29 november 2013 nr. 12/00244 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 29 november 2011, nr. 11/00248, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1Het geding in feitelijke instanties Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd. De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 10/3029) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank met betrekking tot de proceskostenveroordeling vernietigd en voor het overige bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen ‘s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend. De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 27 november 2012 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 3Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 3.1.1. Belanghebbende dreef samen met zijn echtgenote in maatschapsverband een agrarische onderneming. Tot het ondernemingsvermogen behoorde onder meer ongeveer 6 hectare cultuurgrond, bedrijfsgebouwen en bijbehorende ondergrond en erf (ondergrond en erf hierna tezamen: de bedrijfskavel). Tevens werden gronden gepacht. 3.1.2. Op 31 oktober 2001 heeft de maatschap de cultuurgrond, de bedrijfskavel met opstallen en een privékavel met opstallen en berm, met uitzondering van 1934 m² tot het bedrijfsvermogen behorende grond (hierna: de bouwkavel), verkocht aan Bureau Beheer Landbouwgronden (hierna: BBL). 3.1.3. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben de onderneming per 31 december 2002 gestaakt. Bij de staking hebben zij de bouwkavel aan het ondernemingsvermogen onttrokken. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben op de bouwkavel een woning laten bouwen. 3.1.4. Aan de maatschap is een subsidie toegekend voor bedrijfsbeëindiging op grond van de Regeling bedrijfshervestiging en bedrijfsbeëindiging ten bedrage van € 99.034 (hierna: de Rbb-vergoeding). Van dit bedrag is de zogenoemde hectaretoeslag ten bedrage van € 59.416 in 2002 ontvangen en als winst van de maatschap verantwoord. De zogenoemde toeslag belastingheffing ten bedrage van € 39.618 is ontvangen in 2005, maar niet in de jaarrekening over het jaar 2002 opgenomen. 3.1.5. De Inspecteur heeft onder meer met betrekking tot de onttrekking van de bouwkavel en de Rbb-vergoeding correcties aangebracht op de winst van de maatschap. 3.2. In cassatie is onder meer in geschil of belanghebbende met vrucht een beroep kan doen op het beleid dat is neergelegd in het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 8 maart 2006, nr. CPP2005/3338M, BNB 2006/197 (hierna: het Besluit) en of de gehele Rbb-vergoeding terecht tot de belastbare winst is gerekend. 3.3.1. Het eerste middel betoogt met een beroep op het gelijkheidsbeginsel dat op grond van het Besluit de landbouwvrijstelling moet worden toegepast op de winst die is behaald met de onttrekking van de bouwkavel. 3.3.2. In cassatie is tussen partijen niet in geschil dat het onttrekken van een bestaande woning aan het ondernemingsvermogen niet in relevante zin afwijkt van het onttrekken van cultuurgrond aan het ondernemingsvermogen voor de bouw op die grond van een nieuwe woning. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 20 april 2012, nr. 10/01454, ECLI:NL:HR:2012:BP6660, BNB 2013/1, kan ook in een geval als dat van belanghebbende met vrucht een beroep worden gedaan op de begunstigende behandeling waarin het Besluit voorziet. De landbouwvrijstelling kan dan worden toegepast op het verschil tussen de boekwaarde van de ondergrond en de (fictieve) waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming als ondergrond (hierna: WEVAB-ondergrond) van de woning ten tijde van de onttrekking. 3.3.3. Belanghebbende heeft zich voor de Rechtbank erop beroepen dat de toepassing van het gelijkheidsbeginsel met zich brengt dat de gehele bij de onttrekking van de bouwkavel in aanmerking te nemen winst onder de landbouwvrijstelling valt. Hij is er hierbij kennelijk van uitgegaan dat de WEVAB-ondergrond van het perceel op dat tijdstip gelijk was aan de waarde in het economische verkeer. Omdat dit uitgangspunt door de Inspecteur niet is bestreden, zal hiervan in cassatie worden uitgegaan. 3.3.4. Op grond van het hiervoor in 3.3.2 en 3.3.3 overwogene slaagt het eerste middel. 3.4.1. Het tweede middel betoogt in de eerste plaats dat de in de Rbb-vergoeding begrepen zogenoemde toeslag belastingheffing ten bedrage van € 39.618 moet worden aangemerkt als een onbelaste vergoeding voor belastingschade. 3.4.2. Ingevolge artikel 11 van de Regeling bedrijfshervestiging en –beëindiging (hierna: Rbb) bedraagt de subsidie voor de beëindiging van een bedrijf de som van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.