12 oktober 2012 Nr. 10/01243 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de Minister van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 februari 2010, nr. P08/00850DK, betreffende ten aanzien van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) genomen beschikkingen op verzoeken om terugbetaling van douanerechten en omzetbelasting. 1. Het geding in feitelijke instanties De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte beschikkingen door belanghebbende gedane verzoeken om terugbetaling van douanerechten en omzetbelasting afgewezen. De beschikkingen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd. De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 07/3733) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, en de Inspecteur opgedragen belanghebbende het voldane bedrag aan douanerechten en omzetbelasting terug te betalen. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Minister heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 10 mei 2011 geconcludeerd tot het vragen van een prejudiciële beslissing aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. 3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 3.1.1. Op 26 oktober 2005 heeft belanghebbende in haar hoedanigheid van toegelaten afzender in de zin van artikel 398 Uitvoeringsverordening communautair douanewetboek (hierna: UCDW) elektronisch aangifte gedaan tot plaatsing van een dieselmotor (hierna: de motor) onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer. Als geadresseerde van de motor was op de aangifte vermeld D B.V. (hierna: D). Aan D was niet de status van toegelaten geadresseerde in de zin van artikel 406, lid 1, UCDW toegekend. De uiterste datum waarop de motor bij het kantoor van bestemming (R AB1) moest worden aangebracht was vastgesteld op 28 oktober 2005. 3.1.2. Een vertegenwoordiger van D heeft de motor op 14 november 2005 aangebracht bij het hiervoor in 3.1.1 vermelde douanekantoor en namens D aangifte gedaan tot plaatsing van de motor onder de douaneregeling actieve veredeling, met toepassing van het terugbetalingssysteem. In deze aangifte voor actieve veredeling werd verwezen naar de hiervoor in 3.1.1 vermelde aangifte voor douanevervoer onder overlegging van het voor de motor door belanghebbende opgemaakte zogenoemde document New Computerized Transit System. De oorzaak van de overschrijding van de termijn, die op 28 oktober 2005 verstreek, is niet bekend. 3.1.3. Het hiervoor in 3.1.1 vermelde douanekantoor heeft na de aanvaarding van de aangifte voor actieve veredeling vastgesteld dat de daarin vermelde voorafgaande douaneregeling extern communautair douanevervoer niet naar behoren was beëindigd en om die reden de aanvankelijk aanvaarde aangifte voor actieve veredeling buiten werking gesteld. De Inspecteur (bevoegde douaneautoriteit van het kantoor van vertrek) heeft belanghebbende bij schrijven van 22 november 2005 meegedeeld dat het terugzendingsexemplaar dan wel de elektronische terugmelding van de vorengenoemde aangifte tot op dat moment niet door dit kantoor was ontvangen en aan belanghebbende de gelegenheid geboden het bewijs te leveren dat de regeling op regelmatige wijze is beëindigd. Belanghebbende heeft in haar reactie daarop volstaan met te wijzen op de hiervoor in 3.1.2 vermelde feiten. 3.1.4. De Inspecteur heeft geconcludeerd dat de motor niet overeenkomstig de wettelijke bepalingen bij het douanekantoor van bestemming is aangebracht en dat daarom sprake is geweest van een situatie waarin de motor is onttrokken aan het douanetoezicht in de zin van artikel 203, lid 1, Communautair douanewetboek (hierna: CDW). Op die grond heeft hij voor de motor douanerechten en omzetbelasting nagevorderd. 3.2.1. Het Hof heeft overwogen dat bij extern communautair douanevervoer het douanetoezicht (op afstand) wordt uitgeoefend via een te zuiveren document of via het New Computerized Transit System. De douaneautoriteiten kunnen - aldus het Hof - onder de douaneregeling douanevervoer geplaatste goederen altijd aan een controle onderwerpen, maar het is de douaneautoriteiten uit de aard van de zaak, ook binnen de gestelde vervoerstermijn, feitelijk nooit bekend waar de goederen zich op een bepaald tijdstip daadwerkelijk bevinden. In dit opzicht onderscheidt de periode na het verstrijken van de vervoerstermijn zich naar het oordeel van het Hof niet van de periode gedurende welke de vervoerstermijn nog niet is verstreken. Derhalve kan naar het oordeel van het Hof niet worden gezegd dat louter door het overschrijden van de vervoerstermijn de douaneautoriteiten geen toegang meer hadden tot de motor. Het Hof heeft geoordeeld dat mitsdien geen sprake is van een onttrekking in de zin van artikel 203, lid 1, CDW. 3.2.2. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met het overschrijden van de vervoerstermijn één van de verplichtingen die voortvloeien uit het gebruik van de douaneregeling extern communautair douanevervoer, niet nageleefd. Dat laatste brengt, aldus het Hof, mee dat ingevolge artikel 204, lid 1, letter a, CDW een douaneschuld is ontstaan, tenzij dat verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van de douaneregeling douanevervoer. Het Hof heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval is voldaan aan alle voorwaarden die artikel 859, aanhef en onder 2, UCDW stelt om een en ander te beschouwen als een verzuim zonder werkelijke gevolgen voor de juiste werking van de douaneregeling douanevervoer als bedoeld in artikel 204, lid 1, CDW. 3.3. Middel I richt zich tegen 's Hofs hiervoor in 3.2.1 omschreven oordeel en betoogt onder verwijzing naar arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat 's Hofs oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de begrippen douanetoezicht en onttrekken in de zin van het CDW dan wel dat de door het Hof gebezigde gronden dit oordeel niet kunnen dragen. 3.4.1. Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie dat in zaken die betrekking hebben op goederen die onder de douaneregeling douanevervoer respectievelijk douane-entrepots zijn geplaatst, het begrip onttrekking aan het douanetoezicht aldus moet worden opgevat dat het elk handelen of elk nalaten omvat dat tot gevolg heeft dat de bevoegde douaneautoriteit, al is het maar tijdelijk, de toegang wordt belemmerd tot onder douanetoezicht staande goederen en wordt belet de in de unierechtelijke douanewetgeving voorziene controles uit te voeren (zie HvJ 1 februari 2001, C-66/99, D. Wandel GmbH, UTC 2001/61, 11 juli 2002, C-371/99, Liberexim B.V., BNB 2003/158, 12 februari 2004, Hamann International, C-337/01, Douanerechtspraak 2004/29, 29 april 2004, British American Tobacco, C-222/01, Douanerechtspraak 2004/46, en 20 januari 2005, Honeywell Aerospace GmbH, C-300/03, Douanerechtspraak 2005/48). Gelet op deze rechtspraak moet worden nagegaan welke doelstellingen worden nagestreefd met de douaneregeling extern communautair douanevervoer en in dat verband worden beoordeeld of het niet binnen de voorgeschreven termijn aanbrengen van de goederen bij het kantoor van bestemming de controlemogelijkheden van de douaneautoriteiten aantast. 3.4.2. Op grond van artikel 96, lid 1, CDW is de aangever als subject van de douaneregeling extern communautair douanevervoer verplicht de onder die regeling geplaatste goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden aan te brengen bij de douane op het kantoor van bestemming met inachtneming van de door de douaneautoriteiten getroffen identificatiemaatregelen, alsmede de bepalingen betreffende de douaneregeling communautair douanevervoer na te leven. Met de nakoming van deze verplichting tot aanbrengen binnen de gestelde termijn zijn de douaneautoriteiten in staat uiterlijk op het einde van die termijn vast te stellen dat de goederen gedurende het verblijf onder de douaneregeling niet aan het douanetoezicht zijn onttrokken. Het douanetoezicht op het vervoer van de goederen wordt door de aangever ingeroepen voor een bepaalde termijn, te weten de termijn die nodig is om de afstand tussen het douanekantoor van vertrek en het douanekantoor van bestemming te overbruggen (zie artikel 356, lid 1, UCDW). Gedurende deze termijn staan de goederen onder douanetoezicht, tenzij zich het geval voordoet dat de goederen binnen deze termijn aan het douanetoezicht worden onttrokken in de zin van artikel 203, lid 1, CDW. 3.4.3. Het gebruik van de douaneregeling douanevervoer is uitsluitend bedoeld om goederen over te brengen van een plaats in het douanegebied van de Unie naar een andere plaats binnen het douanegebied (artikel 91 CDW), waarbij ervan wordt uitgegaan dat het voorgenomen vervoer in beginsel wordt voltooid binnen de daarvoor op de voet van artikel 356, lid 1, CDW gestelde vervoerstermijn. In deze rechterlijke procedure wordt de vraag opgeworpen welke rechtsgevolgen moeten worden verbonden aan de overschrijding van de op de voet van artikel 356, lid 1, UCDW vastgestelde termijn. In het bijzonder rijst de vraag of het schenden van deze verplichting zonder meer moet worden aangemerkt als onttrekken in de zin van artikel 203, lid 1, CDW, zodat daardoor douanerechten worden verschuldigd. Of is dan sprake van het niet voldaan hebben aan een van de verplichtingen welke voortvloeien uit het gebruik van de douaneregeling als bedoeld in artikel 204, lid 1, CDW, in welk geval van heffing moet worden afgezien, indien sprake is van een verzuim zonder werkelijke gevolgen als bedoeld in artikel 204, lid 1, laatste zinsdeel, CDW in verbinding met artikel 859 UCDW? 3.4.4. In dit verband verdient vooraf opmerking dat wanneer de goederen na het verstrijken van de door het kantoor van vertrek voorgeschreven termijn bij het kantoor van bestemming worden aangebracht en de niet-nakoming van de termijn te wijten is aan niet aan de vervoerder of de aangever toe te rekenen omstandigheden die ten genoegen van het kantoor van bestemming worden aangetoond, de aangever geacht wordt de voorgeschreven termijn in acht te hebben genomen (artikel 356, lid 3, UCDW; tekst tot 1 juli 2008). In de onderhavige procedure heeft de aangever zich echter niet op die wettelijke bepaling beroepen. Belanghebbende in de hoedanigheid van aangever heeft zich beroepen op het bepaalde in artikel 859, aanhef en onder 2, UCDW, in het bijzonder letter c van die bepaling. Artikel 859, aanhef en onder 2, UCDW is een uitwerking van artikel 204, lid 1, laatste zinsdeel, CDW en betreft gevallen waarin voor onder de douaneregeling douanevervoer geplaatste goederen niet is voldaan aan een voorwaarde voor het gebruik van de douaneregeling, mits (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.