de Staat.
Bij vonnis van 10 november 2010 heeft de rechtbank onder meer de gevorderde onteigening uitgesproken en het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser] c.s. vastgesteld op € 1.197.500,--. Dit vonnis is aan dit arrest gehecht.
De Staat heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van eisers in hun cassatieberoep en subsidiair tot verwerping van dat beroep. [eiser] c.s. hebben in het incident met betrekking tot de ontvankelijkheid geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de Staat in, dan wel ontzegging aan de Staat van het exceptieve ontvankelijkheidsverweer.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] c.s. in hun cassatieberoep.
De advocaten van de Staat hebben bij brief van 10 juni 2011 op die conclusie gereageerd.
3.2 De Staat heeft de niet-ontvankelijkheid van [eiser] c.s. ingeroepen op grond van de omstandigheid dat de cassatiedagvaarding te laat is uitgebracht, nu deze na de op 22 november 2010 ter griffie van de rechtbank afgelegde cassatieverklaring niet binnen de in art. 54l lid 1 Ow. voorgeschreven termijn van twee weken maar eerst op 4 januari 2011 aan de advocaat van de Staat is betekend. [eiser] c.s. hebben betoogd dat de Hoge Raad moet voorbijgaan aan dit beroep van de Staat op niet-ontvankelijkheid van [eiser] c.s. omdat de op 21 januari 2011 genomen conclusie waarin de Staat dat beroep heeft gedaan niet voldoet aan het bepaalde bij art. 411 Rv. als geldende sedert 1 januari 2011.
Dit betoog kan [eiser] c.s. niet baten, nu de Hoge Raad ook ambtshalve onderzoekt of het cassatieberoep ontvankelijk is.
3.3 Door de op 22 november 2010 ter griffie van de rechtbank afgelegde verklaring dat [eiser] c.s. beroep in cassatie instelden tegen het vonnis van 10 november 2010, hebben [eiser] c.s. tijdig, immers binnen de termijn van twee weken van art. 52 lid 2 Ow., die afliep op 24 november 2010, cassatieberoep ingesteld. Wordt echter een dergelijke verklaring ter griffie niet binnen de in art. 54l lid 1 Ow. bepaalde termijn van twee weken aan de tegenpartij betekend met ontwikkeling van de gronden der cassatie en vergezeld van dagvaarding, dan gaat het vonnis alsnog in kracht van gewijsde. Nu in dit geval de in art. 54l lid 1 voorgeschreven termijn van twee weken op 8 december 2010 is verstreken zonder dat betekening van de cassatieverklaring en dagvaarding hadden plaatsgevonden, ging het vonnis van vervroegde onteigening op 9 december 2010 in kracht van gewijsde met alle in art. 54m geregelde gevolgen van dien.
3.4 Opmerking verdient hierbij nog het volgende. Indien een vonnis van vervroegde onteigening als bedoeld in art. 54i in kracht van gewijsde is gegaan doordat de tijdig ter griffie afgelegde cassatieverklaring niet binnen de in art. 54l lid 1 bedoelde termijn van twee weken is gevolgd door betekening daarvan aan en dagvaarding van de onteigenende partij, behoort de griffier de in art. 25 lid 1, aanhef en onder a, Kadasterwet bedoelde verklaring desgevraagd onverwijld aan de onteigenende partij af te geven, ongeacht of na afloop van de termijn van twee weken van art. 54l lid 1 alsnog betekening van de cassatieverklaring en dagvaarding in cassatie mocht hebben plaatsgevonden.
Voor de opvatting dat het vonnis, indien de griffier nalaat de bedoelde verklaring af te geven, nog in de openbare registers kan worden ingeschreven binnen een termijn van twee maanden nadat de Hoge Raad de onteigende partij in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk heeft verklaard, biedt art. 54m geen ruimte.
3.5 [eiser] c.s. zijn derhalve niet-ontvankelijk in hun beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren J.C. van Oven, F.B. Bakels, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 14 oktober 2011.