12 juli 2013 nr. 11/01120 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 28 januari 2011, nrs. 08/7996 en 08/7997, betreffende aan [X] N.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslagen in de dividendbelasting. 1Het geding in feitelijke instantie Aan belanghebbende zijn naheffingsaanslagen in de dividendbelasting opgelegd, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd. De Rechtbank heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur en de naheffingsaanslagen vernietigd. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht. 2Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 26 oktober 2011 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 3Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 3.1.1. Belanghebbende vormt een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met haar dochtervennootschap [A] Holding B.V. (hierna: Holding BV). [B] Plc (hierna: Plc), een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde dochtervennootschap van Holding BV, heeft in het jaar 2005 een dividend van GBP 25.000.000 ter beschikking gesteld van Holding BV. 3.1.2. Op het hiervoor in 3.1.1 vermelde dividend is een belastingwet van het Verenigd Koninkrijk, genaamd “Income Tax (Trading and Other Income) Act 2005” toegepast. 3.1.3. Het Verenigd Koninkrijk heeft aan Holding BV een half belastingkrediet (‘tax credit’; hierna: het belastingkrediet) verleend van GBP 1.388.888, zulks op grond van artikel 10, lid 3, letter c, van het Belastingverdrag Nederland-Verenigd Koninkrijk van 7 november 1980 (hierna: het Verdrag). 3.1.4. Over het dividend en het belastingkrediet heeft het Verenigd Koninkrijk onder de naam ‘income tax’ een belasting geheven van 5 percent. Het bedrag van deze belasting is GBP 1.319.444. Deze belasting is verrekend met het belastingkrediet. De belastingautoriteiten van het Verenigd Koninkrijk hebben het verschil tussen de ‘income tax’ en het belastingkrediet, een bedrag van GBP 69.444, uitbetaald aan Holding BV. 3.1.5. Belanghebbende heeft ter zake van door haar in de jaren 2007 en 2008 ter beschikking van haar aandeelhouders gestelde dividenden aangifte gedaan voor de dividendbelasting en in de aangiften een bedrag van € 1.154.000 onderscheidenlijk € 875.070 in mindering gebracht als zogenoemde dooruitdelingskorting, zijnde de in artikel 11 van de Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: de Wet) voorziene vermindering. 3.2. Voor de Rechtbank was tussen partijen in geschil of belanghebbende terecht aanspraak maakt op de dooruitdelingskorting. 3.3.1. De Rechtbank heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Zij heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, overwogen dat met betrekking tot de vraag of van het door Plc uitgekeerde dividend een bronbelasting in de zin van artikel 11 van de Wet is ingehouden de parlementaire toelichting op die bepaling geen aanknopingspunt biedt voor een onderscheid tussen belastingen die geheven worden bij wege van inhouding en afdracht door het uitkerende lichaam enerzijds en belastingen die door de ontvanger van het dividend voldaan worden anderzijds, en dat het Verdrag in artikel 10, leden 2 en 3, aan het Verenigd Koninkrijk als bronstaat een beperkte bevoegdheid geeft om overeenkomstig zijn wetgeving dividenden te belasten, die niet beperkt is tot een belasting bij wijze van inhouding aan de bron. Mede onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad en van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft de Rechtbank geoordeeld dat, gezien het doel van de dooruitdelingskorting met betrekking tot dividenden uit verdragslanden, de wetgever niet bedoeld kan hebben om een belasting die de bronstaat volgens het toepasselijke verdrag mag heffen, maar die niet geheven wordt bij wijze van inhouding aan de bron, te hebben willen uitzonderen van de toepasselijkheid van artikel 11 van de Wet. 3.3.2. Het standpunt van de Inspecteur dat er geen te verzachten belastingdruk is, omdat aan Holding BV een belastingkrediet wordt verstrekt dat groter is dan de geheven ‘income tax’, en dat het belastingkrediet moet worden aangemerkt als een vermindering van de belasting over het dividend, heeft de Rechtbank verworpen. Mede onder verwijzing naar een uitlating van de Staatssecretaris van Financiën (Kamerstukken II 1994/95, 23 980, nr. 5, blz. 3-4) heeft de Rechtbank als haar oordeel gegeven dat het belastingkrediet het karakter heeft van een gedeeltelijke teruggaaf van de op het niveau van de uitdelende vennootschap geheven winstbelasting en moet worden aangemerkt als een teruggaaf aan de aandeelhouder van de over de winst van de uitdelende vennootschap geheven winstbelasting en dus niet als een vermindering van de bronbelasting over het ter beschikking gestelde dividend. Op grond van dit een en ander heeft de Rechtbank geoordeeld dat de ‘income tax’ voor de toepassing van artikel 11 van de Wet als geheven bronbelasting moet worden beschouwd. Hierbij heeft de Rechtbank in aanmerking genomen dat het Verdrag aan het Verenigd Koninkrijk de bevoegdheid geeft om over het dividend op zichzelf 5 percent belasting te heffen en dat de omstandigheid dat de ‘income tax’ wordt geheven bij wijze van verrekening met het onderhavige belastingkrediet niet tot een ander oordeel leidt. 3.4. Het middel bestrijdt de hiervoor in 3.3.1 en 3.3.2 weergegeven oordelen van de Rechtbank met het betoog dat de met het belastingkrediet verrekende ‘income tax’ niet kan worden aangemerkt als op de winstuitkering ingehouden bronbelasting, aangezien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.