22 november 2013 Eerste Kamer nr. 12/04506 EV/EE Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [de man],wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. H.J.W. Alt, t e g e n [de vrouw],wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaten: mr. D.M. de Knijff en mr. A. van Staden ten Brink. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw. 1Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. de vonnissen in de zaak 217753/HA ZA 04-1588 van de rechtbank Rotterdam van 27 juli 2005, 21 juni 2006 en 29 april 2009; b. de arresten in de zaak 200.038.348 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 16 augustus 2011 en 27 maart 2012. De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht. 2Het geding in cassatie Tegen het arrest van het hof van 27 maart 2012 heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de man mede door mr. S. Kousedghi, advocaat bij de Hoge Raad. De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof. De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 20 september 2013 op die conclusie gereageerd. 3Beoordeling van het middel 3.1 Partijen waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Tussen hen is bij beschikking van 11 december 2002 echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 17 januari 2003 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.2 Het gaat in de onderhavige procedure om de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap (hierna: gemeenschap). In hoger beroep is het hof uitgegaan van 1 december 2000 als de peildatum voor de vaststelling van de omvang en waardering van de gemeenschap. Met betrekking tot de toedeling van de op die datum bestaande schulden van de door de man gedreven eenmanszaak overwoog het hof in rov. 17: “In het onderhavige geval acht het hof het redelijk en billijk dat indien alle activa behorende tot [naam eenmanszaak] aan de man worden toegedeeld, hij gehouden is alle schulden met betrekking tot de exploitatie van deze onderneming als eigen schulden te voldoen en de vrouw ter zake die schulden te vrijwaren. Het hof acht dit redelijk aangezien de man met de activa gedurende een reeks van jaren een kasstroom heeft kunnen genereren nu hij zelf heeft gesteld dat hij de onderneming heeft voortgezet.”. 3.3.1 Tegen dit oordeel richten zich de klachten van onderdeel 2.1-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.