13 juli 2012 nr. 10/05309 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, Zwitserland (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 oktober 2010, nr. BK-10/00031, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Het geding in feitelijke instanties Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een conserverende aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. De Inspecteur heeft bij uitspraak het tegen de aanslag gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De Rechtbank te `s-Gravenhage (nr. AWB 09/277 IB/PVV) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 22 december 2011 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 3.1.1. Belanghebbende was tot medio 2004 woonachtig in Nederland en is vervolgens verhuisd naar het adres a-straat 1 te Q (Zwitserland). 3.1.2. In verband met zijn emigratie heeft hij in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2004 een te conserveren inkomen uit aanmerkelijk belang opgenomen van € 1.175.773. 3.1.3. Belanghebbende is in 2007 binnen Zwitserland verhuisd naar het adres b-straat 1 te Z (hierna: het nieuwe adres). 3.1.4. Omstreeks februari 2007 heeft de Inspecteur belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2006 door toezending van het aangiftebiljet C - een aangifteformulier dat is bestemd voor buitenlandse belastingplichtigen - met de bijbehorende toelichting naar het adres a-straat 1 te Q (hierna: het oude adres). 3.1.5. Belanghebbende heeft met gebruikmaking van het aangifteprogramma van Elsevier elektronisch aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2006 (hierna: de aangifte 2006), welke aangifte door de Belastingdienst is ontvangen op 12 juli 2007. 3.1.6. De conserverende aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van belanghebbende voor het jaar 2004 (hierna: de aanslag) is gedagtekend 7 december 2007. 3.1.7. De Ontvanger heeft in een naar het nieuwe adres verzonden brief, gedagtekend 29 september 2008, aan belanghebbende onder meer het volgende geschreven: "U heeft een conserverende aanslag opgelegd gekregen over het jaar 2004. Ik heb het aanslagbiljet retour ontvangen i.v.m. een onjuist adres. Wij hebben elkaar telefonisch gesproken. U heeft aangegeven dat u bent verhuisd naar bovenstaand adres. Ik zend u hierbij het aanslagbiljet toe." 3.1.8. Belanghebbende heeft bij brief van 30 oktober 2008 bezwaar gemaakt tegen de aanslag. De Inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. 3.1.9. Het Hof heeft als vaststaande feiten aangemerkt dat het aanslagbiljet voor de aanslag is gestuurd naar het oude adres, dat de Belastingdienst het aanslagbiljet op 2 januari 2008 retour heeft ontvangen, en dat de Zwitserse post de enveloppe heeft voorzien van een sticker met de mededeling welke - vertaald in de Nederlandse taal - luidt: "Verhuisd. Nazendingstermijn verstreken". 3.2.1. Voor het Hof was in geschil of belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag door de Inspecteur terecht niet-ontvankelijk is verklaard. 3.2.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de aanslag op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt aangezien de Inspecteur niet kan worden verweten dat hij het aanslagbiljet naar het oude adres heeft gestuurd. De Inspecteur was niet van het nieuwe adres op de hoogte en behoefde dat volgens het Hof ook niet te zijn. Daartoe heeft het Hof overwogen dat belanghebbende en zijn gemachtigde geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid die de Belastingdienst heeft opengesteld voor het kenbaar maken van een adreswijziging, terwijl belanghebbende of zijn gemachtigde dit hadden kunnen weten. Zowel in de toelichting bij het aangiftebiljet als op de website van de Belastingdienst wordt namelijk medegedeeld dat een adreswijziging uitsluitend kan worden verwerkt indien deze op die door de Belastingdienst opengestelde wijze wordt doorgegeven, aldus het Hof. 3.2.3. De bezwaartermijn is daarom naar het oordeel van het Hof aangevangen op 8 december 2007, zodat het bezwaarschrift in oktober 2008 buiten de termijn van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is ingediend. Het Hof heeft belanghebbendes beroep op verschoonbaarheid van een overschrijding van de bezwaartermijn verworpen. 3.2.4. Het Hof heeft afgewezen het verzoek van belanghebbende om de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep ook indien het hoger beroep ongegrond wordt verklaard. 3.3.1. Middel I voert aan dat het Hof heeft nagelaten belanghebbendes grief te behandelen die inhield dat de Inspecteur de verzending van het aanslagbiljet in december 2007 niet aannemelijk heeft gemaakt. Aangezien uit de uitspraak van het Hof of uit de gedingstukken niet blijkt dat belanghebbende deze grief ondubbelzinnig heeft prijsgegeven, slaagt het middel. Het Hof heeft derhalve de hiervoor in 3.1.9 vermelde feiten niet als vaststaand mogen aanmerken zonder een oordeel over de aannemelijkheid daarvan te geven. 3.3.2. Voor het geval ervan moet worden uitgegaan dat het aanslagbiljet verzonden is, behandelt de Hoge Raad ook de andere middelen. 3.4.1. Middel II richt zich tegen het hiervoor in 3.2.1 weergegeven oordeel van het Hof met het betoog dat het de Belastingdienst wel kan worden verweten het aanslagbiljet naar het oude adres te hebben verstuurd. 3.4.2. Ter beantwoording van de vraag of verzending van een aanslagbiljet naar een onjuist adres moet worden beschouwd als een bekendmaking van de aanslag op de in artikel 3:41, Awb voorgeschreven wijze, zodat met die bekendmaking de bezwaartermijn is aangevangen, heeft het Hof terecht tot uitgangspunt genomen dat bepalend is of die onjuiste adressering al dan niet aan de Belastingdienst is te wijten. 3.4.3. Met zijn hiervoor in 3.2.2 weergegeven overwegingen heeft het Hof echter miskend dat de Belastingdienst, bij het ontbreken van een daartoe strekkende wettelijke bepaling, niet gerechtigd is om belastingplichtigen voor te schrijven dat adresgegevens uitsluitend op een bepaalde wijze aan hem kunnen worden gemeld. De Inspecteur dient dan ook mede acht te slaan op adresgegevens die door een belastingplichtige op andere wijze voldoende duidelijk aan hem ter kennis worden gebracht. Wel kan worden aanvaard dat de Inspecteur voorbijgaat aan de kennisgeving van adresgegevens op bepaalde al dan niet digitale formulieren (zoals aangiftebiljetten), mits uit het desbetreffende formulier zelf blijkt dat langs deze weg ter kennis van de Inspecteur gebrachte adresgegevens door de Belastingdienst niet worden verwerkt. 3.4.4. Het Hof heeft zich niet uitgelaten over de stellingen van belanghebbende, voor zover die inhouden (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.