21 september 2012 nr. 11/03528 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van X-Y te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 juni 2011, nrs. BK-10/00167 en 10/00168, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, een beschikking als bedoeld in artikel 3.151, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en een aanslag in de premie Ziekenfondswet. 1. Het geding in feitelijke instanties Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2002 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de premie Ziekenfondswet opgelegd. De Inspecteur heeft voorts, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen bij beschikking het bedrag van het verlies van 2002 vastgesteld op nihil. De aanslagen en de beschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd. De Rechtbank te 's-Gravenhage (nrs. AWB 08/2132 IB/PVV en AWB 08/2130 ZFWET) heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de aanslag in de premie Ziekenfondswet vernietigd, de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen verminderd tot nihil en een verlies vastgesteld. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 15 maart 2012 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 3.1.1. De vader en de oom van de echtgenoot van belanghebbende (hierna: vader, respectievelijk: oom) exploiteerden vanaf 1970 in firmaverband een veehouderij. Per 1 januari 1993 is de echtgenoot van belanghebbende tot de firma toegetreden en is de firma voortgezet onder de naam 'VOF C'. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben de veehouderij per 1 januari 2001 in een andere vennootschap onder firma voortgezet. 3.1.2. Ter gelegenheid van de ontbinding van VOF C zijn op 31 december 2000 onroerende zaken, waarop een zogenoemd eerste pachtersvoordeel rustte, aan belanghebbende en haar echtgenoot verkocht. Vader, oom, belanghebbende en haar echtgenoot hebben bij deze verkoop een beroep gedaan op het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 4 december 2000, nr. CPP2000/2075M, V-N 2001/3.1 (hierna: het Besluit). Zij hebben de in de bijlage bij het Besluit vermelde voorwaarden (voor doorschuiving (eerste) pachtersvoordeel indien dat wordt gerealiseerd bij verkrijging door de bedrijfsopvolger uit de familiekring zonder voorafgaande pacht) aanvaard, hetgeen tot gevolg had dat het pachtersvoordeel is doorgeschoven naar belanghebbende en haar echtgenoot. 3.1.3. Voorwaarde 1, bijlage bij het Besluit luidt als volgt: "De heer BX (bedrijfsopvolger) neemt jaarlijks op zijn fiscale balans onder de benaming "doorgeschoven pachtersvoordeel" een passiefpost op ter grootte van f ij, zolang en voor zover de grond waarop dit pachtersvoordeel betrekking heeft, tot zijn ondernemingsvermogen behoort; indien (een gedeelte van) de grond waarop het doorgeschoven pachtersvoordeel rust, niet langer tot het ondernemingsvermogen behoort, neemt de passiefpost (naar evenredigheid) af ten gunste van de winst." 3.1.4. In 2002 hebben belanghebbende en haar echtgenoot de grond waarop het doorgeschoven pachtersvoordeel betrekking heeft, verkocht aan Bureau Beheer Landbouwgronden, Provincie S. In 2002 hebben zij andere gronden en een boerderij aangekocht. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben hun bedrijf met behulp van de in eigendom verkregen onroerende zaken voortgezet. 3.1.5. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 de passiefpost betreffende het doorgeschoven pachtersvoordeel tot de winst gerekend. 3.2. Voor het Hof was in geschil of de passiefpost van het doorgeschoven pachtersvoordeel niet ten gunste van de winst hoeft vrij te vallen en verder mag worden doorgeschoven indien weliswaar de grond waarop het pachtersvoordeel is ontstaan de onderneming van belanghebbende heeft verlaten, maar nieuwe grond is verworven die in bedrijfseconomische zin de verkochte grond vervangt. Het Hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord en heeft daartoe - samengevat weergegeven - overwogen dat het pachtersvoordeel geen activum is en daarop de ruilgedachte, de ruilarresten en het regime van de herinvesteringsreserve niet van toepassing zijn. Voorts heeft het Hof overwogen dat aan (het doorschuiven van) de passiefpost een bijzondere afspraak tussen belanghebbende en haar rechtsvoorganger(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.