25 juni 2013 Strafkamer nr. 11/02386 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 11 februari 2011, nummer 21/003378-10, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967. 1Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.J.M. Bommer, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan. 2Beoordeling van het middel 2.1. Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het Hof van de verdachte in zijn hoger beroep. 2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2011 houdt het volgende in: "De verdachte genaamd: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, is niet verschenen. De voorzitter deelt mede dat de raadsman mr A.J.M. Bommer per fax, gedateerd 11 februari 2011, heeft laten weten dat hij niet ter terechtzitting zal verschijnen, nu hij geen contact meer heeft met zijn cliënte en niet uitdrukkelijk gemachtigd is om het woord ter verdediging te voeren. Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worde voortgegaan. De advocaat-generaal vordert dat verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416 tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar hoger beroep. De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden. (...) De voorzitter spreekt het arrest uit: De verdachte heeft niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, ingediend. Ook heeft zij niet ter terechtzitting in hoger beroep mondeling de bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak. Daarom zal verdachte, gelet op artikel 416 tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep." 2.3. In het middel wordt gesteld dat namens de verdachte binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep tegen het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Arnhem van 29 september 2010 door haar raadsman een schriftuur houdende grieven als bedoeld in art. 410 Sv is ingediend bij de Rechtbank Arnhem. Ter staving van deze stelling zijn aan de cassatieschriftuur kopieën gehecht van: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.