ECLI:NL:HR:2012:BV1758
30 maart 2012 Eerste Kamer 11/01893 EE/AS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [Verzoeker], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. A. Vijftigschild, t e g e n 1. DE GEMEENTE UTRECHTSE HEUVELRUG, zetelende te Doorn, 2. [Verweerder 2], wonende te Amsterdam, VERWEERDERS in cassatie, advocaat: aanvankelijk mr. R.A.A. Duk, thans mr. P.A. Ruig.
Verzoeker tot cassatie zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en verweerders als de gemeente en [verweerder 2].
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
De gemeente en [verweerder 2] hebben verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 3 februari 2012 op de conclusie gereageerd.
Op 17 maart 2008 heeft de zoon van [verzoeker] het verzoek aan Bronwaterleiding Doorn gedaan om conform de regeling ter zake van art. 2:86d BW duplicaten te verstrekken van de vermiste aandeelbewijzen. (iv) Bronwaterleiding Doorn heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven. Op vordering van [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter Bronwaterleiding Doorn veroordeeld om de aanvraag van [verzoeker] tot het verstrekken van duplicaten van de mantels te publiceren op de in art. 2:86d lid 3 BW bedoelde wijze. Bronwaterleiding Doorn is daarbij tevens door de voorzieningenrechter veroordeeld om binnen tien dagen nadat, overeenkomstig art. 2:86d lid 5 BW, is komen vast te staan dat er niet tijdig verzet is ingesteld tegen de aanvraag van [verzoeker] of is komen vast te staan dat een verzet tegen die aanvraag bij onherroepelijk geworden uitspraak ongegrond is verklaard, aan [verzoeker] duplicaten van de bedoelde mantels te verstrekken. (v) Gehoorgevend aan deze veroordeling, heeft Bronwaterleiding Doorn de aanvraag van [verzoeker] tot het verstrekken van duplicaten gepubliceerd overeenkomstig genoemd art. 2:86d lid 3 BW. (vi) In hoger beroep is het hiervoor in (iii) genoemde vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en zijn de vorderingen van [verzoeker] alsnog afgewezen op de grond dat [verzoeker] "onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat aan hem in eigendom toebehorende aandeelbewijzen verloren zijn gegaan en dat hij recht heeft op duplicaten daarvan". [Verzoeker] heeft tegen dit arrest geen cassatieberoep ingesteld.
3.2 In deze procedure doen de gemeente en [verweerder 2] het in art. 2:86d leden 4 en 5 BW bedoelde verzet tegen de verstrekking van duplicaten aan [verzoeker]. Dat verzet heeft de rechtbank gegrond verklaard. De rechtbank oordeelde (a) dat de gemeente en [verweerder 2], anders dan [verzoeker] aanvoert, zijn aan te merken als belanghebbenden in de zin van art. 2:86d lid 4 BW en (b) dat [verzoeker] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij aandeelhouder is. Beide oordelen heeft het hof onderschreven. Op grond daarvan heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
3.3.1 Het middel komt (uitsluitend) op tegen het oordeel van het hof dat de gemeente en [verweerder 2] zijn aan te merken als belanghebbenden in de zin van art. 2:86d lid 4 BW.
3.3.2 Het middel is ongegrond. Art. 2:86d lid 4 BW bepaalt dat "iedere belanghebbende" in verzet kan komen tegen de verstrekking van duplicaten. De wet beperkt de kring van belanghebbenden dus niet tot een "ieder, die meent enig recht te hebben op het in die aankondigingen [publicaties] vermelde effect", zoals het oude art. 15 lid 1 Effectenvernieuwingswet, de voorloper van het huidige art. 2:86a lid 4 BW, deed. Ook de omstandigheid dat in de memorie van toelichting op art. 2:86a lid 4 BW gesproken is over "derden die het origineel of delen van het aandeelbewijs bezitten" (Kamerstukken II 1997-1998, 26 133, nr. 3, blz. 2) brengt niet mee dat aan de woorden "iedere belanghebbende" in art. 2:86d lid 4 een zo beperkte uitleg moet worden gegeven als het middel ingang wil doen vinden. Het oordeel van het hof dat de gemeente en [verweerder 2] als aandeelhouders een eigen belang hebben bij hun verzet en dat zij daarom zijn aan te merken als belanghebbenden in de zin van art. 2:86d lid 4, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheer A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, en de raadsheren J.C. van Oven, W.D.H. Asser, A.H.T. Heisterkamp en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 30 maart 2012.