20 december 2011 Strafkamer nr. 10/05021 Bdw Hoge Raad der Nederlanden Beschikking op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Amsterdam, sector Kanton, locatie Amsterdam, van 23 juli 2010, Strabisnummer 402359539, op een bezwaarschrift als bedoeld in art. 575 Sv, ingediend door: [Veroordeelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990, wonende te [woonplaats].
- Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze heeft mr. J. Groen, advocaat te Wassenaar, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal bepalen dat de stukken van het geding zullen worden gezonden naar de griffier van de Rechtbank te Amsterdam, opdat de raadkamer van die Rechtbank het verzet met inachtneming van de beschikking van de Hoge Raad zal behandelen en afdoen.
- Ambtshalve beoordeling van het ingestelde beroep 2.
- Voor de gang van zaken wordt verwezen naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4-
- Daaruit blijkt, verkort weergegeven, het volgende. Een door de veroordeelde gedaan verzet tegen het door het Openbaar Ministerie uitgevaardigde dwangbevel wegens het niet betalen van de aan de veroordeelde opgelegde boete, is door de Kantonrechter bij beschikking van 23 juli 2010 niet-ontvankelijk verklaard omdat van enige vorm van tenuitvoerlegging van het dwangbevel niet was gebleken. Daartegen is geen rechtsmiddel ingesteld. Nadat op 16 november 2010 uit hoofde van het dwangbevel beslag was gelegd op roerende zaken op het woonadres van de veroordeelde, is op die datum bij de Rechtbank, sector kanton, een schrijven ingekomen dat niet anders kan worden verstaan dan als een door de veroordeelde op de voet van art. 575, derde lid, Sv gedaan verzet tegen de inmiddels plaatsgevonden hebbende tenuitvoerlegging van het dwangbevel. Aan dat bezwaarschrift houdende verzet is geen gevolg gegeven, kennelijk omdat als gevolg van een verkeerde lezing het bezwaarschrift is opgevat als gericht tegen de beschikking van 23 juli
- Bij op 18 november 2010 bij de Hoge Raad ingekomen schrijven wordt cassatie ingesteld "tegen de weigering kanton op 16 november 2010 het verzet aan te nemen" en wordt uiteengezet dat het Kantongerecht het (nieuwe) verzet in behandeling had moeten nemen en dat de veroordeelde door het Kantongerecht is medegedeeld dat verzet niet meer mogelijk was en cassatie moest worden ingesteld tegen de beschikking van de Kantonrechter van 23 juli
- 2.
- De Hoge Raad vindt in de hiervoor weergegeven gang van zaken aanleiding het schrijven van de veroordeelde van 18 november 2010 aldus te verstaan dat de veroordeelde te kennen geeft verzet te willen doen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. In aanmerking genomen dat ten onrechte geen gevolg is gegeven aan het op 16 november 2010 bij de Griffie van de Rechtbank, sector kanton, ingekomen bezwaarschrift houdende verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, dient het verzet alsnog door de Rechtbank te Amsterdam te worden behandeld en afgedaan, tenzij het bezwaarschrift vóór die behandeling zal worden ingetrokken. 2.
- Daarom moeten de stukken van het geding voor behandeling en afdoening als voormeld worden gezonden aan de Griffier van de Rechtbank te Amsterdam.
- Beslissing De Hoge Raad verstaat dat de veroordeelde tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel verzet heeft gedaan en bepaalt dat de stukken van het geding voor behandeling en afdoening van het verzet zullen worden gezonden aan de Griffier van de Rechtbank te Amsterdam. Deze beschikking is gegeven door de raadsheer W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2011.