17 december 2013 Strafkamer nr. S 13/03746 H SG Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 11 maart 2010, nummer 13/401672-09, ingediend door mr. W.L.C. Rijk, advocaat te Rotterdam, namens: [aanvraagster] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979. 1De uitspraak waarvan herziening is gevraagd De Rechtbank heeft de aanvraagster ter zake van 1. "medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een valse kaart als bedoeld in artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware deze echt en onvervalst, meermalen gepleegd" en "medeplegen van opzettelijk een valse kaart als bedoeld in artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat de kaart bestemd is voor gebruik als ware deze echt en onvervalst, meermalen gepleegd", 2. "medeplegen van in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vals is" en 3. "medeplegen van oplichting" veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden. 2De aanvraag tot herziening De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 3Beoordeling van de aanvraag 3.1. Naar luid van art. 460, tweede lid, Sv dient de aanvraag de gronden te vermelden waarop deze berust. De aanvraag zal dus naar behoren gemotiveerd dienen te zijn. Dat vindt bevestiging in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot het huidige art. 460 Sv heeft geleid (Kamerstukken II 2008-2009, 32 045, nr. 3, p. 32). 3.2. Hieruit – bezien in samenhang met de omstandigheid dat ingevolge art. 460 Sv de indiening van herzieningsaanvragen is voorbehouden aan rechtsgeleerde raadslieden en de procureur-generaal bij de Hoge Raad – volgt dat uitsluitend een herzieningsaanvraag welke aan deze motiveringseis voldoet, in behandeling kan worden genomen. Een aanvraag die daaraan niet beantwoordt, is niet een aanvraag als in de wet bedoeld en moet daarom buiten behandeling blijven. 3.3. Dat betekent dat ingeval een op art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv steunende aanvraag een beroep doet op een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling, (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.