ECLI:NL:HR:2012:BV3403
6 april 2012 Eerste Kamer 11/02985 EE/MD Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van:
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] c.s. en Karadzic.
De eindbeschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Karadzic heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het beroep.
3.1.2 Bij de beschikking van 14 juli 2009 heeft de rechtbank verzoeken van [verzoeker] c.s., er in hoofdzaak op neerkomend dat Karadzic nogmaals als getuige zou worden gehoord en dat hem een dwangsom zou worden opgelegd, te verbeuren bij weigering de door [verzoeker] c.s. geformuleerde vragen te beantwoorden, afgewezen en het getuigenverhoor gesloten.
3.1.3 [Verzoeker] c.s. zijn tegen deze beschikking in hoger beroep gekomen. Bij de mondelinge behandeling daarvan, ter zitting van 19 november 2009, is Karadzic niet verschenen.
Bij beschikking van 8 december 2009 heeft het hof geoordeeld, samengevat, dat overeenkomstig het op het verzochte verhoor toepasselijke Nederlandse recht ook een partijgetuige verplicht is getuigenis af te leggen, en dat Karadzic zich niet op een verschoningsrecht kan beroepen op de wijze waarop hij dat ter zitting van de rechtbank heeft gedaan, aangezien het beroep op dat recht alleen per vraag kan worden gedaan en door de verhorende rechter moet worden getoetst. Het hof heeft de in hoger beroep bestreden beschikking vernietigd, het getuigenverhoor van Karadzic heropend en bepaald, samengevat, dat Karadzic op een nader te bepalen datum door de aangewezen raadsheer-commissaris zou worden gehoord.
3.1.4 Na een tussenbeschikking van 21 september 2010 heeft het hof bij beschikking van 17 december 2010 bepaald dat het verhoor van Karadzic zou plaatsvinden op 6 januari 2011 in het gebouw van het ICTY, en de medebrenging van Karadzic bevolen.
Blijkens het proces-verbaal van de op 6 januari 2011 gehouden zitting is Karadzic aldaar niet verschenen, en heeft de raadsheer-commissaris melding gemaakt van een kort tevoren ontvangen telefonische mededeling dat Karadzic, niettegenstaande het bevel tot medebrenging, weigerde vanuit het UNDU naar de plaats van verhoor te komen.
3.1.5 Bij de beschikking van 3 mei 2011 heeft het hof - kort weergegeven - vastgesteld dat Karadzic niet heeft voldaan aan zijn verplichting als getuige een verklaring af te leggen, geoordeeld dat het opleggen van een dwangsom aan een weigerachtige partijgetuige niet toelaatbaar is, overwogen dat het ontbreken van mogelijkheden om Karadzic tot spreken te dwingen meebrengt dat [verzoeker] c.s. geen belang hebben bij beoordeling van verdere verzoeken die zij met het oog op de uitvoering van het verzoek om rechtshulp hebben gedaan, voorts overwogen dat er geen grond is Karadzic in de vergeefs aangewende kosten als bedoeld in art. 178 Rv. te veroordelen, en het getuigenverhoor gesloten.
3.2 Het eerste middel bevat klachten met betrekking tot het oordeel van het hof dat geen middelen voorhanden zijn om Karadzic ertoe te brengen diens verplichtingen als getuige na te komen.
De Hoge Raad zal eerst het tweede onderdeel van het middel behandelen, dat is gericht tegen het oordeel van het hof dat het opleggen van een dwangsom aan Karadzic als weigerachtige partijgetuige niet toelaatbaar is.
3.3 Bij beoordeling van dit onderdeel moet worden vooropgesteld dat - zoals ook het hof heeft vastgesteld - op de uitvoering van het krachtens het Verdrag inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken (Verdrag van 18 maart 1970, Trb. 1979, 38, hierna: het Haags Bewijsverdrag) gedane verzoek om rechtshulp het Nederlands burgerlijk procesrecht toepasselijk is.
3.4 Art. 173 lid 1 Rv. luidt, voor zover thans van belang: "Indien een getuige weigert zijn verklaring af te leggen, kan de rechter op verzoek van de belanghebbende partij bevelen, dat hij (...) in gijzeling zal worden gesteld totdat hij aan zijn verplichting zal hebben voldaan (..). Deze bepaling is niet van toepassing als het een partij betreft die als getuige wordt gehoord."
3.5 De in de laatste zin van deze bepaling opgenomen regel is, destijds in art. 195 Rv. (oud), ingevoerd bij de Wet van 3 december 1987, Stb. 1987, 590 (Nieuwe regeling van het bewijsrecht in burgerlijke zaken).
In de memorie van antwoord betreffende het daaraan ten grondslag liggende wetsvoorstel is hieromtrent te vinden: "(...) Is voor getuigen algemeen reeds bepaald, dat zij zich van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen verschonen, om zich zelf of de naaste familie niet aan strafvervolging bloot te stellen (...), ten aanzien van de partij werd geoordeeld, dat het beginsel, dat niemand gedwongen kan worden tegen zich zelf getuigenis af te leggen, in ruimer omvang moest prevaleren. Daarom is niet de sanctie van gijzeling gesteld op het zwijgen van de getuige die tevens partij is, en is ook de strafsanctie wat dit betreft terzijde gezet. Beoogd is echter niet méér, dan de dwangmiddelen die in gewone omstandigheden de getuige tot spreken kunnen bewegen, buiten toepassing te laten: de partijgetuige is dus wel degelijk tot spreken verplicht, alleen kan zij daartoe niet gedwongen worden." (Kamerstukken II, 1981, 10 377, nr. 7, p. 22) 3.6 Deze thans in art. 173 lid 1 Rv. opgenomen regel strekt er derhalve onmiskenbaar toe dat een procespartij niet gedwongen mag worden als getuige een verklaring af te leggen. Daarmee is niet verenigbaar dat aan degene die is opgeroepen om als getuige te worden gehoord in verband met een geding waarin hij als partij wordt aangemerkt, doch weigert de hem te stellen vragen te beantwoorden, een dwangsom kan worden opgelegd teneinde hem alsnog tot het afleggen van die getuigenis te bewegen.
3.7 Nu Karadzic in de onderhavige procedure, erop gericht ter uitvoering van het hierboven genoemde rechtshulpverzoek diens verklaring op te nemen, als partijgetuige in de zin van art. 164 Rv. is aangemerkt, heeft het hof, in aanmerking genomen hetgeen in art. 10 van het Haags Bewijsverdrag is bepaald, terecht geoordeeld dat als uitgangspunt heeft te gelden dat het opleggen van een dwangsom aan een weigerachtige partijgetuige niet toelaatbaar is.
3.8 Hieruit vloeit tevens voort dat [verzoeker] c.s. niet kunnen worden gevolgd in hun stelling dat in verband met de uitvoering van een verzoek om rechtshulp bij weigering een verklaring af te leggen eerder naar een dwangsom moet worden gegrepen omdat de met uitvoering van dat rechtshulpverzoek belaste rechter zelf niet in staat is om aan die weigering "geraden gevolgen" als bedoeld in art. 164 lid 3 Rv. te verbinden.
3.9 [Verzoeker] c.s. stellen nog dat de afwijzing van hun verzoek een schending oplevert van hun in het EVRM gewaarborgde rechten. Niet valt echter in te zien waarom zij aan dit verdrag het recht zouden ontlenen om hun processuele wederpartij te dwingen tot het afleggen van een verklaring.
3.10 Op het hiervoor overwogene stuit het eerste middel in al zijn onderdelen af.
3.11 De in het tweede middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, M.A. Loth, Y. Buruma en J. Wortel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 6 april 2012.