29 juni 2012 Nr. 11/03523 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 24 juni 2011, nr. 10/00512, betreffende een aan X te Z België, domicilie gekozen hebbende te R (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. 1. Het geding in feitelijke instanties Aan belanghebbende is volgens de gegevens in het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, alsmede een boete; tevens is heffingsrente in rekening gebracht. Het tegen deze naheffingsaanslag en de beschikkingen inzake de heffingsrente en de boete gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard. De Rechtbank te Breda (nr. AWB 09/4041) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de Inspecteur opgedragen opnieuw uitspraak te doen op het bezwaar van belanghebbende. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de bezwaren van belanghebbende ontvankelijk verklaard en bepaald dat de Inspecteur de naheffingsaanslag alsmede de boetebeschikking en de heffingsrentebeschikking uit het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst dient te (doen) verwijderen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend. De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 2 maart 2012 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 3.1.1. Volgens de gegevens in het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst is aan belanghebbende met dagtekening 25 februari 2009 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het jaar 2006 opgelegd. Volgens die gegevens is hierbij tevens een boete opgelegd en heffingsrente in rekening gebracht (hierna gezamenlijk: de naheffingsaanslag). 3.1.2. Belanghebbende heeft een op 20 maart 2009 gedagtekende aanmaning ontvangen tot betaling van de naheffingsaanslag. 3.1.3. Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 9 april 2009 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Deze brief is op 10 april 2009 afgegeven bij de Belastingdienst. 3.1.4. De Inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift is ingediend na afloop van de bezwaartermijn. Die termijn was zijns inziens verstreken op 8 april 2009, zes weken na de dagtekening van de naheffingsaanslag. 3.1.5. Belanghebbende stelt dat hij het aanslagbiljet van de naheffingsaanslag niet heeft ontvangen. 3.2.1. Voor het Hof was in verband daarmee in geschil of belanghebbendes bezwaren terecht wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk zijn verklaard. Het geschil spitste zich toe op de vraag of de naheffingsaanslag op de voorgeschreven wijze, door toezending van het aanslagbiljet aan belanghebbende, is bekendgemaakt. 3.2.2. De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof aangeboden bewijs te leveren van zijn stelling dat het aanslagbiljet van de naheffingsaanslag is verzonden, door een duplicaat van dat biljet over te leggen en door middel van bewijs van bij de verzending gebruikte generatienummers. 3.2.3. Het Hof heeft naar aanleiding daarvan geoordeeld dat bij de afweging om het onderzoek al dan niet voort te zetten het algemeen belang van een doelmatige procesgang met zich brengt dat het bewijsaanbod van de Inspecteur als tardief gepasseerd dient te worden. Het Hof heeft daartoe samengevat het volgende overwogen. Een goede procesorde brengt mee dat bewijs ter staving van door de wederpartij betwiste feiten zoveel mogelijk in de schriftelijke stukken en tijdig voor de zitting wordt overgelegd. Gelet op het verloop van de rechtsstrijd tussen partijen vanaf de bezwaarfase had de Inspecteur het ter zitting aangeboden bewijs eerder moeten overleggen, nu dat bewijs betrekking had op zijn van aanvang af door de wederpartij betwiste stelling over de bekendmaking van de naheffingsaanslag. Er zijn geen aanwijzingen dat de Inspecteur niet eerder in staat was tot deze bewijslevering. Bij de afweging om het onderzoek voort te zetten dan wel te beëindigen brengt het algemeen belang van een doelmatige procesgang met zich dat het bewijsaanbod als tardief moet worden gepasseerd, aldus het Hof. 3.2.4. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat het aanslagbiljet van de naheffingsaanslag is aangeboden aan TNT Post, noch dat het aan het juiste adres is verzonden. Het heeft daaraan de gevolgtrekking verbonden dat de naheffingsaanslag niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. 3.2.5. Op grond daarvan heeft het Hof geoordeeld dat de bezwaren tijdig zijn ingediend en daarom ontvankelijk zijn. 3.2.6. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslag tot op de dag van de zitting op enig moment is bekendgemaakt, zoals is voorgeschreven in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Op grond daarvan is het Hof tot de slotsom gekomen dat de naheffingsaanslag niet tot stand is gekomen. Het heeft in verband daarmee bepaald dat de Inspecteur de naheffingsaanslag uit het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst dient te (doen) verwijderen. 3.3.1. Het eerste middel richt zich tegen het hiervoor in 3.2.3 vermelde oordeel van het Hof dat het bewijsaanbod van de Inspecteur tardief is. 3.3.2. Met dit oordeel heeft het Hof dat bewijsaanbod wegens strijd met de goede procesorde verworpen. 3.3.3. Het Hof heeft terecht vooropgesteld dat een goede procesorde meebrengt dat het bewijs zoveel mogelijk in de schriftelijke stukken en tijdig voor de zitting wordt overgelegd (zie HR 1 oktober 2004, nr. 38967, LJN AR3099, BNB 2005/151). 3.3.4. Bij de beslissing of een partij de gelegenheid moet krijgen bewijsstukken na de zitting alsnog over te leggen, moet een afweging plaatsvinden van enerzijds het belang dat die partij heeft bij het overleggen van die stukken en de redenen waarom hij dit niet in een eerdere fase van de procedure voor de feitenrechter heeft gedaan, en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang (zie HR 3 februari 2006, nr. 41329, LJN AV0821, BNB 2006/204; vgl. HR 17 december 2004, nr. 38831, LJN AR7741, BNB 2005/152). 3.3.5. Het Hof heeft terecht deze maatstaf gehanteerd. Ook heeft het Hof terecht in zijn afweging het verloop van het processuele debat vanaf de bezwaarfase betrokken. Het Hof heeft in dat verband geoordeeld (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.