9 december 2011 Eerste Kamer 10/02395 EV/AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiser 1], 2. [Eiseres 2], beiden wonende te [woonplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n 1. [Verweerder 1], 2. [Verweerster 2], beiden wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, niet verschenen. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en [verweerder] c.s. 1. Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. de vonnissen in de zaak 250971/HA ZA 05-3396 van de rechtbank Rotterdam van 8 februari 2006, 30 augustus 2006 en 9 januari 2008; b. het arrest in de zaak 105.007.847 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 maart 2010. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Tegen [verweerder] c.s. is verstek verleend. De zaak is voor [eiser] c.s. toegelicht door hun advocaat. De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping. 3. Beoordeling van het middel 3.1 Blijkens het arrest van het hof was de advocaat van [eiser] c.s. ten tijde van het wijzen van dat arrest geschorst. Dit wordt vermeld bij de namen van partijen en hun advocaten en in rov. 9 overweegt het hof dit met zoveel woorden. Middel I klaagt, naar de Hoge Raad begrijpt, dat het hof heeft miskend dat door de schorsing van de advocaat van [eiser] c.s. het geding op grond van art. 226 lid 1 Rv. van rechtswege was geschorst en dat het hof om die reden geen uitspraak kon doen, nu de schorsing van de advocaat reeds was ingegaan op het in art. 226 lid 2 in verbinding met 225 lid 4 Rv. genoemde tijdstip dat de dag was bepaald voor het arrest van het hof. 3.2 De aan het middel ten grondslag liggende opvatting is juist. Art. 226 lid 1 Rv. bepaalt dat in zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, het geding van rechtswege wordt geschorst doordat de gestelde advocaat overlijdt of doordat hij zijn hoedanigheid van advocaat verliest. Ratio van deze bepaling is de desbetreffende partij te beschermen tegen de gevolgen van het feit dat zij niet langer in de procedure is vertegenwoordigd ten gevolge van een van de beide in het artikel genoemde omstandigheden. Van dit feit zal zij niet altijd op de hoogte zijn, zonder dat haar dit valt toe te rekenen, hetgeen rechtvaardigt dat de schorsing van rechtswege plaatsvindt, anders dan bij de schorsingsoorzaken die genoemd worden in art. 225 lid 1 Rv., waarbij de schorsing eerst intreedt na betekening van de schorsingsgrond aan de wederpartij. Gelet op deze ratio - die opgeld doet onafhankelijk van de vraag of de rechtsbetrekking tussen de advocaat en zijn cliënt voortduurt -, dient art. 226 lid 1 Rv. aldus te worden uitgelegd dat onder verlies van hoedanigheid als bedoeld in die bepaling mede valt te verstaan schorsing als advocaat, hetzij op grond van een disciplinaire maatregel die is ingegaan, hetzij op een andere wettelijke grond, zoals faillissement (art. 16 Advocatenwet). Genoemde ratio doet zich immers ook bij deze schorsing voor. Hierbij tekent de Hoge Raad met het oog op de eisen van de praktijk het volgende aan. Indien de schorsing van een advocaat slechts voor korte tijd is uitgesproken, zal de rechter de zaak kunnen aanhouden tot die schorsing voorbij is. Met het einde van de schorsing van de advocaat eindigt ook van rechtswege de schorsing van het geding op grond van art. 226 lid 1 Rv. Hetzelfde geldt als zich een andere advocaat voor de betrokken partij stelt. Duurt de schorsing van de advocaat, naar het oordeel van de (rol)rechter, langer dan gelet op de aard van de procedure of de belangen van de wederpartij aanvaardbaar is, zonder dat die advocaat vervangen wordt, dan dient de schorsing van de procedure ten gevolge van de schorsing van de advocaat door de (rol)rechter kenbaar te worden gemaakt aan de wederpartij - voor zover deze daarvan niet reeds op de hoogte is -, bijvoorbeeld door mededeling op of via de rol. De wederpartij heeft dan op grond van art. 228 Rv. de mogelijkheid het geding onmiddellijk weer te doen hervatten in de stand waarin dit zich bij de schorsing bevond, door een exploot uit te brengen waarin dit wordt aangezegd aan de partij van wie de advocaat is geschorst, onder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.