← Nederland

ECLI:NL:HR:2012:BY1360

26 oktober 2012 Eerste Kamer 12/03220 EE/DH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [Verzoekster], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. L.C. Blok, t e g e n DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst), zetelende te 's-Gravenhage, VERWEERDER in cassatie. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] en de Staat.

  1. Het geding in feitelijke instantie Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak 403402/HA RK 11-564 van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 april 2012; De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
  2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van de rechtbank heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het verzoekschrift tot cassatie is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. Het door verzoekster verschuldigde griffierecht is op 9 augustus 2012 door de Hoge Raad ontvangen. Aan de advocaat van verzoekster is verzocht zich uit te laten over de vraag waarom het griffierecht niet binnen de wettelijke betalingstermijn is bijgeschreven op de rekening van de Hoge Raad en de rechtsgevolgen daarvan. De advocaat van verzoekster heeft bij akte van 9 augustus 2012 een reactie ingediend De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar cassatieberoep.
  3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 3.1 [Verzoekster] heeft bij verzoekschrift van 28 juni 2012 beroep in cassatie ingesteld. Ingevolge art. 3 lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zaken had het griffierecht moeten zijn voldaan binnen vier weken na indienen van het verzoekschrift, derhalve uiterlijk op 26 juli
  4. Het griffierecht is echter pas op 9 augustus 2012 voldaan. Dit brengt mee dat [verzoekster] op grond van het bepaalde in art. 282a lid 2 in verbinding met art. 427b Rv niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in haar beroep. 3.2 De advocaat van [verzoekster] heeft zich bij akte uitgelaten over de te late betaling van de griffierechten. Hij stelt dat [verzoekster] hem had meegedeeld het griffierecht rechtstreeks te hebben voldaan en dat het bedrag alsnog is overgemaakt toen dit niet het geval bleek te zijn. Voor zover deze brief tot strekking heeft een beroep te doen op de hardheidsclausule van art. 282a lid 4 Rv, faalt dit beroep. De aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende om een beroep op de hardheidsclausule te kunnen rechtvaardigen.
  5. Beslissing De Hoge Raad verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar beroep. Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en M.A. Loth, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 26 oktober 2012.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.